RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
gedicht analyseren






















Versanalyse en interpretatie
analyse gedicht


Martinus Nijhoff - Fuguette
In: Vormen, 1924



 >





gedicht analyse voordracht afspelen    Afspelen op YouTube - Kanaal van RozemarijnOnline






 1.
 2.
 3.
 4.

 5.
 6.
 7.
 8.

 9.
10.
11.

12.
13.
14.
Fuguette


Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen
En luister naar de stem der nacht die bidt.

Nu is mijn hart heel stil geworden: dit
Is het stil einde van het groote dringen.
De regens die tusschen ons beiden hingen,
Claudien, zijn over en de nacht is wit.

Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:
Het is of je op een groenen heuvel toeft,
Een fabel leest, of ziet een mozaiek -

En 't hart, ontvangend wat het hart behoeft,
Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,
Vergeet – een glimlach lang – wat het bedroeft.


Martinus Nijhoff
In: Vormen, 1924.


∗       ∗       ∗



Uitgebreide analyse en interpretatie

Hoe de betekenis van een gedicht beter is te begrijpen dank zij de poëzie-opvattingen van de dichter en de sleutel tot interpretatie die hij de lezer geeft.


   Achtergrond
   Inhoud gedicht 'Fuguette'
   Opgeroepen vragen
   Nijhoffs opvattingen over poëzie
   De vorm en een nieuwe sleutel tot interpretatie
   Slotsom



Achtergrond


Martinus Nijhoff (1894-1953) debuteerde in 1916 met de dichtbundel De wandelaar. In 1924 verscheen zijn tweede bundel, Vormen. In deze bundel staan vele beroemd geworden gedichten, zoals 'Het souper', 'De soldaat die Jezus kruisigde', 'Het tuinfeest' en 'De wolken', en dus ook het hier voorgedragen gedicht 'Fuguette' (geschreven in 1916).

Nijhoff studeerde rechten, maar heeft zijn hele leven van een toelage van zijn vader geleefd. Hij was recensent bij de NRC en redacteur van het literaire tijdschrift De Gids. Naast dichter was hij ook vertaler en hij heeft veel geschreven over zijn poëticale opvattingen ('ontstaans-poëzie', autonomistische poëzie, 'een dichter schreit niet').

In 1916 trouwde Nijhoff met Netty Wind, waarna ze een veelbewogen leven hadden. Ze kregen een zoon, maar zij ging al snel in Parijs wonen, waar ze een relatie kreeg met een schilderes. Ook Nijhoff had een reeks verhoudingen (voor zijn huwelijk met Claudine Witsen Elias, daarna met onder anderen Emmy van Lonkhorst en Josien van Dam van Isselt). Begin jaren '50 trouwde hij uiteindelijk toch met een ander, Georgette Hagendoorn, maar hij overleed al enkele jaren later, onverwacht, in 1953, slechts 58 jaar oud.

Meer over het leven en werk van Martinus Nijhoff: 'Leven en poëzie van Martinus Nijhoff' (tekst lezing op deze website).


(Zet het gedicht (met regelnummers) in een tweede scherm open, of houd het afgedrukt bij de hand, om onderstaande analyse makkelijk te kunnen volgen).



Inhoud gedicht 'Fuguette'


Om te beginnen dan de inhoud van het gedicht 'Fuguette' - al zinspeelt Nijhoff er twee keer op, dat we dit gedicht misschien heel anders zouden moeten of kunnen benaderen. We zullen kijken of we dat om te beginnen met 'close reading' (nauwkeurig lezen en herlezen), op het spoor kunnen komen.

'Fuguette' begint met een situatieschets (r.1-2). Er zijn twee personen: Claudien, die piano speelt, en een ik-figuur, die in een warande zit. Deze 'ik' is de verteller, het gedicht is vanuit zijn gezichtspunt geschreven. Hij richt zich (waarschijnlijk in gedachte) tot de pianospelende Claudien. Deze Claudien verwijst mogelijk naar Claudine Witsen Elias, met wie Nijhoff voor zijn huwelijk een relatie had (en aan wie hij in zijn eerste bundel twee gedichten had opgedragen).

