RozemarijnOnline




Versanalyse en interpretatie
-
gedicht analyseren






















Versanalyse en interpretatie
analyse gedicht


J.H. Leopold - Regen
In: Verzen, 1914



 >





Regendruppels op het raam.






 1.
 2.
 3.
 4.
 5.
 6.

 7.
 8.
 9.
10.
11.
12.
13.

14.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
Regen


De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht...

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.


J.H. Leopold
In: Verzen, 1914.


∗       ∗       ∗



Uitgebreide analyse en interpretatie

In dit ogenschijnlijk eenvoudige natuurgedicht, bleken maar liefst vier lagen van interpretatie zijn te onderscheiden - waarmee de betekenis zich stap voor stap ontvouwt.


   Achtergrond
   Inhoud gedicht 'Regen'
   Strofen, versregels en metrum
   Rijm, alliteratie en assonantie
   Gelaagdheid van interpretatie
   Tot slot



Achtergrond


Jan Hendrik Leopold (1865-1925) is vooral bekend geworden om zijn lange gedicht 'Cheops'. Hij was classicus en de klassieke oudheid is dan ook een veel terugkerend thema in zijn werk.

Andere kenmerkende thematieken zijn: schoonheid, weemoed, somberheid, lijden, eenzelvigheid (eenzaamheid) en vervreemding - en uiteindelijk het verlangen om op te gaan in iets hogers. Daarnaast staat hij bekend om zijn filosofische gedichten, vaak geschreven in vloeiende, stromende enjambementen.

Leopolds poëzie wordt wel tot de vroege stroming van de symboliek gerekend. Het gedicht 'Regen' is opgenomen in de bundel Verzen (1914) en is waarschijnlijk in 1898 of 1899 geschreven.


(Zet het gedicht (met regelnummers) in een tweede scherm open, of houd het afgedrukt bij de hand, om onderstaande analyse makkelijk te kunnen volgen).



Inhoud gedicht 'Regen'


Leopolds gedicht 'Regen' beschrijft het moment net na een regenbui.

Het gedicht bestaat uit drie strofen, die elk duidelijk een afgebakende inhoudelijke eenheid vormen. De eerste strofe begint met de constatering dat de bui is weggedreven. De wolken trekken weg en een heldere, strak-blauwe lucht blijft over.

Strofe 2 'zoomt' in en laat van nabij zien wat er van de bui is overgebleven: een regendruppel, bevend en rillend in de wind tegen het raam.

De derde strofe bevat dan een uitgebreide opsomming van alles wat er in die druppel wordt weerspiegeld. Hoe nauwkeuriger je naar de druppel kijkt, hoe wijder je blik weer wordt: de heggen, mensen, bomen, zon, ja zelfs het ruime heelal: ze zijn allemaal vervat in deze druppel, dit 'trilkristal'.

De inhoud is, per strofe, eenvoudig te volgen, het is een duidelijke driedeling: de weggedreven bui; de druppel; en de weerspiegeling. Op het eerste oog lijkt dit een eenduidig, anekdotisch natuurgedicht. Toch is dit gedicht een beroemd voorbeeld geworden om z'n vele lagen van interpretatie.


Lees je het gedicht 'Regen' namelijk als puur anekdotisch gedicht, dan zijn een aantal woorden en beelden in het gedicht niet goed te plaatsen.

Allereerst kent het gedicht geen ik-figuur, er is geen persoon die dit natuurmoment beleeft, er is geen subjectieve blik. Er is geen enkele verwijzing naar een 'ik' of een aanwezig persoon. En toch wordt er een enkele keer een subjectieve en emotionele lading aan een beeld gegeven: het 'kille' blauw (r.5), opnieuw het 'kille licht' (r.13) en de 'bedroefde ruiten' (r.8). Ook wordt duidelijk gesteld dat de wind en de regen 'buiten' (r.9) zijn - en dat kan alleen vanuit een gezichtspunt van binnen.

Ook de opsomming in de derde strofe blijkt, als je die nader beschouwt, niet zo willekeurig te zijn. Het woord 'bevat' (r.22) in de laatste regel is, bij een anekdotische lezing, moeilijk te duiden. En met het slotwoord van het gedicht lijkt iets vreemds te zijn. Het kristal lijkt terug te verwijzen naar de druppel op het raam. Maar een kristal is een structuur van harde stof of bevroren water. Is dit een onhandig gekozen woord, of had Leopold daar een bedoeling mee?


In 1974 heeft de Utrechtse hoogleraar A.L. Sötemann een beroemd geworden artikel geschreven over het gedicht 'Regen', getiteld 'Analyse en interpretatie van een gesloten symbolisch gedicht' (De nieuwe taalgids 67, 1974). Hij betoogt dat er in dit gedicht, dat er ogenschijnlijk uitziet als een eenvoudig, anekdotisch natuurgedicht, maar liefst vier betekenislagen zijn te onderscheiden.

Het lijkt daarom zinvol om langer en beter naar dit gedicht te kijken ('close reading', nauwkeurig lezen en herlezen). Ik zal om te beginnen de formele kenmerken (zoals metrum en rijm) bekijken (de samenhang tussen inhoud en poëtische vorm kan, in goede gedichten, er aan bijdragen om tot een goede interpretatie te komen). Vervolgens hebben we genoeg handvatten om Sötemanns redenering te volgen.



