RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
gedicht analyseren






















Versanalyse en interpretatie
analyse gedicht


J. Slauerhoff - De Schalmei
In: Serenade, 1930



 >





Herder die op een schalmei speelt
(British Museum, ±1510).






 1.
 2.
 3.

 4.
 5.
 6.
 7.
 8.
 9.

10.
11.

12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
De Schalmei


Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.

Allen konden werken:
Eén was geitenhoeder,
Eén vlocht sandalen,
Eén zelfs bouwde kerken;
Maar Iwan die Wanjka heette
Wilde niet werken.

Op een steen in de zon gezeten
Bespeelde hij zijn schalmei.

'O, mijn lieve,
Mijn lustige,
Laat mij spelen
In de schaduw van mijn
Korte rustige vallei.
Laat andren werken,
Sandalen maken of kerken.
Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei.'


J. Slauerhoff
In: Serenade, 1930.


∗       ∗       ∗



Uitgebreide analyse en interpretatie

Een gedicht met een verrassende inhoud en rijk aan klank - dat ineens beter te begrijpen is door te kijken naar de ontstaansgeschiedenis.


   Achtergrond
   Inhoud gedicht 'De Schalmei'
   Opgeroepen vragen
   Herkomst
   Strofen, versregels en metrum
   Rijm, alliteratie en assonantie
   Slotsom



Achtergrond


Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) debuteerde in 1923 met de dichtbundel Archipel. Dichtbundels volgden elkaar daarna in hoog tempo op. In 1930 verscheen zijn achtste bundel, Serenade. In die bundel staan meerdere beroemd geworden gedichten, zoals 'Woningloze' en 'Voor een verre prinses'; en ook het bovenstaande gedicht 'De Schalmei'.

Later, in de Verzamelde gedichten (1947), werd dit gedicht ondergebracht in het onderdeel 'Voor kinderen', maar zo had Slauerhoff zelf het niet ingedeeld (in de 5e, geheel herziene druk, is dat dan ook weer teruggedraaid).

Slauerhoff reisde veel (onder meer als scheepsarts) en werkte tussendoor periodes aan land. Hij was echter zeer veel ziek en maakte veel ellende mee (overlijden van zijn enige kind, echtscheiding). Hij schreef veel over onderwerpen als het verlangen (naar zee), maar je toch nooit ergens thuis voelen, rusteloosheid, onvrede met het leven, heimwee naar andere plekken en tijden. Hij overleed al op 38-jarige leeftijd (1936). Door zijn hoge schrijftempo liet hij toch tien dichtbundels en een aantal romans en verhalenbundels na.


(Zet het gedicht (met regelnummers) in een tweede scherm open, of houd het afgedrukt bij de hand, om onderstaande analyse makkelijk te kunnen volgen).



Inhoud gedicht 'De Schalmei'


De eerste strofe van 'De Schalmei' bevat meteen twee verrassende mededelingen. Er is een moeder met zeven zonen - en allen heten Peter. Dit is zo totaal ongebruikelijk, dat je als lezer meteen verrast bent: een eigen naam maakt onderscheid, maakt dat je aanspreekbaar bent als individu, benoemt je identiteit. Maar in de derde regel neemt Slauerhoff hier meteen wat van terug (zelfcorrectie): behalve één broer dan, behalve 'Wanjka die Iwan heette'.

Dat is meteen weer raadselachtig voor de lezer: deze broer heeft niet alleen een eigen, afwijkende naam, maar hij heeft zelfs twee namen. Dit is echter maar schijn, want de naam 'Wanjka' is de verkleinvorm van 'Iwan'. Het is dus eigenlijk een koosnaampje - er staat zoveel als: 'Behalve "Iwannetje" die Iwan heette'.

Nu is er nog iets bijzonders aan de hand met de naam 'Iwan'. Dit is namelijk de Russische of Slavische vorm van de naam Johan of Johannes - in het Nederlands kortweg 'Jan'. En dat is natuurlijk de voornaam van Jan Jacob Slauerhoff zelf.

