RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Hadewijch, visioen I:  de weg langs de deugden



Teksten bij de cursus Middeleeuwse mystiek


In de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen lezen we delen uit Hadewijchs eerste visioen.

De Middelnederlandse tekst is overgenomen uit de uitgave: Werken van zuster Hadewijch, editie J. Vercoullie. Deel 2, Proza (Gent, 1895). Diplomatische uitgave naar de handschriften A, B en C. Op dbnl.org.

De hertaling naar hedendaags Nederlands: De visioenen van Hadewijch. Vertaald en van commentaar voorzien door P. Mommaers (Nijmegen/Brugge, 1979). Spiritualiteit deel 15, 2 dln.

De witregels staan niet in de oorspronkelijke tekst, maar zijn toegevoegd voor de leesbaarheid.



Inhoud van het eerste visioen


Hadewijch zegt aan het begin van het visioen dat ze nog jong is en onvolwassen, (geestelijk) niet volgroeid. Een engel der Tronen leidt haar dan langs bomen die elk een deugd voorstellen (zoals zelfkennis, een vrije wil, wijsheid en de liefde voor God, die men in geloof begint en in liefde voltooit).

Deze weg langs de bomen/deugden leidt tot God (dus: door je deze deugden eigen te maken, groei je naar God toe) - maar ze beseft dat ze hier nog niet genoeg voor heeft geleefd, zich nog niet alle deugden eigen heeft gemaakt. Hadewijch doet in dit visioen zelfkennis op: de mens bestaat uit lichaam, ziel en natuur. En ze doet godskennis op.

Hadewijch beschrijft God hier als een donkere draaikolk, de goddelijke genieting (a-persoonlijk) en als een menselijke gestalte op een troon (persoonlijk). De drie-eenheid (Vader, Zoon en Heilige Geest) zijn slechts namen die worden gebruikt door bannelingen, die ver van de minne verwijderd zijn.

God zegt haar niet te knielen (fierheid) en draagt haar op niet alleen God te willen genieten, te streven naar de goddelijke minne, maar ook mens te zijn, als Christus, met de mensen. Door je, in je aardse leven ('verstoten'), de deugden eigen te maken, wordt je god met Gode.

Het ghebruken staat niet los van het gheliken en op God gaan gelijken kan onder meer door middel van navolging van Christus, mens zijn met de Mens: door je aardse leven te leven en je daarbij liefde en deugden eigen te maken.



Bespreking in cursusbijeenkomst


In de derde bijeenkomst van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen worden fragmenten uit Visioen I besproken:
Bijeenkomst 3b. Hadewijch: wegen naar God.

Terug naar het overzicht met teksten bij de cursus:
Teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Ruusbroec.



©  Copyright onderstaande tekst


Het is niet toegestaan om onderstaande tekst over te nemen of een deeplink naar deze pagina aan te brengen. Zie toelichting bij 'copyright' onderaan deze pagina.





Hadewijch, visioen I:  de weg langs de deugden

Middelnederlands (l) en hertaling hedendaags Nederlands (r).





Het was in sondage ter octaven van pentecosten dat men mi onsen here heimelike te minen bedde brachte, om dat ic ghevoelde soe grote treckinghe van binnen van minen gheeste, dat ic mi van buten onder de menschen soe vele niet gehebben en conste, dat icker ghegaen ware.

Ende dat eyschen dat ic van binnen hadde om i. te sine ghebrukelike met gode, Daer wasic te kinsche toe ende te onghewassen ende ic en hadder niet genoech toe ghepijnt noch gheleeft int ghetal van soe hogher werdecheit, Alse daer toe behoerde, ende alse mi daer wel vertoent wart doe ende mi noch wel scijnt.

Doe ic onsen here ontfaen hadde, doe ontfinc hi mi te heme, Soe dat hi mi op nam alle mine sinne buten alle ghedinckenesse van vreemden zaken om sijns te ghebrukene in enecheden.

Ende ic wart gevoert alse in enen beemt in i. pleyn dat hiet de wijtheit der volcomenre doechde. Daer in stonden bome daer ic in wart gheleidt, Ende mi worden ghetoent hare namen ende de nature van haren namen.

De ierste boem hadde ene verrotte wortele de overbroesch was ende i. overvast selbloecte, Ende daer boven enen herde liefleke scone bloeme, die stont soe onvaste, Wanneer soe een storm quame, soe viele die bloeme ende dorrede.

Ende die mi leidde dat was j. inghel vanden tronen die dat onderscheet hebben. Ende op dien selven dach wasic te hem comen met wassene, soe dat ickene hadde ontfaen dat hi soude sijn in miere hoeden ende gheselle in al minen weghen.

Ende die inghel seide: mensceleke nature, verstant ende kinne Wat dese boem es. Ende ic verstont ende hi toende mi dattat ware de kinnesse ons selves. De wortele verrot, dat was onse broesche nature, Ende dat vaste selblocte, de eweleke ziele, Ende die scone bloeme, die scone vorme der menschen die soe saen verdorven es in ere uren.

Doe leidde hi mi voerdane daer i. boem stont die herde neder was, ende hadde scone fiere bladere, onderminet met alrehande varuwen die ghenoehlec waren ane te siene. Ende boven alle die scone bladere hinghen verdorrede bladere, die al die scone bladere bedecten. Ende doe seide echt de inghel: Vercoerne ziele ende hakende, die van soe nederen te soe hoghen ghetrect best ende van soe donkern dolinghen te soe claren ende vanden armsten ten rycsten, verstant wat dit es.