Strofen, versregels en metrum


Leopolds gedicht 'Regen' bestaat uit drie strofen van achtereenvolgens 6, 7 en 9 regels (een sextet, septet en novet). Hier zit dus een opbouw in, elke strofe is langer dan de voorafgaande.

Het metrum dat door het hele gedicht wordt aangehouden is een jambe (steeds een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep). Als voorbeeld de eerste regel:
de bui is afgedreven.

Een enkele maal komt antimetrie voor (een beklemtoonde lettergreep valt op een onbeklemtoonde plek): 'blank' (r.6), 'beeft' (r.9), 'kleeft' (r.12), 'rilt' (r.13), 'stralende' (r.16), 'ploegpaarden' (r.18) en 'wereld' (r.21). Deze woorden krijgen hierdoor extra nadruk.

Met name de drie werkwoorden in de tweede strofe zijn hierbij opvallend. Over de 'druppel' (r.11), het onderwerp van de zin, wordt met drie werkwoorden iets aangeduid: de druppel 'beeft' (r.9), 'kleeft' (r.12) en 'rilt' (r.13). Deze woorden staan steeds vooraan een regel, op een plek van antimetrie (een onbeklemtoonde plek, terwijl het woord een klemtoon heeft). Bovendien rijmen 'beeft' en 'kleeft' op elkaar (voorrijm), assoneert 'kleeft' met 'regen' en 'tegen' en assoneert 'rilt' op zijn beurt met 'kille' en 'licht' (r.13). Dus op vier manieren (antimetrie, vooropplaatsing in de regel, rijm en assonantie) worden deze woorden benadrukt in de tekst, naar voren gehaald.


De lengte van de regels verschilt behoorlijk: van drie tot vijf beklemtoonde lettergrepen (oftewel versvoeten). Daarbij zijn de regels in strofe 2 het kortst en hebben ze in strofe 3 juist allemaal het maximale aantal van 5 klemtonen. De regellengte is achtereenvolgens (aantal beklemtoonde lettergrepen):
3, 4, 5, 5, 5, 5
4, 3, 3, 4, 3, 3, 3
5, 5, 5, 5, 5, 5, 5, 5, 5

Dus de strofe over het kleinste deeltje, de tweede strofe over de druppel, heeft de kortste zinnen - en zogauw het beeld inhoudelijk verbreed, in een lange opsomming over de wereld en de hemel, krijgen de zinnen de langste lengte. Op deze manier ondersteunt de vorm de inhoud.

Het is duidelijk dat Leopold dit bewust heeft gedaan, want ook in de eerste strofe ondersteunt het gedicht visueel de inhoud: zogauw het gaat over het 'spannen' van de blauwe lucht, als lakens die kreukloos, breeduit worden opgehangen, verbreden de regels zich (r.5-6) ten opzichte van de voorgaande regels (r.1-4).

Ook in het gebruik van enjambementen (een zin die doorloopt op de volgende regel) maakt Leopold onderscheid tussen de strofen. In de eerste en derde strofe komen ze meerdere keren voor, maar in de tweede, de strofe met de kortste zinnetjes, valt het regeleinde steeds samen met het einde van een zinsdeel of zin. Hierdoor komt de strofe over de druppel meer kortaf en afgemeten over, dan bijv. de meer vloeiende lange opsomming in de strofe erna.

Tot slot is de strofe-scheiding tussen str. 2 en 3 opmerkelijk: er is een witregel, maar de zin loopt door en het rijm valt over de witregel heen ('licht' / 'vergezicht'). Bovendien worden r.13 en 14 verbonden door alliteratie van de /i/ klank (rilt, kil, licht / blinking, vergezicht). Dit levert spanning op: er is een scheiding door een witregel, maar er is een sterke verbinding door rijm en klankherhaling.



Rijm, alliteratie en assonantie


Leopold heeft in dit hele gedicht eindrijm gebruikt. Het rijmschema is:
abbacc / deedffg / ghhiijjkk.

Je ziet dan meteen dat het rijmschema tegen de laatste strofe aan geheel verandert. De eerste strofe, het sextet, heeft omarmend rijm (abba) gevolgd door gepaard rijm (cc). In de tweede strofe, het septet, wordt dit herhaald (deed ff). Maar deze strofe is, zoals we al zagen, één regel langer - en deze regel rijmt op de eerste regel van de volgende strofe (zoals we net zagen geeft het ontbreken van een punt en de klankherhaling een sterk verbindend effect tussen deze twee strofen).

In de derde strofe, het novet, verandert het rijmschema dan volledig: Leopold gaat over op gepaard rijm (g / ghhiijjkk). Zo'n gepaard rijm wordt gezien als een gevaarlijk rijmschema: het roept al snel monotonie op, een dreun (in de poëzie kom je het daarom weinig tegen, het wordt met name gebruikt in liedjes, waar voor een luisteraar de vorm zo duidelijk mogelijk hoorbaar moet worden, en in sinterklaasgedichten, die doorgaans ook worden voorgelezen, waardoor het rijm ook makkelijk hoorbaar moet zijn). Het rijm versterkt het effect van de lange opsomming in deze derde strofe.