Het lijkt erop dat Jan Slauerhoff zichzelf hier, achter een lichte vermomming, opvoert als hoofdpersonage van het gedicht: behalve Jantje, die Jan heette.

In de drie korte regeltjes van deze eerste strofe trekt Slauerhoff dus tweemaal de aandacht van de lezer, door te verrassen en te verwarren, waardoor deze beginstrofe meteen nieuwsgierigheid opwekt en de lezer aanspoort om verder te lezen.

De tweede strofe begint met een algemene constatering: 'Allen konden werken' (r.4). De groep Peters (mogelijk symbool voor een grote groep identiteitsloze mensen, de massa) hebben allerlei (meestal eenvoudige) eerzame beroepen, waarbij ze met name handwerk verrichten. Maar opnieuw volgt daar een wending, aangekondigd door het woord 'maar' (r.8): maar Iwan wil niet werken.

Er staat niet dat hij niet kan werken, nee, de medeling 'Allen konden werken' wordt niet teruggenomen. Maar Iwan wil het niet. Het staat er zelfs met een hoofdletter 'W'.

In twee regeltjes schetst Slauerhoff wat Iwan dan wel met zijn leven wil (r.10-11): buiten, zittend op een steen (eenvoudig, wat armoedig wellicht zelfs), midden in de natuur, maakt hij muziek, kunst. De schalmei is een zeer eenvoudige, houten fluit (ook herdersfluit of rietfluit genoemd), dat wegens zijn harde, doordringende geluid gewoonlijk buiten werd bespeeld. Er wordt geen vermelding gemaakt van publiek.

De laatste strofe staat dan tussen aanhalingstekens en roept verschillende vragen op. Ten eerste lijkt het erop dat Iwan hier spreekt of zingt ('laat mij spelen', r.14) - maar vreemd genoeg wordt het woord 'ik' vermeden. Het citaat eindigt niet met 'Ik heb genoeg aan mijn schalmei', maar 'Wanjka heeft ...' (r.19). Ten tweede lijkt er iemand te worden aangesproken ('mijn lieve, mijn lustige', r.12-13), maar wie dat zou kunnen zijn, blijft onduidelijk. En hoewel, op de derde plaats, deze strofe vaak als gezang wordt opgevat, is het onmogelijk om tijdens het fluiten op een schalmei te zingen.

Hoewel deze slotstrofe dus verschillende vragen oproept, herhaalt Iwan hier nog eens nadrukkelijk zijn boodschap dat hij niet wil werken: 'laat mij spelen' (r.14), 'laat anderen werken' (r.17) en 'Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei' (r.19). Het schalmei spelen wordt nadrukkelijk niet voorgesteld als optreden, muzikant zijn - wat natuurlijk ook een vak is, een ambacht. Nee, Slauerhoff zet juist de tegenstelling tussen 'werken' en 'spelen' scherp aan. Fluit spelen is hier 'niet werken'.

De vermelding van 'kerken bouwen' voegt wellicht een licht religieus motief toe aan het gedicht. Je kunt het opvatten als: Iwan wil zowel geen wereldlijk werk doen, als geen religieus werk doen. Dus Iwan verkiest de kunst boven zowel arbeid als religie. Ook de slotregel - laat anderen kerken bouwen, 'Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei' - kan zo worden gelezen: hij wil geen energie steken in iets religieus, hij heeft genoeg aan de kunst.


In dit gedicht verkiest Jan 'Iwan' Slauerhoff de kunst boven een gangbaar beroep, een ambacht. Hoewel hij daarbij een beeld oproept van eenvoud en mogelijk enige armoede (zittend op een steen) en van eenzaamheid, enigszins buiten de bedrijvigheid van de maatschappij staan (een 'rustige vallei', 'genoeg hebben aan' een schalmei), verkrijgt hij hiermee wel zijn individualiteit, zijn identiteit. Hij is niet een van de vele Peters; hij is Iwan (Jan), die wel Wanjka (Jantje) wordt genoemd.