Een 'warande' (r.2) is een omsloten jachtterrein bij een kasteel of landhuis, maar werd later ook algemener gebruikt voor wandeldreef of lusthof. Het woord is afgeleid van het Oud-Franse garande ('afgesloten') en het Germaanse waron ('bewaren, behoeden'). Het roept in ieder geval een beeld op van een wijds en toch omsloten, geborgen natuurgebied, waar de 'ik' alleen is, in stilte. En het is nacht (r.4 en 8), een beeld dat ook een bepaalde stilte oproept.

De 'ik-figuur' luistert naar twee stemmen die blijkbaar voor hem klinken in de nacht: het zingen van 'stille dingen', de stilte dus, en naar 'de stem der nacht die bidt'. Opmerkelijk genoeg luistert hij dus niet naar het pianospel van Claudien. De twee zitten gescheiden van elkaar, zij achter de piano en hij ergens in een veld, in de stilte. Ze zijn niet alleen gescheiden, maar vormen ook een contrast met elkaar: zij zit binnen, hij buiten; zij is muzikante, hij luisteraar; en bij haar klinkt het geluid van haar pianospel, terwijl hij luistert naar twee zeer stille, mogelijk onhoorbare stemmen (het 'zingen' van de stilte en de 'stem' van de nacht).

Dat de 'ik' luistert naar een gebed (r.4), voegt meteen een religieuze lading toe aan het gedicht. Een gebed is iets heel intiems, persoonlijks, kan een verheven gevoel oproepen. Het is niet Claudien die bidt, en ook niet de ik-figuur. Het is de nacht die bidt - dit gebed vult de nacht, hangt dus als het ware tussen hen in, suggereert een (intieme, verheven, gewijde) sfeer die hen omgeeft en hen, ondanks de afstand tussen hen beiden, verbindt.


De tweede strofe gaat dan dieper in op de verhouding tussen beide mensen, die verandert tijdens deze nacht, of tijdens het muziekspel. Niet alleen de dingen om hem heen, maar ook het eigen hart van de 'ik' is 'stil' geworden (r.5) en ook het 'grote dringen' komt tot een 'stil' einde (r6) - met het driemaal herhalen van het woord 'stil' lijkt Nijhoff hier, rond de 'ik', tot de diepste stilte te willen komen. De 'ik' richt zich nogmaals (in gedachte) tot Claudien (r.8), wil haar vertellen wat er volgens hem tussen hen verandert; wat de verbinding tussen de twee opnieuw bevestigt.

De 'regens' - het in zwaar weer zijn, beeld voor tranen/verdriet wellicht, datgene wat tussen de Claudien en de 'ik' in stond - zijn verdwenen (r.7). En ook de donkerte tussen deze twee mensen is opgeklaard ('de nacht is wit', r.8). Deze beelden lijken te wijzen op een grote verandering in hun verstandhouding, een omkering (wat tussen hen in stond is nu weg, wat donker was is nu 'wit'). Hoewel dat wat hen scheidde is weggevallen, is er wel afstand: zij zit binnen, hij ergens buiten in een veld. Als je Nijhoffs beëindigde verhouding met Claudine Witsen Elias hierbij in gedachte zou nemen, zou je kunnen veronderstellen dat hij nu vrede voelt met het stuklopen van de romance, met de verwijdering tussen hen.


Na alle stilte komt Nijhoff dan in de derde strofe weer terug op de muziek uit de beginregel. Hier werkt hij de muziek, opgeroepen in de eerste strofe, verder uit. Het kernwoord van muziek is 'zachtheid', hij herhaalt het nadrukkelijk. Dit zou naar de mate van luidheid kunnen verwijzen, maar het lijkt meer dat voor de 'ik' muziek verzachtend is, dat het hardheid, pijnlijkheid wegneemt, tegenwicht biedt tegen wat hem hard is gevallen.