En Leopold doet hier nog iets opmerkelijks: de woorden rijmen niet alleen, maar er is ook nog sprake van onderlinge assonantie van de rijmparen. De rijmklanken -ard, -ans en -al (h, j en k) hebben dezelfde klinker (assonantie). Als we verder terugkijken, had hij dit al eerder ingezet: -annen en -as (c en d, str.1 en 2) komen hier ook mee overeen en -even en -egen (a en f, str.1 en 2) zijn eveneens assonerend.

Dus het hele rijmschema is, wat klank betreft, sterk verbindend. Kijk je puur naar het assonerende rijm, zijn er maar zes rijmklanken in 22 regels. Maar het sterkst is de klankverbinding in strofe 3, waarin het ook nog eens gaat om gepaard rijm.

Binnen het rijmschema vallen er nog enkele kleinere dingen op. Aan het einde van r.3 wordt een woord afgebroken (rond- / gewelfde wolken), waardoor het eerste deel van de samenstelling het eindrijm krijgt. Dit is zeer zeldzaam en legt een dwingende nadruk op dat woorddeel. Daar is meteen iets bijzonders mee aan de hand, want 'rondgewelfde' is eigenlijk een pleonasme (dubbelop, zoals een 'houten boom' - iets wat gewelfd is, is per defenitie al gebogen, rond). Leopold zal de imposantheid van de enorme stapelwolken hiermee hebben willen benadrukken. Doordat je door de afbreking gedwongen wordt meteen door te lezen van r.3 naar r.4, wordt de inhoud van het woord 'rondgewelfd' in feite gespiegeld in het enjambement, je ogen worden de bocht om gedwongen binnen een woord, wat een ronddraaiend gevoel geeft.

Opmerkelijk is ook regel 11 ('een druppel van de regen'). De zin begint al bij aanvang van de tweede strofe ('En hier nog...' r.7), maar met een aantal bijwoordelijke bepalingen (van plaats en tijd) en een bijwoordelijke bijzin, creëert Leopold een lange spanningsboog en noemt pas in r.11 eindelijk het onderwerp van de zin: de druppel. Opmerkelijk genoeg kiest hij niet voor het woord 'regendruppel', maar omschrijft het ietwat omstandig als 'druppel van den regen'. Het is niet zo aannemelijk dat hij dit heeft gedaan voor het rijmwoord 'tegen', dat woord is niet onmisbaar en hij had r.12 dus ook anders kunnen formuleren. Er lijkt een ander belang.

Door de zegswijze 'een druppel van den regen' beslaat het belangrijkste onderwerp van het gedicht een hele regel - en deze r.11 en 12 zijn precies het middelpunt van het gedicht. De zin is hier niet ten einde, in tegendeel, hij loopt door tot het einde van de strofe en wordt daar zelfs niet afgesloten met een punt, maar loopt over de strofescheiding door naar de hele opsomming in de derde strofe. Daardoor is de regendruppel verbonden met de voorafgaande bui (hij is het eindpunt van de bui) en de erop volgende spiegeling (hij is het beginpunt van de spiegeling) - en staat daar, als kleinste element, precies van in het midden van het gedicht.


Tot slot het gebruik van assonantie (klinkerherhaling, 'klinkrijm') en alliteratie (medeklinkerherhaling, 'beginrijm') in dit gedicht.

Voorbeelden van assonantie:
gezonken-horizont (r.2), trekt-weg (r.3), op-rond-wolken (r.3-4), blank-gespannen (r.6); rilt-kille-licht (r.13); blinking-vergezicht (r.14), van-akker-zwart (r.15), aarde-stralende-waters (r.15-16), dag-trans (r.20), is-bevat-dit-tril-kristal (r.22).

Voorbeelden van alliteratie:
blauw-gebannen-blank (r.5-6); bedroefde-beeft-buiten (r.8-9); beweeg-buiten (r.17), huis-hof (r.19), daggeboort-diepe (r.20).

Met name de slotzin is verzadigd van klank: 'het is bevat in dit klein trilkristal'. De /i/ en /a/ klanken zijn in de voorgaande regel (r.21) al voorbereid met 'schitter' en 'heelal'. Deze klanken keren dan afwisselend terug op elke beklemtoonde lettergreep van de slotregel (r.22): is - vat - dit - tril - stal (i-a-i-i-a). Het onbeklemtoonde woorddeel 'tril' verwijst bovendien terug naar 'rilt' in r.13 (de druppel 'rilt in het kille licht') - en is daar een anagram van (woorden die bestaan uit dezelfde letters): rilt-tril.


Het is duidelijk, als je verschllende formele kenmerken van dit gedicht (metrum, rijm, enz.) nauwkeuriger bekijkt, dat Leopold bewust aandacht heeft geschonken aan en moeite heeft gestoken in het vormgeven van dit gedicht. Wat er inhoudelijk in het gedicht gebeurt, gebeurt ook in vorm en klank. Klank en vorm ondersteunen in dit gedicht de inhoud.

Nu we daar meer zicht op hebben, ga ik naar de meerdere lagen van betekenis die professor Sötemann in het gedicht onderscheidt. Ik begin weer bij de inhoudelijke beschrijving, het anekdotische niveau - maar nu door middel van 'close reading', het nauwkeurig lezen en herlezen van de inhoud, het verbinden van inhoud en vorm, alert zijn op mogelijke literaire of religieuze verwijzingen, enz.