De 'schalmei' uit de titel (en tevens het slotwoord, waarmee het beeld van de schalmei het hele gedicht omvat) is het symbool voor de keuze van het hoofdpersonage Iwan/Wanjka (Jan) om niet te werken, niet te kiezen voor een maatschappelijk geaccepteerd bestaan, maar muziek te maken. Het gedicht confronteert de lezer met de eisen van de maatschappij die hijzelf mogelijk ervaart, zijn eigen keuzemogelijkheden om te doen wat je werkelijk zou willen met je leven, de moed die het vergt om nadelige gevolgen te dragen van het trouw blijven aan jezelf.



Opgeroepen vragen


De inhoud van het gedicht is meteen bij eerste lezing vrij duidelijk. De boodschap staat er uitdrukkelijk in: Iwan wil niet werken, hij wil op zijn schalmei spelen. En toch is het gedicht zo wonderlijk, dat het tegelijkertijd veel vragen oproept.

Hoe kwam Slauerhoff er toe om zo'n raadselachtige tekst te schrijven, met Slavische namen, geitenhoeders en sandalenvlechters, broers die dezelfde naam hebben en met een schalmei, een eenvoudige herdersfluit, in de hoofdrol?

En waarom kiest hij juist dat instrument, een onaanzienlijke fluit voor arme mensen, als symbool voor het kiezen voor de kunst? Waarom geen luit of harp? Of beter nog: waarom verwijst hij, als dichter, niet naar pen en papier, schrijven, dichten?

Slauerhoff staat bekend om zijn gedichten waarin hij verlangt naar de zee (en op zee naar het land), over de wereld zwerft, geen plek kan vinden waar hij zich thuis voelt. Niet om z'n oude muziekinstrumenten, vele broers en Russische namen. Het gedicht is zeer afwijkend van de rest van zijn poëtische oeuvre en is daardoor opvallend.

Hoe kwam Slauerhoff er toe om deze uitzonderlijke beelden te kiezen?



Herkomst


Toevallig is de aanleiding, de inspiratie voor dit gedicht bewaard gebleven.

Deze wordt vermeld in een artikel over Slauerhoffs dagboeken door Kees Lekkerkerker (die Slauerhoffs verzamelde werken uitgaf). In mei 1928 is 'Slau', tussen twee reizen door, enkele dagen in Nederland en hoort dan het Kubankoor een Duitstalig kozakkenlied zingen (kozakken zijn Slavische gemeenschappen). Het lied is getiteld: 'Ach du, meine Schalmei'.

Lekkerkerker schrijft dan: 'Dit lied schijnt op Slauerhoff een bijzondere indruk te hebben gemaakt; hij gaf er een zeer vrije bewerking van in het prachtige gedicht 'De schalmei'. In het Slauerhoff-archief is nog een exemplaar van het programma van deze avond aanwezig, afkomstig uit de nalatenschap; men vindt er de teksten van de liederen in het Duits afgedrukt' (De Gids, 117, 1954).

Slauerhoffs gedicht is overduidelijk geïnspireerd op dit kozakkenlied. Lees je de liedtekst ter vergelijking, dan zie je hoeveel Slauerhoff hieruit heeft overgenomen, maar ook hoe hij het naar zijn hand heeft gezet.

Ach du, meine Schalmei!
Du, meine lustige!
Mach' mich lustig, mach' mich fröhlich!
In dem Lande, in dem fremden!
Drei Söhne hatte ein Vater:
  Ach jij, mijn schalmei!
Jij, mijn vrolijke!
Maak mij vrolijk, maak mij blij!
In het land, in den vreemde!
Drie zonen had een vader:

Alle hiessen sie Wassilij.
Der Eine flocht Bastschuhe.
Der Andere weidete Pferde.
Der Dritte sitzt auf einem Steine.
Sein' Schalmei hängt an der Leine.

(na elke zin volgt: 'Ja, uch ja!')
 
Allen heetten Wassilij.
De ene vlocht sandalen v. plantenvezels.
De andere weidde paarden.
De derde zit op een steen.
Zijn schalmei hangt aan de lijn.


De eenvoudige liedtekst begint als lofzang op de schalmei. Deze maakt vrolijk, in het land en in den vreemde. In het volksliedje heeft een vader drie zonen - allen heetten Wassilij (Slavische naam). De beroepen zijn vrijwel overeenkomend: sandalen vlechten en paarden weiden. De derde zoon 'zit op een steen' en zijn schalmei hangt aan een lijn.