Ende hi toende mi ende ic verstont. Dat was de oetmoedecheit, die met vroeder vresen, daerse met bekint gods groetheit ende hare nederheit, alle hare wel ghecierde doechde mede dect, om datse ghevoelt ende bekint dat hare ghebracht haers lieves te ghebrukene Ende datse hare ne weet wies verheffen. dits puere oetmoet.

Doe leide hi mi voert daer i. groet boem stont ende i. sterc met sterken, groten bladern. ende die inghel seide echt te mi: O moghende ende sterke, die den moghenden ende den sterken god verwonnen heves van aneghinne sijns selves die sonder beghin was, ende met hem die ewelecheit ghewelden sals in ewechheiden, les ende verstant.

Ende ic las ende verstant. In elc blad was gescreven: Ic ben de cracht van volcomenne wille; mi en mach gheen dinc ontbliven.

Ende daer bi stont een boem met vele telgheren, die groet was ende hadde alle sine telghere dore den andern boem ghestecht. Ende die inghel seide echt te mi: O vroede vander redenen berecht, ja vander redenen des groten gods, les ende verstant die wise lesse ende die vroede die dese dorewassende leert.

Ende ic verstant dat ane elc blat was te lesene: Ic ben die onderscedecheit; sonder mi en mach men niet doen.
 
 



Het gebeurde op een zondag, oktaafdag van pinksteren. Men bracht me ongemerkt Ons-Heer [de hostie] aan mijn bed, omdat ik innerlijk mijn geest zo hevig aangetrokken voelde, dat ik me uiterlijk niet genoeg in handen had om onder de mensen te komen.

(r. 7) Innerlijk verlangde ik ernaar genietend één te zijn met God. Daarvoor was ik echter te jong en te weinig volwassen. Ik had er me namelijk nog niet genoeg moeite voor gegeven en er nog niet genoeg voor geleefd: nog was het aantal mijner levensdagen, vereist om tot zulk een hoge waardigheid te geraken, niet voltooid. Dat werd mij daar toen aangetoond, en ook nu lijkt het me zo te zijn.

Toen ik Ons-Heer [de hostie] ontvangen had, ontving Hij mij bij zich en zo dat Hij mij met al mijn vermogens opnam, buiten elke aandacht voor al wat vreemd was aan dit ene: Hem in eenheid te genieten.

En ik werd geleid naar een beemd, naar een uitgestrekte vlakte die heette de weidsheid der volmaakte deugden. Daar stonden bomen waar ik naartoe geleid werd. En mij werd hun naam meegedeeld en de betekenis ervan.

(r. 21) (1)  De eerste boom zijn wortel was verrot en erg broos, maar de stam was bijzonder stevig. En daar bovenop stond een lieflijke mooie bloem, zo onvast echter dat, als er een storm opstak, de bloem eraf zou vallen en verdorren.

Die mij leidde was een engel, een van de Tronen, en zij hebben de gave van onderscheid. Juist die dag was ik tot zijn hoogte opgegroeid en ik had verkregen dat hij mij zou behoeden en op al mijn wegen vergezellen.

En de engel sprak: "Mens, versta en begrijp wat deze boom is". En ik verstond het, toen hij mij liet zien dat dit de kennis van onszelf was. De verrotte wortel was onze broze natuur, de stevige stam de eeuwige ziel en de mooie bloem was de mooie gedaante van de mens die zo spoedig en in één ogenblik vergaat.

(2)  Vandaar leidde hij mij dan verder naar waar een boom stond die erg laag was. Hij had mooie sierlijke bladeren van allerlei kleuren, een genoegen voor het oog. Maar boven al die mooie bladeren hingen er die verdorden en deze bedekten al die mooie bladeren. Toen sprak weer de engel: "Uitverkoren ziel vol verlangen, gij die van zo laag tot zo hoog gebracht zijt, en van zulk een duister dwalen tot zulk een klaarheid en van de grootste armoede tot zulk een rijkdom, versta wat dit is".

En hij maakte mij duidelijk en ik verstond het. Dit was nederigheid. Met wijze vrees erkent zij Gods grootheid en haar eigen kleinheid. Daarmee bedekt zij al haar fraaie deugden, want zij voelt en beseft dat het haar ontbreekt haar Geliefde te genieten en dat zij niet weet waarop zich te verheffen. Dit is de zuivere nederigheid.

(r. 52) (3)  Daarop leidde hij mij verder naar waar een grote forse boom stond met grote brede bladeren. En de engel sprak weer tot mij: "Gij machtige en sterke, die de machtige en sterke God overwonnen hebt - van bij de aanvang van Hem die zonder begin was - en die met Hem de eeuwigheid voor eeuwig bemachtigen zult, lees en versta".

En ik las en verstond. Op elk blad stond geschreven: Ik ben de kracht van de volmaakte wil, niets kan mij ontgaan.

(4)  En daarbij stond een boom met veel takken. Hij was groot en had al zijn takken met die van de andere boom verstrengeld. En de engel sprak weer tot mij: "Gij die inzicht hebt, geleid als ge wordt door de rede, door de rede van de grote God, lees en versta de wijze les welke deze boom, die door de andere heengroeit, leert".

En ik zag dat er op elk blad te lezen stond: Ik ben de gave van onderscheid, zonder mij kan men niets doen.