Gelaagdheid van interpretatie


Anekdotisch niveau

De eerste zin van het gedicht 'Regen' is een uiterst eenvoudig geformuleerde mededeling: de bui is weggedreven. De assonerende 'gezonken horizont' (r.2) roept misschien wat bevreemding op: een horizon kan toch niet zinken? Toch heeft platteland een zeer lage horizon, vergeleken met berglandschap. In dit beeld trekken de versluierende regen en de grote, hoge stapelwolken weg, waardoor de lage horizon ineens weer duidelijk zichtbaar wordt. Grote nadruk in r.3 krijgt het samengestelde werkwoord 'wegtrekken', doordat Leopold het bijwoordelijke element ervan naar voren heeft gehaald (niet 'dan trekt dit weg', maar 'dan trekt weg dit'). Hierdoor lees je 'weg' met grotere nadruk, versterkt door de assonantie.

De vreemde woordafbreking 'rond-gewelfde' (r.3-4) is net al aan de orde geweest: doordat je ogen door dit enjambement midden in een woord de bocht om worden gedwongen, wordt de inhoud van het pleonastische 'rond-gewelfde' voelbaar gemaakt. De assonantie van 'gezonken horizont' (r.2) en 'opgestapelde, rond- / gewelfde wolken' (r.3-4) maakt deze drie zinnen tot één, sterk samenhangend beeld, dat de grootsheid en imposantheid van de wolken nog indringender oproept. Dit was geen klein buitje.

Ook in de laatste zin, die halverwege r.4 begint, wijkt Leopold af van de normale zinsvolgorde. Hij plaatst 'overgebleven' voorop (wat nog wel kan: 'overgebleven is het blauw'), maar hij scheidt dan de samenstelling met een hulpwerkwoord: 'over is gebleven'. Hiermee trekt hij dus sterk de aandacht eerst naar het wegtrekken ('trekt weg') en vervolgens naar wat er overblijft ('over is gebleven'). Deze strofe zegt dus niet neutraal dat het is opgehouden met regenen, nee, het dwingt onze blik naar het verloop van de gebeurtenis: wat er weggaat en wat er voor in de plaats komt.

We hadden al gezien dat het woord 'kil' (r.5) een emotionele lading heeft. Het is een voorbeeld van synesthesie (het samenvallen van verschillende zintuigen): kilheid die je kunt voelen, wordt verbonden met een kleur die je kunt zien. We komen hier voor het eerst een 'lyrisch subject', een impliciete ik-figuur, tegen: iemand die een subjectieve waardering geeft aan de kleur blauw: het is 'kil', koud, onaangenaam, gevoelloos.

De eerste strofe eindigt dan met de heldere blauwe lucht. In een metafoor beschrijft Leopold de hemel als schoongewassen lakens, die als het ware strak en zonder kreuken (r.6) over de waslijn hangen: 'blank en opnieuw gespannen' (r.6).

Sötemann merkt op dat het beeld van een kreukloze doek, ook het beeld van de hemel als tent op zou kunnen roepen. Dit is een bekend bijbels beeld uit psalm 19: 'God heeft aan de hemel voor de zon een tent neergezet' (19:5); wat in het indertijd beroemde Gezang 303 (van Valerius) wordt verwoord als: 'O Heer, die daar des hemels tente spreidt'. In dit gezang weet God de woelige golven te bedaren, verlost Hij de mens van angst en nood ('wij slaan het oog / tot U omhoog') en zelfs van de dood. Mocht Leopold dit in zijn achterhoofd hebben gehad, is het mogelijk in het beeld van r.6 een religieus motief te zien: het is dan God die het blauwe hemeldoek opnieuw strak trekt - en de impliciete ik-figuur die hier het oog omhoog slaat.


De tweede strofe begint (voor het onderwerp van de zin in zicht komt) met maar liefst vier bijwoordelijke bepalingen (r.7-8): drie van plaats ('hier', 'aan het vensterglas' en 'aan de ruiten') en één van tijd ('nog'). Er is dus een sterke tegenstelling met de eerste strofe (dit is 'hier', het is 'nog', het is 'nu' - de eerste strofe is dus daar, niet meer, en voorbij).

Deze zinnen roepen nog veel sterker een 'ik' op: het gezichtspunt is van binnen, achter het 'vensterglas', en de blik is naar 'buiten'. Er staat dus iemand in een kamer achter het raam. Enkele woorden krijgen in deze tweede strofe nog duidelijker een subjectieve, emotionele lading: 'bedroefd' (r.8), 'beven' (r.9), 'rillen' (r.13) en 'kille' (r.13) - die de blik, het oordeel, de gemoedstoestand van de 'ik' suggereren. De 'bedroefde ruiten' (r.8) is overigens een voorbeeld van concretisering (levenloze voorwerpen krijgen kenmerken van levende wezens).

Dan volgt in r.11 eindelijk het onderwerp van de zin, en het onderwerp van het hele gedicht: 'een druppel van den regen' - precies in het midden van het vers. Deze druppel is, zoals we al zagen, het eindpunt van de regen in strofe 1 en het beginpunt van de spiegeling in strofe 3.

We zagen net al de opmekelijke tegenstelling dat r.13 en 14 worden gescheiden door een witregel, maar verbonden zijn doordat de zin doorloopt, door rijm en door assonantie. Waarom ligt hier die scheiding? Op inhoudelijke gronden: in strofe 2 wordt de druppel beschreven die op het raam is achtergebleven; en strofe 3 beschrijft de weerspiegeling in die druppel. Waarom toch verbinding? Strofe 3 zit eigenlijk in strofe 2. Het is geen beschrijving van wat er zich buiten die druppel bevindt. Strofe 3 bestaat eigenlijk niet zonder strofe 2.