Een heel aantal woorden komt letterlijk terug in Slauerhoffs gedicht: zonen, allen heetten, vlocht sandalen, op een steen, zitten, lustige - en natuurlijk schalmei. Je zou kunnen verdedigen dat de schalmei in de slotregel niet alleen een instrument is, maar ook een literaire verwijzing: Wanjka heeft genoeg aan zijn kozakkenlied, aan deze liedtekst, aan de literatuur.

Een aantal wijzigingen ten opzichte van het lied ligt in het Nederlands voor de hand: de vader is veranderd in een 'moeder', want dat rijmt moeiteloos op 'geitenhoeder'. De 'zeven zonen' zorgt voor een alliteratie en is meteen een getal met enige lading (heilig getal in christendom). De naam 'Peter' assoneert met 'heten' (wat weer rijmt op 'gezeten'). En een broer die 'kerken' bouwt is toegevoegd, vanwege het rijm op 'wilde niet werken' - en kan tegelijk een religieus motief toevoegen.

Het schijnbare gezang in het gedicht, dat tussen aanhalingstekens staat (de vierde strofe), lijkt nu meer een verwijzing te zijn naar de herkomst van het gedicht: een lied. De aanspreking ('mijn lieve, mijn lustige') lijkt nu, gezien het lied, naar de schalmei zelf te verwijzen (naar het Duitse 'meine Schalmei, meine lustige').

Zo zijn er veel overeenkomsten en veel verklaarbare aanpassingen. Maar lees je na deze liedtekst Slauerhoffs gedicht ter vergelijking, dan springt meteen zijn kundigheid, zijn talent, zijn literaire virtuositeit in het oog. Hoewel hij zich overduidelijk heeft laten inspireren door het liedje en vrijwel alle elementen uit het volkslied gebruikt, zet hij het volkomen naar zijn hand en maakt iets nieuws, verrassends, moois en aansprekends.

Zijn tekst verrast, verwart, wordt lyrisch, bevat een duidelijke boodschap, laat de lezer met een glimlach achter en zet elke lezer aan tot nadenken over wat deze werkelijk wil met zijn leven.


Ach jij, mijn schalmei!
Jij, mijn vrolijke!
Maak mij vrolijk, maak mij blij!
In het land, in den vreemde!
Drie zonen had een vader:

Allen heetten Wassilij.
De ene vlocht sandalen v. plantenvezels.
De andere weidde paarden.
De derde zit op een steen.
Zijn schalmei hangt aan de lijn.
  Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.

Allen konden werken:
Eén was geitenhoeder,
Eén vlocht sandalen,
Eén zelfs bouwde kerken;
Maar Iwan die Wanjka heette
Wilde niet werken.

Op een steen in de zon gezeten
Bespeelde hij zijn schalmei.

'O, mijn lieve,
Mijn lustige,
Laat mij spelen
In de schaduw van mijn
Korte rustige vallei.
Laat andren werken,
Sandalen maken of kerken.
Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei.'


Slauerhoff laat hier zien wat het betekent om door iets - een liedtekst, muziek, een roman, een kunstwerk - geïnspireerd te zijn: je aangezet voelen tot creativiteit, tot iets nieuws komen dankzij bestaande kunst, een flits van nieuw inzicht krijgen door iets, verderbouwen op, het je eigen maken. Het begrip 'geïnspireerd door' wordt nogal eens gebruikt (misbruikt) voor het verschijnsel 'beter goed gejat dan slecht bedacht', iets ook gaan doen, nadoen, navolging (imitatio), gebruik maken van de kunst van een ander met slechts kleine wijzigingen. Zo niet Slauerhoff.

Met alle elementen uit een lied dat hij hoorde, dat hem opviel, raakte wellicht, maakt hij een volledig nieuwe vorm, nieuwe gedachtegang, een vermomd zelfportret - waarin hij een maatschappelijk ongewenst verlangen verwoordt, durft te verwoorden: ik wil niet werken, laat mij maar spelen.