Ende doe leide hi mi voert daer i. overscone boem stont die hadde drierehande telghere, Ende elker telgher waren drie: drie boven ende drie in midden ende iij. beneden. ende die inghel seide echt te mi: O sorfherteghe om de aventure vanden mesvalle dijns toecomens, O suchtende om die dolinghe der menschen die ghemaket sijn ter minnen gods ende van hem dolen ende eldere gheraken, O stervende metter doot dijns lieves die hi starf, verstant dese iij. nederste telghere, want dure met op gheclommen best ten oversten telgheren.

Ende ic verstont ende alle die bladere waren van sat groendere varuwen ende scarp ende lanc, ende ane elc blat was ene herte ghescreven. Ende ane die iij. nederste telghere waren al de herten die ane ele blat stonden, van roder varuwen ane te siene, Ende die middelste iij. telghere hadden herten ane te siene van witter varuwen, Ende die herten vanden oversten iij. telgheren waren ane te siene van goude.

Ende die inghel seide echt te mi: Reine colomme in die kerke der heilighen, die dinen lichame pure ghehouden heves van alle dien saken die niet ne ghetamen inden heilighen tempel gods, O onnosele ende troosterse elker nosen daer die reine wille ons groots gods bi ghesterket sal wesen ende es, O bekinnende met bekinnessen die edele nature ons suets gods daer du soe vruch bi vercors pure reynecheit boven al dat was ende es, ende bi ghere avonturen nie en ghebrukes ure, nu verstant dese iij. middelste telghere. ende ic verstont.

Ende die inghel seide echt te mi: Ghi soekende gherechte Minne allene in uwen god in al die zeden volmachteleke die ter heiligher wet behoren te werkene, Die god gheheilecht heeft met sinen heilighen levene dat hire in levede, ende met sinen groten gheboden ende met sinen hoghen raden; Ghi minnende ende pleghende met minnenden dienste der heiligher zeden na die behaghenesse der alweldeghen gods; Ghi ghestadege wesinghe daer god trouwe van gherechter Minnen altoes in vent ende ewelike in besitten sal, verstant dese iij. overste telghere. ende ic verstont.

Die boem was de wijsheit. Die eerste nederste telch, die ane die bladere die rode herten hadden, dat was die vrese van meswesene ende van ontblivene der volmaecter doechde. Die ander telch was die vrese dat gode soe vele brect werdecheiden vanden menschen ende datter soe vele dolen van der waerheit die hi selve es. Die derde telch was de vreese dat elc mensche sterven sal metter zelver doot daer onse lief mede starf, wijsleke in elker ende in alder doghet ghenoech te sine om die doot te stervene alle uren, ende dat cruce te draghene ende daghelike daer ane te stervenne ende met aldien te stervene die dolen ende sterven.

Die eerste middelste telch die de witten herten hadde ane die bladere, dat was reinecheit ane den lichame inden seden, in woerden, in werken. Die ander telch was dat werken in ieghenwelken onnosel ende reine te begherne ende te hoedene sine werke na ghetamen ons liefs. Die derde telch was, soe puer te blivene van alre bevlecheit in den geeste, inden gare, inder zielen, dat ghene nederheit daer in en come van dolinghen, van hoverden, van ijdelre glorien, van disperatien, van te vele te hopene dies men noch niet en heeft, ende dat men niet en valle in bliscape boven hebbinghe, Noch in rouwe boven ghebreken, Noch niet en valle in affeccien.

Noch in gheen ghenoeghen te vollen tote dien daghe dat men Minne langhe ghenoech ghedraghen heeft na hare tamelecheit, ende datse soe volwassen es ghedraghen ende met tameleken werken soe volvoedt dat men comt boven draghen van der Minnen, int ghevoelen dat vele hogher es dan minne te draghene. Want Minne te draghene dats onste verlangen, begaren dienst, oefeninghe van berrenden wille altoes sonder cesseren. Mer minne ghevoelen dats gedinken in vriheiden van minnen. Met minne te sine verhoecht al.
 
 

(5)  En toen leidde hij mij verder naar waar een uitzonderlijk mooie boom stond. Drie soorten takken had die, en van elk soort had hij er drie: drie van boven, drie in het midden en drie beneden. En de engel sprak weer tot mij: "O gij die bezorgd zijt omdat uw toekomst verkeerd kan uitvallen; o gij die klaagt over het dolen van de mensen die gemaakt zijn om God lief te hebben en die van Hem afdwalen en ergens anders uitkomen; o gij die de dood welke uw Geliefde stierf meesterft, versta deze drie laagste takken, gij zijt immers langs hen tot de hoogste opgeklommen".

En ik zag dat al die bladeren diep groen waren, puntig en lang, en op elk blad stond een hart getekend. En alle drie de harten die op elk blad van de laagste takken stonden, zagen er rood uit; de drie middelste takken hadden harten die er wit uitzagen en de harten van de drie hoogste zagen er uit als goud.

En weer sprak de engel tot mij: "Reine zuil in de kerk der heiligen, die uw lichaam onbevlekt gehouden hebt van al wat niet hoot in de heilige tempel van God, o gij die onschuldig zijt en elke schuld weet op te beuren, zodat de zuivere wil van onze grote God gesterkt zal worden en is; o gij die de edele natuur van onze zoete God door en door ervaren hebt, en om harentwille zo vroeg de pure reinheid verkozen hebt boven al wat geweest is en nog is, en die, wat u ook overkwam, nooit een ogenblik gefaald hebt, versta nu deze middelste takken". En ik verstond ze.