Dan de laatste, derde strofe. Deze heeft een heel opmerkelijke opbouw: het begint met een soort samenvatting (r.14) en eindigt met het onderwerp (r.22), met daartussen een lange opsomming. Maar de eerste en laatste zin van str. 3 sluiten dus inhoudelijk op elkaar aan: 'en al dat vergezicht (...) het is bevat in dit kristal'. Hiertussen somt Leopold allemaal elementen van dat 'vergezicht' op, die in het kristal zijn 'bevat'.

De opsomming van zeven regels (r.15-21) is, na een scherpere blik, zeker niet willekeurig. Het gaat eerst van groot naar klein: hemel en aarde → water, heggen → mensen en ploegpaarden. En vervolgens weer van klein naar groot: bomen, huis en hof → dageraad, hemelgewelf, zon → wereld en heelal. Inhoudelijk spiegelen deze twee reeksen elkaar. Het gaat van hemel en aarde → naar natuur (water) en door de mens vormgegeven leefomgeving (heg) → naar mens en dier → en dan weer naar natuur (bomen) en menselijke leefomgeving (huis en tuin) → en tot slot weer naar hemel, zon, wereld en heelal.

Op de 'mensen' (r.17) komt enige nadruk te liggen, omdat zij als enige in beweging zijn, bedrijvig zijn: ze komen naar buiten (na het schuilen voor de regenbui). De mensen en ploegpaarden vormen, inhoudelijk gezien, het middelpunt van de opsomming. De kern draait dus om levende wezens, de diepste kern van de strofe is dus leven (aan beide kanten omvat door veilige bebouwing, natuur, aarde en heelal).

De 'blinking' (r.14) roept het beeld op, dat alles wat nat is geworden door de regen, nu in het zonlicht gaat glanzen, blinken. Daar zal ook het beeld van de 'stralende waters' (r.16) naar verwijzen. En het lijkt ook de betekenis te zijn van de 'schitterzon' (r.21): een zon schittert zelf niet, dus bedoeld zal zijn de schittering die het zonlicht oproept op alles wat nat is.

In de slotregels wordt de grootsheid sterker aangezet: de 'diepe' hemel (r.20) en het 'ruime' heelal (r.21). De opsomming (enumeratie) eindigt dus met een climax. Dit wordt ondersteund door de toenemde omvang van elk van de drie strofen.


Tot slot de slotzin. Die ziet er bedriegelijk eenvoudig uit: 'het is bevat in dit klein trilkristal' (r.22). Toch zijn er een aantal overwegingen bij te maken.

Je zou hier eigenlijk het werkwoord 'weerspiegelen' verwachten: dit alles wordt weerspiegeld in deze druppel. Maar Leopold kiest voor 'bevat in', wat vreemd overkomt, want de wereld en het heelal zijn natuurlijk niet echt bevat, omvat, besloten in de druppel, ze zitten er niet daadwerkelijk in. Je kunt het ook anders lezen dan 'het zit in', namelijk: het is door iemand bevat in...: het is door iemand bevat in dit kleine trilkristal.

Een andere mogelijkheid is dat de 'ik' binnen door de druppel heen naar buiten kijkt. Als de druppel de omgeving zou weerspiegelen, zouden de kamer en de 'ik' immers ook weerspiegeld worden. Maar omdat alleen de wereld buiten wordt beschreven, zou de druppel een soort lens kunnen zijn, waardoor de 'ik' de wereld ineens scherp, zelfs kosmisch, beziet. Maar in geen van de lezingen is het woord 'bevat' logisch gekozen. Het woord is hoe dan ook op anekdotisch niveau moeilijk te duiden.

Het woord 'trilkristal' (r.22) moet een metafoor zijn voor de druppel, die beeft en rilt. Dus het verwijswoord 'dit' wijst helemaal terug naar r.11 ('een druppel van den regen). We zagen al dat deze twee beelden door klank verbonden zijn: 'tril' is een anagram van 'rilt'. Het bijvoegelijke naamwoord 'klein' is een tegenstelling met het eraan voorafgaande 'diep' en 'ruim'.

Een kristal is een heldere steen (mineraal) of een zeer heldere glassoort, die beide doorzichtig zijn en gaan glanzen van zonlicht. Het woord kan ook verwijzen naar een bepaalde rangschikking van atomen, zoals een sneeuwkristal (het woord is afgeleid van het Griekse krustallos, dat 'ijs' betekent). Maar in ieder geval dus een vaste stof - geen water, en al zeker geen water dat kan trillen. Ook de keuze voor het woord 'kristal' is dus op anekdotisch niveau moeilijk te duiden.

Sötemann betoogt nu dat je pas tot een sluitende interpretatie kunt komen, als je naast het anekdotische niveau meerdere betekenislagen in dit gedicht gaat onderscheiden, die bovendien samenhangen en elkaar ondersteunen.



Psychologisch niveau


Meerdere keren hebben we gezien dat er onmiskenbaar een 'lyrisch ik', een impliciete ik-figuur aanwezig is in het gedicht (al wordt deze nergens expliciet benoemd). Sötemann leest dan dit gedicht op psychologisch niveau: wat zegt dit gedicht als geheel over de 'ik'?