Strofen, versregels en metrum


Het gedicht 'De Schalmei' bestaat uit vier strofen van ongelijke lengte (een terzine, een sextet, een distichon en een octaaf). De regels zijn eveneens van ongelijke lengte (tussen de twee en de vijf beklemtoonde lettergrepen). Hierdoor maakt het gedicht, zelfs op het oog al, een vrije indruk.

Het meest in het oog springt de derde strofe, het distichon (r.10-11). Dit vormt het middelpunt van het gedicht (r.10 is precies halverwege) en schetst kernachtig Iwans ideale leven, datgene wat hij wèl wil in plaats van werken.

Er is geen metrum dat in het hele gedicht is volgehouden. Normaal gesproken stel je dan geen metrum vast voor het gedicht. Maar er is toch iets opvallends aan de hand: elke afzonderlijke zin heeft wel degelijk een metrum. Bijvoorbeeld 'allen konden werken' of 'wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei' zijn overduidelijke trocheeën.

Dan zijn er ook trocheeën waar een extra daling aan is toegevoegd, waardoor één versvoet verandert in een amfibrachus (· – ·). Vergelijkbaar zijn er bovendien jambische versregels, waaraan een anapest (· · –) is toegevoegd, wat precies hetzelfde effect geeft. De zin krijgt, met ineens twee dalingen na elkaar, een 'huppeltje', iets danserigs. Bijvoorbeeld:

•  'op een steen  in de  zon gezeten'  (trochee met amfibrachys)
•  'sandalen ma ken of  kerken' (jambe met anapest).

Het gaat in totaal om 12 regels die een trochee als metrum hebben, waarbij er aan drie een amfibrachys is toegevoegd. En er zijn 6 versregels die een jambe als metrum hebben, waarbij er aan vier een anapest is toegevoegd. Dat zijn 18 van de 19 regels, die een terugkerend metrum hebben.

 1.
 2.
 3.

 4.
 5.
 6.
 7.
 8.
 9.

10.
11.

12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
– · – · · – ·
– · – · – ·
· – · – · · – · – ·

– · – · – ·
– · – · – ·
– – · – ·
– · – · – ·
· – · · – · – ·
– · · – ·

– · – · · – · – ·
· – · · – · –

– · – ·
· – · –
– · – ·
– · – · – ·
– · – · – · –
· – · – ·
· – · – · · – ·
– · – · – · – · –
  trochee + amfibr.
trochee
    jambe + anap.

trochee
trochee
         afwijkend
trochee
    jambe + anap.
trochee + amfibr.

trochee + amfibr.
    jambe + anap.

trochee
    jambe
trochee
trochee
trochee
    jambe
    jambe + anap.
trochee

Een afwijkend metrum heeft r.6, met twee beklemtoonde lettergrepen na elkaar ('één vlocht'). Over r.9 valt te twisten; deze kan ook gelezen worden als een jambe met antimetrie ('wilde niet werken'). Het woord 'wilde' krijgt dan extra nadruk, doordat de beklemtoonde lettergreep 'wil' op een daling komt te staan - een nadruk die inhoudelijk goed te verdedigen zou zijn (Iwan wil het nadrukkelijk niet).

Hoewel het metrum dus afwisselend en betrekkelijk vrij is, is het ook zeker niet willekeurig (als proza). Het zou me niet verbazen als het 'danserige' metrum van het gedicht het ritme van het kozakkenlied zou spiegelen. Het is niet te achterhalen hoe het geklonken heeft, maar het lijkt ook enkele regels te bevatten met twee opeenvolgende dalingen, bijvoorbeeld:

•  Drei hne hat te ein  Vater
•  Alle hies sen sie  Wassilij.

Hoe dan ook geeft het metrumgebruik dit gedicht - dat gaat over muziek, fluiten, mogelijk zingen, en over het zich onttrekken aan het keurslijf van maatschappelijke verwachtingen - iets speels, iets vrijs, danserigs, muzikaals.