En hij noemt dan drie beelden, drie gevoelens, drie dingen die muziek kan oproepen: een groene heuvel, een fabel en een mozaïek. (Een fabel is een verhaal, vaak over dieren, met een moraal). Deze drie beelden beslaan achtereenvolgens de natuur, de literatuur en de kunst. Muziek roept dus andere kunstvormen op dan enkel een melodie, iets wat hoorbaar is. Niet alleen het gehoor, maar ook de natuurbeleving, het leesplezier en het visuele vermogen (het zien) van de muziekluisteraar wordt aangesproken. Dat Nijhoff hier drie dingen noemt die de muziek oproept, lijkt mij gezien de rest van het gedicht geen toeval - daar kom ik later op terug.


In de vierde strofe wordt de blik van de lezer weer op het 'hart' gericht (r.12), waarmee Nijhoff lijkt terug te komen op het hart van de 'ik' uit de tweede strofe ('nu is mijn hart heel stil geworden', r.5). Zijn hart 'ontvangt' nu wat het 'behoeft'. Wat dat precies is, wordt niet heel duidelijk. Het zou kunnen zijn dat de zachtheid van muziek, het genieten van de natuur, het lezen van literatuur en de schoonheid van de kunst tezamen, de behoefte van het hart vervult (het liggende streepje, geen punt, aan het einde van r.11 lijkt hier op te wijzen). Het gevolg ervan is in ieder geval wel duidelijk: het hart is niet meer 'van pijn verbijsterd', niet meer 'ziek' en vergeet voor een kort moment zijn verdriet.

De scherpe, aangrijpende uitdrukking 'van pijn verbijsterd' zijn, het ziek zijn en het bedroefd zijn, lijken terug te verwijzen naar de 'regens' die tussen Claudien en de 'ik hingen (r.7). Het verdriet uit de laatste regel (r.14) wordt maar zeer kortstondig vergeten, slechts 'een glimlach lang'. Dus hoewel er problemen worden opgelost, zwaar weer voorbij gaat en er dingen zijn opgeklaard tijdens het klinken van de muziek, tijdens deze nacht, komt niet alles goed. De bedroefdheid is blijvend.



Opgeroepen vragen


Zo bij eerste lezing lijkt de inhoud vrij begrijpelijk en sluitend te zijn. Het gedicht gaat over twee mensen: Claudien en de 'ik' en beschrijft een nacht waarin muziek klinkt en tegelijk de stilte bijna hoorbaar wordt. Er staan moeilijkheden, problemen tussen de twee in, die bij de ik-figuur hebben geleid tot pijn, zich ziek voelen, droefenis. In deze nacht echter, komt daar verandering in, de lucht tussen hen klaart op, de duisternis verdwijnt - hoewel er nog wel afstand is tussen Claudien en de 'ik' (de één achter de piano, de ander in de warande). De pijn van de 'ik', het er volkomen ziek van zijn, verdwijnt. En voor een kort moment kan hij zelfs zijn bedroefdheid vergeten.

Toch blijven er ook nog heel veel vragen bij de tekst. Hoe weet de 'ik' dat Claudien piano speelt, kan hij haar misschien toch horen? Maar waarom zit hij dan niet gewoon bij haar in de buurt? Hoe kan de 'ik' luisteren naar het 'zingen' van 'stille dingen', wat zijn die dingen, hoe kun je stilte nou horen zingen? Hoe kan de nacht een stem hebben, en waarom zou de nacht bidden, en hoe kan de 'ik' dat horen en wat bidt de nacht?

Wat is het 'grote dringen' (str.2), hoe kan een nacht 'wit' zijn? Waarom roept muziek 'een groene heuvel' op, en waarom 'een fabel' of een 'mozaïek' (str.3)? En wat ontvangt het hart nou precies (str.4)? Zo wordt tijdens lezing niet elk begrip, elk beeld en elke zin duidelijk.

Ook is er geen doorlopende verhaallijn door het hele gedicht, maar lijkt de tekst wat van de hak op de tak te springen: dan weer over de relatie, dan weer over muziek, dan weer over hoe het gaat met het hart van de 'ik'. Waarom heeft Nijhoff, een van de meest kundige dichters van het Nederlandse taalgebied, niet een meer vloeiende, inhoudelijke samenhang in de tekst aangebracht?