En de engel sprak nog tot mij: "Gij die de echte liefde alleen in uw God zoekt, door het volmaakt beoefenen van al die manieren van leven, die tot de heilige wet behoren, en die God, door ook zo te leven, geheiligd heeft met zijn heilig leven en met zijn belangrijke geboden en verheven raden; gij die liefhebt en met liefdevolle dienstbaarheid deze heilige levenswijze volgt, zoals het de almachtige God behaagt; gij, standvastig wezen waarin God altijd de trouw van de echte liefde vindt en eeuwig bezitten zal, versta deze drie hoogste takken". En ik verstond ze.

Die boom was de wijsheid. De onderste tak, die op zijn bladeren rode harten droeg, was de vrees dat men verkeerd is en dat de deugden niet volmaakt genoeg zijn. De tweede tak was de vrees dat God vanwege de mensen zoveel verering ontbreekt en er zo velen afdwalen van de waarheid die Hijzelf is. De derde tak was de vrees en het feit dat elke mens dezelfde dood moet sterven als onze Geliefde; de vrees of men met onderscheid de deugden, afzonderlijk en in hun geheel, voldoende beleeft om elk uur de dood te sterven en het kruis te dragen en daarop dagelijks te sterven, te sterven ook met al degenen die verdwalen en ten onder gaan.

De eerste tak van de middelste, die met de witte harten op de bladeren, dat was de zuiverheid van lichaam, van levenswandel in woorden en daden. De tweede tak was dat men onkreukbaar elke taak verricht, en dat men zijn verlangen zuiver houdt en ervoor waakt dat men handelt naar het goedvinden van onze Geliefde. De derde tak was: zo zuiver mogelijk te blijven van elke bezoedeling van de geest, van het verlangen en van de ziel, dat daar geen laagheid in komt die bestaat in dwaling, hoogmoed, ijdele glorie, wanhoop en een onverantwoorde hoop op wat men nog niet heeft. En dat men zich niet laat meeslepen door overdreven vreude om wat men reeds bezit, of door een droefheid die te groot is voor wat men in feite nog mist, of door gevoelige genegenheid.

Men mag zich ook niet tevreden laten stellen tot de dag waarop men minne lang genoeg gedragen heeft, zoals zij dat waardig is. En dat zij tot zulk een volwassenheid gebracht is en met de passende werken zo volledig gevoed, dat men boven het dragen der minne uitkomt in een gevoelen dat veel hoger is dan minne dragen. Want minne dragen betekent gunsten betonen, verlangen, begeren, dienst, de oefening van de brandende wil, voortdurend zonder ophouden. Maar minne gevoelen dat is haar in vrijheid aandacht schenken. En minne zijn, dat gaat boven alles.

Die eerste telch vanden oversten drien die de guldene herten hadden ane hare blader, dat was met meneghen volmaecten doechden minne ane haer selven enechleke soeken daerse gheheel in te vindene es. Die ander telch es, met minnen dien hoghen wille gods te pleghene na sine behaeclecheit, daer hi hem selven elken mede behaghen doet, die hem alsoe levet. Die derde telch was dat ghestade wesen daermen der minnen altoes gheheel met es ute menechfuldeghen doechden in die gheheele eneghe doghet, die de minnende beide in j. verswelghet ende werptse inden afgrond, daerse soeken ende venden selen de eweleke ghebrukelecheit.

Doe leide hi mi vort daer wi vonden enen kelc al vol bloets. Ende die inghel seide echt te mi: Grote met groten wille alle onghehoerde pine ende ghehoerde sonder quetsinge ende met soeter rasten overlidende, drinc; ende ic dranc ende dat was de kelc der verduldecheit. Daer dede ic gheloffenesse, gode ghestadeleke ghenoech te sine in verduldegher trouwen.

Doe leide hi mi voert in de middelt der wijtheit daer wi in wandelden. Daer stont j. boem die hadde de wortele opwert ende den tsop nederwert. Die boem hadde vele telgheren. Die nederste telgher die de tsop waren, Die eerste was ghelove, die ander hope daer die menschen bi beghinnen.

Ende die inghel seide echt te mi: O meesterse vanden beghinne toteninde op clemmende desen boem ter dieper wortelen des onbegripelex goeds, Verstant hoe dit es die wech der beghinnender ende te gheduerne der volcomender; ende ic verstont dat dat was die boem der bekinnessen goeds, diemen met ghelove beghint ende met minnen volintet.

Daer bi dien boem stont noch j. die hadde ronde bladere ende brede, ende die inghel seide te mi: Blijft hier alse ghevanghene tote des di weder sent die di hier ontboden heeft te comene, Ende verstant sinen verhoelnen wille, daer hi dijns in wilt ghebruken. Ende ic vare in dinen gheweldeghen dienst dienen. Jc hebbe heden van di ontfaen in dinen dienste te wesene alle uren, tote dat du mi ontwassen best ute dien weghen, die ic di hebbe gheleidt ende duse volmaecteleke cans volghen ende ghevoelen dies hoghes verholens raeds, dien di onse grote gheweldeghe god sal doen weten te diere uren. Jc vare hoeden dinen reinen lichame in diere edelder werdecheit daer ickene in vonden hebbe ende houden wille.

Ende doe seide hi: kere di omme van mi ende du salt den ghenen venden, dien du ye ghesocht hebs ende daer du allen erdschen ende alle hemelschen bi af ghekeert best.