Rijm, alliteratie en assonantie


Het gedicht 'De Schalmei' is een sterk vlechtwerk van klank (rijm, assonantie, alliteratie) en van herhalingen van woorden en beelden. Slauerhoff heeft geen vast rijmschema aangehouden. Toch is het gedicht rijk aan rijm en klank.

Het rijm zit door het hele gedicht verweven. Het begint met 'moeder' en het assonerende rijm peter-heette (r.2-3). Pas in r.5 volgt 'hoeder' als rijmwoord op 'moeder' in r.1. Deze tweede strofe bevat werken-kerken-werken, met nog een herhaling van 'heette' (volrijm).

De korte derde strofe grijpt met 'gezeten' (r.10) terug op de rijmklank 'heten' (r.3), en verwijst vooruit met het rijmwoord 'schalmei' (r.11) naar 'vallei' (r.16) - waarmee deze kortste strofe stevig verbonden is met de voorgaande en volgende strofe.

De vierde strofe bevat dan het binnenrijm lustige-rustige (r.13+16). Er blijven rijmklanken van het allereerste begin terugkomen: 'spelen' en 'werken'. Het gedicht eindigt met het woord uit de titel, 'schalmei' (het beeld voor het kiezen voor de kunst, waar het hele gedicht om draait), en deze rijmklank is zorgvuldig voorbereid vanaf r.11: schalmei-mijn-vallei-schalmei (r.11-15-16-19).

Het rijmschema wordt dan (met tussen haakjes binnenrijm):

a - (b) b' - b // c - a - d - c - b - c // b - e // f - g - b' - e' - (g) e - c - c - e

Slechts 7 rijmklanken dus in 19 regels. Er komt 2 keer weesrijm voor: d en f ('sandalen' en 'lieve'). In beide gevallen vertonen deze woorden toch klankherhaling, namelijk: assonantie (sandalen-maken, r.18) en alliteratie (lieve-lustige, r.12-13).

Het gedicht is ook rijk aan alliteratie en assonantie. Opvallend is de korte derde strofe (het distichon) met zowel op-steen-zon-gezeten (r.10, gekruiste assonantie) met 'bespeelde' in de volgende regel en tevens de assonantie hij-zijn-schalmei (r.11), met bovendien de alliteratie steen-(be)speelde-schalmei (r.10-11) in diezelfde regels.

Voorbeelden van alliteratie (beginrijm):
zeven-zonen (r.1); wanjka-wilde-werken (r.8-9); steen-(be)speelde-schalmei (r.10-11); lieve-lustige (r.12-13); spelen-schaduw (r.14-15).

Voorbeelden van assonantie (klinkerrijm):
heetten-peter-heette (r.2-3); behalve-wanjka (r.3) op-steen-zon-gezeten (r.10, gekruist), plus bespeelde (r.11); hij-zijn-schalmei (r.11); sandalen-maken (r.18). Als hij in de vierde strofe in plaats van 'korte' voor 'kleine' had gekozen, had daar nog een assonantie met 'vallei' bij kunnen komen; het woord 'korte' heeft nu, als een van de weinige woorden, geen enkele klankovereenkomst.

Ook wordt een heel aantal woorden geheel herhaald (repetitio), vaak in gelijklopende zinnen (parallellisme), eenmaal in een chiasme (spiegelende zinnen, r.3 en 8):
allen-allen (r.2 en 4); wanjka-iwan/iwan-wanjka (r.3 en 8, chiasme); één-één-één (r.5-7, enumeratie); werken-werken-werken (r.4, 9 en 17); sandalen/kerken (r.6, 7 en 18); en laat-laat (r.14 en 17).

Er zijn dus woorden die zowel door rijm als door alliteratie/assonantie samenhangen met andere woorden in het gedicht. Je zou dit zeer hechte vlechtwerk aanschouwelijk kunnen maken, door terugkerende klanken eenzelfde kleur te geven
(rijm, assonantie, alliteratie, herhaling).


   1.
 2.
 3.

 4.
 5.
 6.
 7.
 8.
 9.

10.
11.

12.
13.
14.
15.
16.
17.
18.
19.
Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.