Er zijn twee manieren om een uitleg te vinden bij alles wat in het gedicht onduidelijk is gebleven. Ten eerste heeft Nijhoff uitgesproken ideeën over het schrijven van poëzie en hoe elke lezer een gedicht kan interpreteren (zijn poëtica). Ten tweede is het de vraag of of Nijhoff hier wel een inhoudelijk gedicht wilde schrijven, of hij wel als dichter aan het woord is, of hij niet een heel andere bedoeling had met dit gedicht. Er zijn twee aanwijzingen dat je dit gedicht met andere ogen zou kunnen benaderen.

Eerst naar Nijhoffs opvattingen over poëzie, zijn poëtica.



Nijhoffs opvattingen over poëzie


Martinus Nijhoff had stellige opvattingen over poëzie en heeft zich nadrukkelijk gemengd in de polemiek die daarover in zijn tijd plaats vond: de zogeheten 'vorm of vent'-discussie van de jaren '20 en '30. Hij schreef hierover onder meer in zijn betoog Pen op papier (1927).

Binnen het modernisme, waar Nijhoff toe gerekend wordt, is het uitgangspunt: kunst om de kunst. Het gedicht staat centraal (autonomistische poetica), niet de dichter. Een gedicht is een talige werkelijkheid, die door de lezer mag worden opgevat zoals die wil (ambiguïteit).

Een beroemde uitspraak van Nijhoff, in Pen op papier, is dan: 'Een dichter schreit niet'. Een dichter moet niet zijn gevoelens uiten in een gedicht (een gedicht is geen dagboek), maar proberen gevoelens op te roepen bij de lezer. Hoe kun je gevoelens oproepen bij de lezer? Daarop antwoord Nijhoff: door een volmaakte vorm, door techniek. En door ont-persoonlijking (niet schrijven over jezelf, maar in zijn algemeenheid, over een fictief personage).

Een tweede beroemde stelling is: 'Lees maar, er staat niet wat er staat'. De betekenis van een gedicht is niet wat de dichter erin heeft gestopt, maar wat de lezer eruit haalt. Er zijn zoveel interpretaties als er lezers zijn.

Ten slotte is het belangrijk om te weten, als je een gedicht van Nijhoff zin voor zin probeert te begrijpen, hoe Nijhoff over het schrijven van gedichten dacht. Zijn opvatting over het schrijven wordt 'ontstaans-poëzie' genoemd. In een gedicht beschrijf je niet een vooraf vaststaand beeld of anekdote, een volledige gedachtegang, nee, je begint met een gedachte over de eerste regel, en daarna schrijft het gedicht gedeeltelijk 'zichzelf'. De vorm bepaalt mede de inhoud (bijvoorbeeld de eerste zin bepaalt al een rijmklank, de lengte van een sonnet beperkt hoeveel je kunt zeggen).

Met deze opvattingen nam Nijhoff stelling in de 'vorm of vent'-discussie van die jaren '20-'30. Hij staat daarmee lijnrecht tegenover de Tachtigers, die uitgaan van een expressieve poëtica (de dichter staat centraal, zijn innerlijke wereld, zijn emoties) en een voorkeur hebben voor wollig taalgebruik. De 'vent', de dichter staat bij hen in het middelpunt, de inhoud bepaalt de vorm.


Zo'n vers-externe poëtica van een dichter kan je handvatten reiken om naar een gedicht te kijken.

Wat het gedicht 'Fuguette' betreft, zou je dus kunnen betogen dat ook hier geldt: iedere lezer mag in dit gedicht lezen wat hij zelf wil, Nijhoff heeft niet geprobeerd een voorval uit zijn leven te beschrijven, het gedicht heeft deels zichzelf geschreven (de nacht is 'wit' omdat het nou eenmaal rijmde op 'dit', en het beeld van een 'mozaïek' rijmt nou eenmaal op 'muziek').