Ende ic keerde mi van heme ende ic sach i. cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien j. grote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen zetel ghelijc eere sciven ende was claerre ane te siene dan die zonne in haerre claerster macht.

Ende onder die scive stonden iij. colommen. Die eerste colomme was ghelijc berrende viere. Die andere was ghelijc enen stene die heet thopasius, die heeft nature vanden goude ende na die claerheit der locht ende hi heeft varuwe alre stene. Die derde was ghelijc enen stene die heet amatistus ende heeft i. pellenleke varuwe na die rose ende na die violette.

Ende midden onder die scive draeyde een wyeel soe vreseleke omme, ende die soe eyseleke was ane te siene, dat hemelrike ende ertrike daer af verwonderen mochte ende vervaren.

Die zetel die gheleec eere sciven, dat was die ewelecheit. Die iij. colommen waren die iij. namen daerne die ellendege die verre van minnen sijn, mede verstaen. Die colomme ghelijc den viere es die name des heilighen geests. Die colomme ghelijc den thopas es die name dies vader. Die colomme ghelijc den amatist es die name des soens. Die diepe wyeel die soe vreseleke donker es, dats die godleke ghebrukelecheit in haren verhoelne storme.

Op die gheweldeghe stat sat die ghene dien ic sochte, ende daer ic een mede hadde begheert te sine ghebrukeleke. Sine vorme was onseghelec enegher redenen. Sijn hoeft was groet ende wijt ende kersp van witter varuwen ende was ghecront met ere cronen, die gheleec enen stene die heet sardonius ende heeft iij. varuwen wit swart ende roet. Sine ogen waren ane te sine wonderleke onseghelec ende alle dinc treckende in hem in minnen. Daerne maghic niet af te woerde bringhen, Want die ontelleke grote scoenheit ende oversoete soetecheit vandien werdeleken wonderleken aenscine, Dat benam mi alle redene van hem in ghelikenessen.
 
 

De eerste tak van de drie bovenste, die met de gouden harten op de bladeren, dat was: door talrijke volmaakte deugden minne zoeken, en dat uitsluitend met haarzelf en daar waar zij in haar geheelheid te vinden is. De tweede tak is met liefde, de verheven wil van God nakomen, zoals het Hem behaagt - zo maakt Hij zelf iedereen die op die manier voor Hem leeft aan Hem welgevallig. De derde tak was een bestendige toestand waarin men voortdurend totaal de minne toebehoort door uit de vele deugden over te gaan in de gehele enkelvoudige deugd - die doet de beide minnenden elkaar verzwelgen en werpt hen in de afgrond, waar zij de eeuwige genieting zullen zoeken en vinden.

Toen leidde hij mij verder tot waar wij een kelk helemaal vol bloed vonden. En weer sprak de engel tot mij: "Grote vrouw met uw grote wil, gij die alle mogelijke en onmogelijke pijnen zonder erdoor gekwetst te worden zachtjes berustend te boven komt, drink". En ik dronk: dit was de kelk van het dulden. Daar verbond ik mij ertoe God bestendig voldoening te schenken door duldende trouw.

(r. 162) (6)  Toen leidde hij mij verder tot in het midden van de wijde vlakte waarin wij wandelden. Daar stond een boom met de wortels omhoog en de kruin naar beneden. Die boom had veel takken. Van de onderste takken die de kruin vormden, was de eerste het geloof, de tweede de hoop; daarmee beginnen de mensen.

En de engel sprak tot mij: "O meesteres die deze boom opklimt van het begin tot het einde, tot in de diepe wortels van de onbegrijpelijke God, versta dat dit de weg is die de beginnelingen gaan en die de volmaakten moeten blijven gaan". En ik begreep dat dit de boom was van de ervaring van God, die men aanvangt in geloof en in liefde voltooit.

Bij die boom stond er nog een die ronde brede bladeren had. En de engel sprak tot mij: "Blijf hier gevangen totdat Hij die u ontboden heeft u terugzendt. En begrijp zijn verborgen wil: Hij wil over u beschikken. En ik ga heen om in uw hoge dienst te staan. Wat u aangaat heb ik nu de opdracht gekregen u voortdurend van dienst te zijn, tot gij mij en de wegen waarlangs ik u geleid heb ontgroeid zijt, tot gij in staat zijt die volmaakt te volgen en de verborgen raad te vernemen welke onze grote almachtige God u dadelijk zal meedelen. Ik ga heen om uw reine lichaam te bewaren in de edele waardigheid waar ik het in gevonden heb en behouden wil".

En toen sprak hij: "Keer u af van mij en gij zult vinden die gij altijd gezocht hebt en om wie gij u van iedereen op aarde en in de hemel hebt afgekeerd".

(r. 191) En ik keerde mij af van hem en ik zag een kruis voor mij staan. Gelijk kristal was het, maar helderder en witter. Er doorheen kon men een grote wijdheid waarnemen. En vóór het kruis zag ik een zetel staan die op een schijf geleek en die er lichtender uitzag dan ooit de zon in al haar klaarste kracht.

Onder de schijf stonden drie zuilen. De eerste was gelijk brandend vuur. De tweede leek wel gemaakt van het soort steen dat topaas heet. Die bestaat uit goud en zoiets als de helderheid van de lucht en de kleur van alle stenen draagt hij in zich. De derde van amethist, die het purper heeft van de roos en het viooltje.