Allen konden werken:
Eén was geitenhoeder,
Eén vlocht sandalen,
Eén zelfs bouwde kerken;
Maar Iwan die Wanjka heette
Wilde niet werken.

Op een steen in de zon gezeten
Bespeelde hij zijn schalmei.

'O, mijn lieve,
Mijn lustige,
Laat mij spelen
In de schaduw van mijn
Korte rustige vallei.
Laat andren werken,
Sandalen maken of kerken.
Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei.'


Er is letterlijk geen zin zonder kleur, zonder klankverbinding. Het distichon (r.10-11) spant de kroon: in twee regels van slechts 16 lettergrepen zijn er 8 assonerende lettergrepen, 3 allitererende lettergrepen en 2 rijmwoorden (waarvan de eerste verbinding legt met de voorgaande strofe en de tweede met de volgende strofe). En dat in een strofe waarin de muziek gaat klinken en de taal dus zo muzikaal mogelijk, zo melodisch mogelijk mag zijn.

Wellicht komt iemand als Martinus Nijhoff hier een enkele keer dichtbij, met bijvoorbeeld de klanken in en rond zijn beroemde regel 'De wonderen werden woord en dreven verder'. Maar het zou het me niet verbazen als het virtuoze klankspel in Slauerhoffs distichon in de gehele Nederlandse letterkunde onovertroffen is.

Zo'n hecht, sterk vlechtwerk van terugkerende klanken door het gedicht heen, bewerkstelligt verschillende dingen. Het is ten eerste een sterk bindend element, waardoor een gedicht meer een eenheid wordt. Het gaat er natuurlijk niet om, om een klank maar lukraak zo vaak mogelijk te herhalen (een gedicht met enkel een a-klank wordt vreselijk saai), maar om een evenwichtige dosering, verspreiding en afwisseling, zoals hierboven aanschouwelijk is gemaakt.

Ten tweede hebben klinkers en medeklinkers een klankwaarde, ze roepen verschillende gevoelens, stemmingen, sfeer op. Je ziet dit eenvoudig in dit gedicht, door twee klanken te vergelijken: werken-kerken hoort bij de maatschappij, die Iwan wil ontvluchten; vallei-schalmei hoort bij Iwans geïdealiseerde en muzikale toekomst: het zijn harde, 'onaangename' klanken tegenover vloeiende, poëtische klanken.

Ten derde kunnen woorden nadruk krijgen, doordat de klank al is 'voorbereid', zeker als het woord op een opvallende plek staat, zoals het slot van een strofe of van het gedicht (zoals hier 'vallei' met het slotwoord 'schalmei'). Een rijmwoord, zeker aan het einde van een strofe, lost bovendien een zekere spanning op en geeft een afronding aan.



Slotsom


Zo zit het gedicht 'De Schalmei', op het eerste gezicht een speels, luchtig, eenvoudig gedicht, razend knap in elkaar. Het is een voorbeeld van een tekst waar geen woord kan worden weggelaten en geen woord nog bij zou moeten. Het rijm en de vele klankherhalingen maken het een sterk samenhangende tekst, zonder dat er ergens afbreuk wordt gedaan aan de inhoud.

Deze inhoud roept Jan Slauerhoff (Iwan) zelf op, de dichter, de schrijver, de kunstenaar Slauerhoff - maar met zo weinig nadruk, dat de lezer de inhoud allereerst op zichzelf zal betrekken: het gedicht stelt elke lezer de wezenlijke vraag of hij heeft durven kiezen voor wat hij werkelijk wil met zijn leven.



Rozemarijn van Leeuwen
©  2019



∗       ∗       ∗



Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (maart 2019).
Gebruik altijd onderstaande literatuurverwijzing.

Gedicht: J. Slauerhoff, 'De Schalmei'. In: Serenade, 1930.
Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2019. Het is alleen toegestaan om kort te citeren uit bovenstaande bespreking met de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. J. Slauerhoff, De Schalmei (2019). Bron: https://www.rozemarijnonline.net/poezie/slauerhoff-schalmei.html.





Lees meer:

poëziegeschiedenis

kenmerken van poëzie        analyseren en interpreteren

alle gedichten met een bespreking




 >