Wat dat betreft is Nijhoff een beetje een geval apart als het aankomt op interpretatie. Hij schrijft nadrukkelijk dat hij niet altijd een uitgewerkt beeld of idee had, maar keek welke kant de vorm hem opstuurde. Hierdoor is niet elk beeld precies uit te leggen, mogelijk liet Nijhoff zich simpelweg leiden door een rijmwoord en de lezer mocht erin lezen wat hij wilde. Zolang de tekst maar iets opriep bij de lezer.

Ook is het dus gevaarlijk om naar Nijhoffs leven te kijken om een betekenis te achterhalen: een gedicht is geen dagboek. Claudien was daadwerkelijk zijn voormalige geliefde, maar voor hetzelfde geld kon ze totaal niet pianospelen of was Nijhoff nog nooit in een 'warande' geweest (misschien ook wel, ik weet het niet - het punt is, is dat dit volgens Nijhoff zelf niet terzake doet). Juist doordat hij in gedichten niet tot in detail verslag doet van zijn persoonlijke ervaringen, maar ze veralgemeniseert, gevoelens suggereert in beelden die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, worden de gedichten mooi voor iedereen.


Kortom: de vragen die waren overgebleven na de eerste lezing, behoeven wellicht geen sluitende interpretatie. Wellicht ging het Nijhoff erom, wat de woorden en beelden opriepen bij elke individuele lezer.



De vorm en een nieuwe sleutel tot interpretatie


Toch heb ik het idee, zoals ik hierboven al opmerkte, dat Nijhoff zijn lezer een sleutel tot interpretatie heeft gegeven voor dit gedicht. Daarom wil ik nog even doorgaan op de toelichting bij Nijhoffs uitspraak 'Een dichter schreit niet'. De vraag daarbij was: hoe kun je gevoelens oproepen bij de lezer? En het antwoord van Nijhoff is dus tweeledig. Ten eerste door een volmaakte vorm, door techniek. En ten tweede door ont-persoonlijking.

In het geval van 'Fuguette' is de vorm van het gedicht een sonnet. Het gaat om een Italiaans sonnet (verdeeld in een octaaf en een sextet), waarbij idealiter slechts vier rijmwoorden werden gebruikt en het rijmschema oorspronkelijk 'abba abba cdc dcd' moest zijn (het overgrote deel van de sonneten in de wereldliteratuur wijkt hier overigens van af, omdat dit ongelooflijk lastig is). Een sonnet is een klassieke vorm, maar door het gebruik van spreektaal, de onderwerpen en de inhoud, worden Nijhoffs gedichten toch gerekend tot het vroege modernisme.

Als metrum heeft Nijhoff door het hele gedicht een jambe aangehouden. Het gaat om een vijfvoetige jambe, dus vijf beklemtoonde lettergrepen per regel. Twee keer moet je elisie (een samentrekking van woorden) toepassen om het metrum aan te kunnen houden (in r.2: "de warand' en luister"; en in r.10: " 't is of je"). Bij het aanhouden van het jambe valt de klemtoon in r.3 op twee onlogische lettergrepen (uit het innige hart), terwijl je geneigd bent om gewoon 'uit het innige hart' te lezen. En in r.9 valt de klemtoon tweemaal op 'zachtheid'. De woorden krijgen daarmee een enorme nadruk en het leesritme wordt bij deze zin vertraagd. Dus in zowel str. 1 als 3 wordt het vaste metrum duidelijk een keer doorbroken.

Wat het rijm betreft, heeft Nijhoff het Italiaanse sonnet perfect aangehouden (vast rijmschema met slechts vier rijmwoorden). Hij heeft inderdaad maar twee rijmwoorden gebruikt in het octaaf (-it en -ingen) en twee in het sextet (-iek en -oeft). Hij houdt bovendien het oorspronkelijke, ideale rijmschema aan: abba abba cdc dcd.