En midden onder die schijf bevond zich een wieling [draaikolk] die zo vreselijk kolkte en zo verschrikkelijk was om aan te zien, dat hemel en aarde daardoor met verbazing en angst zouden worden geslagen.

De zetel die op een schijf geleek, dat was de eeuwigheid. De drie zuilen waren de drie namen waaronder de bannelingen die ver van de minne verwijderd zijn, Hem verstaan. De zuil die op vuur gelijkt, is de naam van de heilige Geest. De zuil die op topaas gelijkt, is de naam van de Vader. De zuil die op amethist gelijkt, is de naam van de Zoon. De diepe wieling die zo vreselijk donker is, dat is het verborgen stormen van de goddelijke genieting.

Op die ontzagwekkende plaats zat Hij die ik zocht en met Wie ik verlangd had genietend één te zijn. Zijn gestalte kon door geen woorden worden uitgedrukt. Zijn hoofd was groots en weids, met wit krullend haar. Het was gekroond met een kroon die geleek op het soort steen dat sardonyx heet en drie kleuren heeft: zwart, wit en rood. Zijn ogen waren wonderlijk om te zien - onuitsprekelijk - en zij trokken alle dingen in zich, met minne. Daarvan kan ik niets uitdrukken. Want de onbeschrijflijke schoonheid en overzoete zoetheid van dat heerlijke, wonderlijke gelaat ontnam mij alle mogelijkheid om over Hem door vergelijkingen iets te zeggen.

Ende mijn lief gaf mi hem selven in verstannessen sijns selves ende in ghevoelne. Maer doe ickene sach, doe vielic hem te voeten, want ic bekinde dat ic al dien wech te hem was gheleidt daer noch alsoe vele toe te levene was.

Ende hi seide te mi: Stant up, Want du best in mi op ghestaen sonder beghin gheheel vri ende sonder val. Want du beghert heefts i. met mi te wesenne ende du heefs daer toe ghedaen te rechte ende te cromme; ende overmids dattu soe verstormt best in onghedurecheiden, ende du des orconde heves van mi ende van openbaren werken die du gewracht heves in al dien daer du mijns willen in verwaent heves, ende om dine vroede werke hebbic di ghesent den ingel der trone die vroet es, die gherechte willeghe ter volmaecheit te leidene, die di zoe bewarent vant van binnen dat hi di alle die weghe leide die hi di soude hebben ghetoent alse enen kinde. Want hi di soe hoghe namen gaf, die di verciert hebben in mijn aenscijn.

Nu salic di doen weten wat ic di wille. Ic wille dattu dore minen te alre ellendecheit bereet best Ende ic verbiede di, dattu di nemmermeer en onderwens iet te andene noch te wrekenne alsoe vele als i. opslaen van ere oghen. Daer du di dies onderwins in enegher manieren, soe bestu de ghene die mi mijn recht ondergaen wilt.
 
 

(r. 229) En mijn Geliefde gaf Zichzelf aan mij, en zó dat ik Hem kon begrijpen en voelen. Maar toen ik Hem zag, viel ik voor zijn voeten neer. Ik zag immers heel de weg waarlangs ik nu tot Hem geleid was en ik begreep ook dat er me nog zeer veel te doen stond om daarnaar te léven.

En Hij sprak tot mij: "Sta op, want gij zijt in Mij opgestaan daar waar gij zonder begin zijt, geheel vrij en niet-gevallen. Gij hebt immers verlangt één te zijn met Mij en daartoe hebt ge al het mogelijke en onmogelijke gedaan. En nu ge daardoor in een heftige storm van ongedurigheid zijt gekomen, terwijl Ik dat één-zijn beloofd heb en gij er ook een onderpand van hebt in al de duidelijke goede werken die ge gedaan hebt waar ge ook maar vermoedde dat het mijn wil was, en omwille van uw werken met inzicht gedaan - om al die redenen heb Ik u de engel, die tot de Tronen behoort, gezonden. Die weet hoe hij degenen die het echt willen tot de volmaaktheid kan leiden. Hij bevond dat gij innerlijk zo toegerust waart dat hij u meteen geleidde langs al de wegen die hij u normaal moest tonen als aan een kind. En hij gaf u heel verheven namen die u voor Mijn aanschijn tooiden.

Nu zal Ik u laten weten wat Ik van u wil. Ik wil dat gij, omdat Ik het wil, bereid zijt tot elke vorm van verstoting en daarbij verbied Ik u dat ge het ooit zoudt wagen u over wat dan ook te ergeren, ook al gebeurde dit maar door een oog op te slaan. Meet ge u dat op de een of andere wijze toch aan, dan zijt ge iemand die Mij in mijn recht aantast en zich met Mijn heerschappij inlaat".

Jc gheve di noch, seide hi, j. nuwe gebod: wiltu mi gheliken inder menscheyt alse du beghers inder godheit als te ghebrukene van mi, Soe saltu begaren aerm, ellendech ende versmaedt te sine onder alle menschen, ende alle vernoye selen di smaken boven alle erdsche ghenoechten; in negheenre wijs en later di verdrieten, want si selen ommenscheleke sijn te verdraghene.

Wiltu vervolghen minne na die fiere nature die di mine gheheelheit heyschet, Soe saltu soe vremde werden onder de menschen ende soe onghehoert ende soe onsalech, dune salt noch weten enen nacht waer herberghen, ende alle menschen selen di noch afstaen ende begheven, ende niemen en sal noch metti willen dolen in dine noet ende in dine quale. Van al dinen wesene belovic mi in dinen daghen die du gheleeft heves noch enen corten tijt, Want dine uren en sijn noch niet comen.