De 'ik' staat binnen, achter een raam, en kijkt naar de wegtrekkende regen buiten. De emotioneel geladen woorden verraden bedroefdheid, in de ogen van 'ik' 'beeft' en 'rilt' de druppel en zijn de blauwe lucht en het licht 'kil'. Dit zegt iets over de gemoedsgesteldheid van de 'ik'. Dan ligt het voor de hand dat ook de bui zelf een metafoor is voor de gevoelens van de 'ik'.

De 'ik' is in zwaar weer geweest, een stormachtig gebeuren, met enorme donderwolken en regen. De rust is weergekeerd, maar de 'ik' ervaart dit als kilte, trilt nog na, is verdrietig. De druppel op het raam roept makkelijk de gedachte aan een traan op - juist omdat er geen 'regendruppel' staat (dan is de druppel onmiskenbaar gedefinieerd), maar omdat het woord 'druppel' daar los staat. De regen als geheel verbeeldt dan een huilbui, tranen, verdriet.

Nu, na de heftige uitbarsting, de rust weerkeert, terwijl de 'ik' nog terugkijkt op de bui die wegtrekt aan de horizon, nog aan het bekomen is, rillerig en verdrietig, komt deze ineens tot een inzicht (str. 3), een openbaring, een poëtisch visioen. In zijn verdriet, in het kleinste deeltje van zijn verdriet, zit eigenlijk het hele leven besloten.

Dat lijkt mij een aanwijzing te zijn over waar het verdriet dan om gaat: het moet haast om een van de grote momenten des levens gaan, om leven en dood, om aarde èn hemel. Omdat er nergens een spoor is van een ander, een geliefde bijvoorbeeld, lijkt het echt om de 'ik' te gaan. Wanneer heb je verdriet om de wereld en om het leven, wanneer zitten het leven, de wereld en het heelal besloten in je tranen? Als je er afscheid van moet nemen. Een mogelijke lezing, op psychologisch niveau, zou dan kunnen zijn, dat de 'ik' zich geplaatst ziet tegenover de eindigheid van het leven (wat hem treft als donderslag, wat over hem heen gaat als een enorme, heftige bui).

In deze lezing kan ook de verschijnende, dalende horizon (r.2) symbolisch worden opgevat als een beeld van het naderende einde van het leven. Het 'opgestapelde' (r.3) duidt dan aan dat het niet om één, eenduidig verdriet gaat - maar mogelijk alles wat opgestapeld raakt in een leven. Nadrukkelijk staat er 'trekt weg', de nadruk op 'weg' geeft er een definitieve lading aan. Het los geplaatste woorddeel 'rond' (r.3) lijkt in deze lezing een afronding te suggereren, iets is rond, afgerond.

Na het 'trekt weg' ligt er ook op 'over is gebleven' een nadruk. Wat blijft er over als alles wat was opgestapeld voorbij gaat, is afgerond? Als we het voorstel van Sötemann volgen, de blauwe lucht als tentdoek, de tent van God, dan is wat overblijft een zeer impliciete religieuze suggestie.

Het blauw wordt 'opnieuw gespannen', de hemel krijgt een andere aanblik wellicht, met de psalm of het gezang over de hemel als tentdoek in het achterhoofd (ik sla mijn oog tot U omhoog, Heer, die des hemels tent bereidt). Dan is het ook veelbetekenend dat het Gezang vervolgt met: God verlost de mens van angst en nood en zelfs van de dood. Uitnodigend is dit hemeldoek niet, het schijnt de ik 'kil' toe, koud, onverschillig, alsof de hemel onverschillig staat tegenover zijn leven of verdriet of eindigheid.

En na de verstilling blijven het gevoel van kilte, beven, rillen en bedroefdheid. Maar ook iets anders, 'opstand' staat er in r.10, de wind was in opstand - als beeld voor de psychologische toestand van de 'ik' dus: nu de heftigste emoties zijn weggetrokken, blijft er niet alleen verdriet, maar ook iets van opstandigheid. De 'druppel' 'beeft' (r.9) van opstandigheid (r.10), niet van bijv. angst. De 'ik' wil deze situatie niet ('kil' en 'rillen' waren ook al negatieve bepalingen bij het 'hier' en 'nu'). In dat licht lijkt de 'druppel' zich in r.12 wel vast te klampen aan het raam.

Onmiskenbaar laat de derde strofe dan zien dat in het verdriet van de 'ik' de hele hemel en aarde, de hele wereld om hem heen, al het leven besloten zit (we zagen al dat de kern van de opsomming, inhoudelijk gezien, wordt gevormd door de mensen en paarden, leven dus). Het verdriet gaat in de kern om het leven, met de hele werkelijkheid daar omheen. Met de eindigheid van het leven in het zicht, zitten in de tranen van de 'ik' dan de hele wereld en het leven, en lopen aarde en heelal naadloos over in de hemel, onlosmakelijk verbonden in dit type verdriet.

Door de bedroefdheid, de traan en het grote, visionaire inzicht te verbinden aan een verdriet om een grote levensgebeurtenis, zou je tot een mogelijke interpretatie van het gehele gedicht kunnen komen op psychologisch niveau. Het woord 'trilkristal' is hiermee echter nog steeds niet verklaard. Sötemann onderzoekt daarom nog een derde betekenislaag, een filosofische.