Enkele malen is er tevens assonantie te vinden: innige-stille (r.3); groene-toeft (r.10); ziet-mozaiek (r.11); hart-onvangend-wat-hart (r.12); niet-niet-ziek (r.13); pijn-verbijsterd (r.13).


Misschien heeft het zin om onze blik langer te richten op de vorm van dit gedicht. Zoals we zagen, heeft Nijhoff vergaande gedachten over het belang van de vorm: het uitgangspunt van 'ontstaans-poëzie' (de vorm bepaalt mede de inhoud); het gedicht staat centraal, niet de dichter (autonomistische poetica); en gevoelens oproepen door een perfecte vorm.

Het is dan ook geen toeval dat deze tweede dichtbundel van Nijhoff uit 1924 Vormen heet. Dit woord hangt boven alle gedichten in de bundel als een uitgangspunt, een aanwijzing, een sleutel voor hoe de lezer zijn blik zou kunnen richten.

En dan geeft Martinus Nijhoff ons bij dit gedicht nog een sleutel tot interpretatie, vol in het zicht boven het gedicht: de titel 'Fuguette'.

Een fuguette is een korte, beperkte fuga. En een fuga is een meerstemmig muziekstuk, dat gewoonlijk door meerdere instrumenten wordt gespeeld. Een fuga heeft in principe drie of meer stemmen met elk een eigen thema, eigen melodielijn (thema en contrathema's). Deze wisselen elkaar af en keren door het muziekstuk heen terug (waarbij er vaak op het thema wordt gevarieerd). Kortom: een fuguette is een korte, beperkte fuga, waarin meerdere stemmen elkaar afwisselen en terugkeren. En dat is precies wat er in het gedicht van Nijhoff gebeurt.

Het thema van de eerste strofe keert terug, en wordt verder uitgewerkt, in de derde strofe. En het thema van de tweede strofe keert terug, en wordt verder uitgewerkt, in de vierde strofe.

In de eerste strofe noemt Nijhoff nadrukkelijk drie klanken of stemmen: het pianospel (r.1); het zingen van de stille dingen (r.2-3); en de stem der nacht (r.4). Drie stemmen, het minimaal benodigde aantal voor een fuga. Nu wordt duidelijk waarom er zoveel verschillende geluiden worden benoemd in de stille nacht.

De eerste strofe gaat over pianospel, 'zingen' en een 'stem' - over het thema muziek dus. In de derde strofe grijpt Nijhoff hier op terug en werkt dit verder uit: hij noemt het woord 'muziek' (r.9) en de drie dingen die dat op kan roepen (heuvel, fabel, mozaïek). Drie beelden, gelijk aan de drie klinkende stemmen uit de eerste strofe. Alsof Nijhoff elke melodielijn een eigen sfeer en beeld meegeeft.

Net in deze eerste en derde strofe wijkt Nijhoff twee keer opvallend van het verder strak aangehouden jambe af (r.3 en 9), waarmee hij mogelijk het verschil tussen het thema in str. 1 en 3 en dat in str. 2 en 4 hoorbaar wilde maken.

Het is overduidelijk Claudien die de fuga inzet, het hoofdthema speelt in strofe 1 en 3. De 'ik' in de stille nacht (met de twee stemmen, het 'zingen' en de 'stem der nacht') zijn de contrathema's, die worden uitgewerkt in strofe 2 en 4.

Strofe 2 en 4 hangen op eenzelfde manier samen als 1 en 3. Het thema van strofe 2 is het hart van de 'ik' (r.5), het voorbijgaan van de problemen tussen de 'ik' en Claudien, de verandering, de opklaring. En strofe 4 grijpt daar dan weer op terug. Weer gaat het over het hart (r.12) en nu wordt verder uitgewerkt wat er met het hart gebeurt: hij ontvangt wat het behoeft, de pijn en ziekte verdwijnen, het verdriet wordt voor een kort moment opgeheven.

Het thema van dit gedicht is dus muziek. In strofe 1 en 3 draait het om Claudien en wat muziek kan oproepen. In strofe 2 en 4 draait het om de 'ik' en wat muziek met je kan doen.