Mer ic hebbe een dinc te di, daer ic mi omme belghe in enen dele dat ic di tonen wille. Du best ionc van daghen ende du wils dat ic bekinne dijns lichamen sware pine ende die trouwe van dinen handewerke ende dinen nuwen wille altoes vloyende van karitaten ende die begherte van diere herten ende dat doyen van dinen sinnen ende die minne van dijnre zielen, ende dit bekinnic al. Ende oec bekinne du dat ic levede suver mensche, ende mijn lichame doghede sware pine, ende mine hande wrochten alle trouwe, Ende mijn nuwe wille van karitaten dore vloyde al de werelt in vreemde ende in vriende, ende mine sinne doyden ende mine herte begeerde, ende mine ziele minde, ende in al desen verbeide ic al miere tide des die uren quamen, dat mi mijn vader op nam te hem.
 
 

"Nog geef Ik u", zo sprak Hij, "een nieuw gebod: Wilt gij, die verlangt alles van Mij genietend te bezitten in de godheid, evenzeer aan Mij gelijk zijn in de mensheid, dan moet ge verlangen arm te zijn, verstoten en versmaad bij alle mensen, en in alle smarten moet ge smaak vinden die boven alle aardse genoegens uitgaat. Laat er u op een enkele manier ongelukkig door maken, ook al zullen ze onmenselijk zwaar zijn om te dragen.

Wilt gij de minne nastreven zoals dat hoort bij uw fiere natuur die Mij geheel en al voor u opeist, dan zult ge zo vervreemd raken van de mensen, zo versmaad en veracht zijn, dat ge niet zult weten waar onderdak te vinden, niet eens voor één nacht. Alle mensen zullen u laten vallen en in de steek laten en niemand zal met u willen zijn in uw nood en in uw ellende. Ik sta er voor in dat gij dit allemaal zult meemaken in de dagen die ge nog te leven hebt - een korte tijd maar! Want uw uur is nog niet gekomen.

Er is echter iets wat Ik tegen u heb en waarom Ik vertoornd ben. Ik zal u dat duidelijk maken. Gij zijt nog jong en ge wilt dat Ik naar waarde zou schatten het zware lijden van uw lichaam en de trouw arbeid van uw handen en uw wil, die steeds nieuw uitvloeit in naastenliefde, en het verlangen van uw hart en de ontreddering van uw gemoed en de liefde van uw ziel. Nu, dat erken Ik allemaal. Maar erken gij dan eens op uw beurt dat Ik geleefd heb als louter mens: en dat mijn lichaam zwaar lijden onderging en dat mijn handen in volledige trouw werkten en dat mijn wil in liefde heel de wereld steeds nieuw doorvloeide, vreemden zowel als vrienden; en mijn gemoed was ontredderd en mijn hart verlangde en mijn ziel minde. En in dat alles wachtte Ik zonder uitzondering mijn tijd af, tot het uur kwam waarop mijn Vader Mij tot zich opnam.

Ghi hebt gheseegt somwile te mi: ic had goet menschen leven, Want ik hadde die vij. gaven. dat es waer ende niet allene gaven, mer ic was selve gave der gheeste die de gaven heten. Ende du heves gheseeght: mijn vader was met mi, dats waer, wine scieden nie ure.

Mer ic make di cont ene verhoelne waerheit van minnen die doch openbar versceen, diet hadde connen verstaen. dat ic nie i. ure mi selven bi miere moghentheitghenoech en dede in gheen ghebreken, Daer ic in was, noch dat ic ane die gaven mijns geests nie en vervinc, sonder dat icse met pinen van dogene vercreech ende van minen vader, die hi ende ic al i. waren, alse wij nu sijn vore dien dach dat mine ure quam van miere volwassenheit. Ic ne wandelde mijn vernoy noch mine pine bi miere volcomenheit nye.

Nu heves du dine ellende gheclaghet ende waer omme du niet ne heves van mi dies du behoefs na dinen nyede, ende ic vraghe di wanneer di dies ghebrac, dune hads die vij. gaven mijns gheests. Ende ic vraghe di wanneer du begheven waers van minen vader in eneghen wesene, mijn vader ne was altoes met di ghelijc hi met mi ende ic met hem was doe ic mensche levede. Na dien dattu mensche best, soe leve ellendech alse mensche. Ic wille van di mi alsoe volcomeleke gheleeft hebben in allen doechden in erdrike, dat du mi in mi selven in ghenen poente en ghebrekes. Heve de vij. gaven mijns geests ende cracht ende hulpe van minen vader in volcomenen werken der doechde, daer men god mede werdet ende blijft ewelike.

Mer ghevoelt u mensche in al dien ghebreken die ter menscheit behoren sonder sonde allene. alle die pine die ter menscheit behoert, die becoerde ic doe ic mensche levede sonder sonde. Jc ne coste mi selven nie bi miere moghentheit van binnen sonder met troeste, ende dat ic seker was van minen vader. Du heves dat oec wel bekint, dat ic langhe levede in ertrike, eer men mi bekinde onder dat volc, ende eer ic miraculen dede; ende doe icse dede, ende men mi bat bekinde, doe bleef mi onmenich vrient in de werelt; ende in miere doet stondense mi al wel na af die leefden.