Filosofisch niveau


Met name in de derde strofe ziet Sötemann aanleiding tot het vaststellen van een derde, filosofische betekenislaag. Het gaat om de denkwijze, die al in de stoïsche filosofie voorkomt (waar Leopold, als classicus, zeer goed in thuis was): dat het allergrootste is terug te vinden in het allerkleinste. De kleinste eenheid heeft niet alleen deel aan het grote geheel, maar bevat het hele geheel al in zichzelf. In dit gedicht komt precies dat uitgangspunt tot uitdrukking.

In deze ene druppel, de allerkleinste eenheid van de regen, wordt niet de wereld weerspiegeld, nee, het 'bevat' de wereld. De druppel bevat 'al de blinking en het vergezicht' in een zeer strakke, gestructureerde vorm: van de grootse hemel en aarde, steeds gedetailleerder naar de de mensen en de paarden, het krioelende leven, omsloten door huis en tuin en bomen, en grootser weer, hemel, zon, wereld en heelal.

Ook bijvoorbeeld in de Middeleeuwen was de algemene opvatting dat de macro-kosmos wordt weerspiegeld in de micro-kosmos (het kleine vertegenwoordigt het geheel, en het geheel is in het kleine aanwezig). Een bekend voorbeeld hiervan is de gedachte dat de mens een afspiegeling is van de kosmos. In dit gedicht bevat het kleinste druppeltje het hele heelal in zich. En in de opsomming spiegelt Leopold kosmos - mens - kosmos ook nog eens daadwerkelijk met elkaar.

Ook de titel van het gedicht, 'Regen', zou je in het licht van deze filosofie kunnen verklaren. In het gedicht is immers geen regen aanwezig: in de eerste strofe is de bui juist net weggedreven en zijn de luchten opgeklaard. Er is echter nog een druppel achtergebleven, klevend tegen het raam - en in die druppel zit de hele regen, zoals ook de hele wereld en het hele heelal erin zit.

Tot slot eindigt Sötemann met een vierde betekenislaag, om eindelijk het 'trilkristal' te kunnen duiden.



Poëticaal niveau


Je komt bij alle drie de niveau's tot een zinvolle betekenis van het gedicht: je kunt het anekdotisch lezen (als eenvoudig natuurgedicht over het moment net na een regenbui), je kunt het psychologisch lezen (er is een bedroefde 'ik', de bui weerspiegelt zijn psychische gesteldheid en in diens traan zitten hemel en aarde besloten) en je kunt het filosofisch lezen (het geheel is bevat in het allerkleinste deeltje van dat geheel: de kosmos is bevat in de mens, de wereld is bevat in een druppel).

Maar geen van de interpretaties biedt een goede verklaring voor het woord 'trilkristal'. We zagen net dat een kristal een vaste stof is (steen of glas of bevroren water), met een vaste structuur. Zoals, zegt Sötemann dan, deze derde strofe zèlf zeer gestructureerd in elkaar zit.

Je kùnt de slotzin lezen in de betekenis: het is bevat in dit gedicht. Want alle blinking en vergezicht, de hemel en de aarde, de mensen en de ploegpaarden, de schitterzon en het heelal zijn ook daadwerkelijk, heel letterlijk, in woorden, vervat in dit gedicht, in taal. In het gedicht is de hele macro-kosmos bevat.

En de derde strofe roept ook wat vorm betreft het beeld op van een ijskristal (met zo'n vaste, terugkerende, symetrische structuur): alle zinnen zijn even lang (vijf beklemtoonde lettergrepen, oftewel vijf versvoeten per regel) en zijn inhoudelijk symetrisch gespiegeld rond de middenzinnen (kosmos-aarde-mensen-dieren-aarde-kosmos).

Deze strofe noemt dus niet alleen het 'trilkristal', maar toont ook een kristalstructuur. Het verwijswoord 'dit' ('dit klein trilkristal') kan naar de druppel (r.11) verwijzen, maar ook naar deze strofe zelf. In dat geval is het woord 'bevat' ook op te vatten in de zin van: het is door de dichter bevat in (dit gedicht). Al het vergezicht - héél de aarde, huizen, oude bomen, mensen, schitterzon en heelal - is door Leopold bevat in dit kleine trilkristal, in deze kleine strofe, in dit kleine gedicht.

Het 'trillen' hangt dan samen met de emotioneel geladen woorden uit de tweede strofe: 'beven' (r.9) en 'rillen' (r.13), die daar op het zo in het oog springende plekken vooraan in de regels staan. Deze zijn beschrijvingen van de druppel, maar vanuit de blik, de emoties van de bedroefde 'ik'. Door de bevindingen van het psychologische interpretatieniveau te gebruiken bij het poëticale niveau, zou je kunnen verdedigen dat niet alleen de druppel de emoties van de 'ik' laat zien, maar het hele gedicht, het hele kristal. Het hele gedicht toont het trillen door de donderbui, het opstandige beven, de kilte, de droevenis.


De aanwezigheid van een poëticale interpretatielaag wordt ondersteund door te kijken naar de literaire stroming waartoe Leopold wordt gerekend: het symbolisme (zgn. vers-externe argumentatie).