De relatie tussen de twee mensen heeft, in de ogen van de dichter, blijkbaar de vorm van een fuguette. Claudien en de 'ik', thema (1 en 3) en contrathema (2 en 4), zijn weliswaar verbonden binnen één muziekstuk, vervlochten, maar hebben afzonderlijke, gescheiden melodielijnen, die niet samenkomen. De opbouw van het muziekstuk spiegelt hun verhouding, ze cirkelen om elkaar, maar zijn op afstand, hun lijnen raken elkaar niet.

Het gedicht vertelt niets over wat Claudien voelt, of voor haar ook de regens wegtrekken tijdens deze nacht, terwijl de muziek klinkt - zij is de pianiste, stemloos, die van achter de piano zoveel weet op te roepen. Anders is het in de lijn van de 'ik', waarin diens hart juist open wordt gelegd - hij is de luisteraar, in stilte, die ontvangt wat hij behoeft; en voor hem komen de problemen, de pijn, het ziek zijn tot een 'stil einde'. Toch blijft de 'ik' 'bedroefd' tot de laatste punt wordt gezet, tot aan het slotakkoord.

Nijhoffs gedicht is dus zelf een kleine fuga, een muziekstuk waarin meerdere stemmen klinken, waarin thema's terugkeren, waar dan op wordt gevarieerd. Het gaat in dit gedicht niet om één lange verhaallijn, maar om het afwisselen en terugkeren van thema's. We zien hier misschien niet zozeer de dichter Nijhoff aan het werk, als wel Nijhoff als componist. Een componist van een talige fuga, die over muziek gaat, de verzachtende werking van muziek in tijden van verbijsterd zijn van pijn en verdriet - maar waarin het vooral draait om de vorm. Vormen, staat er groot op de voorkant van de bundel. 'Fuguette' staat er als sleutelwoord boven het gedicht. Omdat er daadwerkelijk een fuguette volgt, het gedicht zelf een fuguette is.

In die 'vormen' die hij ook hier weer zo nadrukkelijk noemt, is Martinus Nijhoff ook in dit gedicht weer een meester.



Slotsom


Om een gedicht goed te gaan begrijpen, kan het in sommige gevallen enorm helpen om kennis te nemen van de (vers-externe) poetica van de dichter, de literaire stroming waartoe hij wordt gerekend, zijn oeuvre en de betreffende dichtbundel als geheel. Ook geven goede dichters hun lezer, bij ingewikkelde gedichten, altijd ergens een sleutel tot interpretatie - en dat kan heel goed de titel van het gedicht zijn.

Martinus Nijhoff wordt nog altijd gerekend tot de beste dichters die ons Nederlandse taalgebied heeft gekend - hij heeft het talent om binnen de beperking van het meest lastige rijmschema dat er bestaat, de tekst nog altijd schijnbaar moeiteloos te laten lopen, in bijna-spreektaal. Na honderd jaar doen zijn gedichten nog altijd fris en hedendaags aan. En met zijn streven om zichzelf in zijn gedichten te laten verdwijnen om elke lezer te kunnen raken, is hij nog altijd aansprekend voor een grote lezersschare.

Daarmee is Martinus Nijhoff een dichter zoals een taalgebied hooguit eenmaal per eeuw langs ziet komen.



Rozemarijn van Leeuwen
©  2019



∗       ∗       ∗


Zie ook de lezing over Nijhoff
op deze website:
Leven en poëzie van Martinus Nijhoff


∗       ∗       ∗



Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (november 2010, aangevuld september 2016 en april 2019).
Gebruik altijd onderstaande literatuurverwijzing.

Gedicht: Martinus Nijhoff, 'Fuguette'. In: Vormen, 1924.
Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2019. Het is alleen toegestaan om kort te citeren uit bovenstaande bespreking met de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. M. Nijhoff, Fuguette (2019). Bron: https://www.rozemarijnonline.net/poezie/nijhoff-fuguette.html.





Lees meer:

poëziegeschiedenis

kenmerken van poëzie        analyseren en interpreteren

alle gedichten met een bespreking




 >