Binnen het symbolisme gaat poëzie vaak over poëzie (poeticale poëzie). Het natuur-motief in dit gedicht, de natuur die symbool staat voor emoties, staat misschien nog dicht bij de uitgangspunten van de Tachtigers. Maar hier is geen 'lyrisch ik' dat zijn gemoed uitstort, maar een neutraal lyrisch ik, meer afwezig, onpersoonlijk, van een afstand. De wereld van het gedicht is niet louter een expressie van gevoel, er wordt ook een filosofische wereld opgeroepen.

Het gedicht is daardoor meer autonomistisch (het gedicht zelf staat centraal, niet een van gevoelens overlopende dichter). Al deze dingen pleiten ervoor om ook dit gedicht van Leopold tot het symbolisme te rekenen. En dan zou je altijd alert moeten zijn op een poëticale betekenislaag, want symbolistische gedichten gaan geregeld eigenlijk over poëzie, schrijven of taal.


Professor Sötemann sluit af met de opmerking dat er niet alleen vier interpretatielagen in dit gedicht te onderscheiden zijn, maar dat deze onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Ze staan niet los van elkaar, maar vullen elkaar aan. Pas met oog voor de emotionele lading, de filosofische verdieping en de vorm van het gedicht zelf als kristal samen, kun je tot een integrale, optimale, ultieme lezing, volledige betekenis van het gedicht komen. Er is een natuurmoment, èn er is een diepe emotionele beleving, weerspiegeld door die natuur, èn er is een kosmisch, filosofisch inzicht dat de 'ik' hierbij krijgt, èn dit alles is en toont het gedicht zelf - allemaal tegelijkertijd.

In Sötemanns woorden: er bestaat 'een innige vervlochtenheid (...) tussen de filosofische, de psychologische en de poëtologische niveaus in het gedicht'.



Tot slot


De Utrechtse hoogleraar Moderne letterkunde A.L. Sötemann (1920-2002) had een ongekend talent voor het uitleggen en begrijpelijk maken van hedendaags proza en van gedichten (met name van dichters als Leopold, Boutens, Bloem, Nijhoff, A. Roland Holst en Kouwenaar). Er waren weinigen binnen de Moderne letterkunde, in zijn tijd als hoogleraar, met eenzelfde statuur en gezag.

Op het gebied van het interpreteren van gedichten was hij volslagen vernieuwend: de uitgebreidheid van zijn analyse (tientallen pagina's), zijn zorgvuldigheid van formuleren, zijn taalkundige en poëticale kennis, zijn grondige doorzoeken naar mogelijke betekenissen, zijn achterliggende kennis van het oeuvre van de betreffende dichter, van mythologische, filosofische of religieuze literaire verwijzingen, zijn scherpe blik voor de samenhang tussen formele kenmerken en inhoud van het gedicht, enz. Waarbij hij de tekst zelf nooit uit het oog verloor, het gedicht zelf altijd in het middelpunt bleef staan.

Zijn technisch-wetenschappelijke poëziebenadering verraadde zijn bewondering voor deze gedichten - pas na zijn emeritaat sprak hij ook over zijn liefde voor de poëzie, met name voor de symbolistische dichters. Hij schreef een aantal grote poëziestudies, zoals Op het voetspoor van de dichter (1980), Een dichter en zijn wereld (1994) en Dichters die nog maar namen lijken (2003).

Zijn artikel over Leopolds gedicht 'Regen' (in 1974), dat in een deel van bovenstaande bespreking is gevolgd, was ook zo'n baanbrekend artikel. Het gedicht was tot dan toe altijd onopvallend geweest en er was 70 jaar lang nooit meer in gezien dan een oppervlakkig natuurgedicht. Sötemann toonde hier op overtuigende wijze aan, dat dat niet lag aan het gedicht, maar aan de te beperkte blik van de moderne-literatuuronderzoeker tot dan toe.

Toen ik zelf begon aan de studie Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht was Sötemann net vijf jaar met emeritaat. Maar zijn artikelen stonden natuurlijk volop op de leeslijsten van de colleges Moderne letterkunde. Zijn gedichtenanalyses openden ook mijn ogen voor hoe je gedichten kunt lezen en onderzoeken, hoe achtergrondkennis het gedicht rijker maakt, hoe een betekenis zich steeds meer kan ontvouwen. Hoe meer je bij een tekst stilstaat, hoe meer je gaat zien. En hoe meer je van een gedicht begrijpt, hoe mooier het voor je wordt.



Rozemarijn van Leeuwen
©  2006, aangevuld in 2019



∗       ∗       ∗



Bespreking gedicht: Rozemarijn van Leeuwen (juli 2006, april 2019).
Gebruik altijd onderstaande literatuurverwijzing.

Gedicht: J.H. Leopold, 'Regen'. In: Verzen, 1914.
Beeld: foto van M. Hanegraaf.

Gebruikte literatuur: A.L. Sötemann, ‘J.H. Leopolds 'Regen': analyse en interpretatie van een gesloten symbolisch gedicht’. In: De nieuwe Taalgids (67-6, 1974), blz. 475-492.

Overzicht alle besprekingen gedichten: Lijst gedichten met bespreking.




© copyright 2006. Het is alleen toegestaan om kort te citeren uit bovenstaande bespreking met de volgende verwijzing:
Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. J.H. Leopold, Regen (2006). Bron: https://www.rozemarijnonline.net/poezie/leopold-regen.html.





Lees meer:

poëziegeschiedenis

kenmerken van poëzie        analyseren en interpreteren

alle gedichten met een bespreking




 >