Daer omme ne laet di niet berouwen, dat di alle menschen begheven zelen om die volcommene minne, Ende om dat du in minen wille leves. Scone gheliken ende miraclen sijn di van dinen daghen meer ghesciet sonder noet dan eneghen mensche die gheboren wert sider dat ic starf. Miraclen ende ghichten van buten die waren in di sere begonnen te werkene, die heves du mi ontseghet ende bester af ghestaen ende en wilter niet. die beghaefstu bi minnen ende en wils el niet dan mi ende ommi hevestu als verteghen ende wilt mijns ghebruken in ghevoelne, dat boven al gheet, ende dat ghetal van dinen daghen daer toe dat es noch onna gheleeft.
 
 

Gij hebt wel eens tot Mij gezegd dat Ik het gemakkelijk had om als mens te leven. Ik die de zeven gaven had. Dat is juist. Ik had die. En niet alleen had Ik de zeven gaven, zelf was Ik de gave waaruit deze werkelijkheden die de zeven gaven genoemd worden, voortvloeien. En gij hebt Mij gezegd dat mijn Vader met Mij was. Dat is juist, geen ogenblik waren Wij van elkaar gescheiden.

Maar Ik leer u een verborgen waarheid over Mij, die nochtans duidelijk was voor wie het vatten kon: nooit, op geen enkel ogenblik en in welke nood Ik ook verkeerde, heb Ik mezelf uit eigen macht een voldoening geschonken: ook heb Ik nooit beslag gelegd op de gaven van mijn geest, maar in leed en lijden heb Ik ze moeten verkrijgen van mijn Vader - Hij en Ik waren nochtans geheel één, zoals We nu zijn - en dat niet voor de dag waarop het uur aanbrak van mijn volwassenheid: nooit bracht Ik door mijn almacht verandering in mijn smart of in mijn lijden.

(r. 302) Nu hebt gij uw beklag gedaan over uw verstoting, waarom gij namelijk niet van Mij krijgt wat gij, gezien uw heftige verlangen, nodig hebt. Wel, Ik vraag u wanneer u ontbroken heeft wat gij nodig had - had gij dan de zeven gaven van mijn Geest niet? En Ik vraag u wanneer, in welke omstandigheden ook, gij door mijn Vader verlaten zijt geworden - was mijn Vader niet altijd met u, zoals Hij met Mij was en Ik met Hem, toen ik als mens leefde? Ge zijt nu eenmaal mens, leef dan ook als een mens, verstoten. (r. 311) Ik wil dat ik door u zo volmaakt nageleefd wordt in alle deugden ter wereld, dat ge op geen enkel punt bij mij achterblijft. Heb de zeven gaven van mijn Geest en de kracht en de hulp van mijn Vader om volmaakt de deugden te beoefenen - zó wordt men god en blijft het voor eeuwig.

Maar voel ook dat ge mens zijt door al de zwakheden te ondergaan die tot het mens-zijn behoren, de zonde alleen uitgezonderd. Al wat er aan lijden bij het mens-zijn hoort, heb Ik op mij genomen toen Ik als mens leefde, de zonde alleen uitgezonderd. Nooit stond Ik mezelf inwendig en uit eigen macht, een voldoening toe, tenzij dan deze troost: dat ik zeker was van mijn Vader. Ook weet gij wel dat Ik lange tijd op aarde leefde voor Ik bij het volk bekend raakte en mirakelen deed. En toen Ik die deed en men Mij beter leerde kennen, schoten er in de wereld maar weinig vrienden over voor Mij. En bij mijn dood lieten nagenoeg alle levenden mij in de steek.

Heb er dan ook geen spijt van als alle mensen u laten vallen omwille van uw volstrekte minne en het feit dat ge in mijn wil leeft. Heerlijke openbaringen en mirakelen zijn u in uw leven zomaar te beurt gevallen, meer dan wie ook van de mensen die sinds mijn dood geboren werden. Aanvankelijk waren mirakelen en zichtbare gaven krachtig aan het werk in u. Gij hebt ze van Mij geweigerd, ge deed er afstand van, ge wilde ze niet. Omwille van de minne hebt gij ze gelaten, ge wilt immers niets anders dan Mij en om Mij hebt ge alles opgegeven en ge wilt Mij dan ook genietend bezitten in een gevoelen dat boven alles gaat. Maar het aantal van uw levensdagen, daartoe vereist, is op verre na nog niet voltooid.

Ic sal di, seget hi, liefste gheminde, gheven mi heimeleke, alse du mi hebben wils heymeleke, want du niet ne wils dat di die vremde troesten noch datse di bekinnen. Soe salic di gheven verstannesse mijns willen ende conste gherechter minnen, ende enechleke mijns te ghevoelne bi vremden stormen van minnen, alse du niet gheduren en mach sonder mijns te ghevoelne, ende dine pine te swaer werdet.

Met verstannesse saltu wise minen wille werken in alle dien die behoeven van di te wetene minen wille, die hem oncont noch es. niemene ne hevestu noch ghebroken ende niemene en ghebrec nemmermeer tote dien daghe dat ic di segghe: dijn werc es al voldaen. Met minnen saltu leven ende gheduren ende mijns verholens willen pleghen daer du mi mede best verholen ende ic di, ende met mijns te ghevoelne salic di ghenoech wesen ende du mi.

Dus werke minen wille met verstannesse, mine alre ghenoechlecste gheminde; dus pleghe mijns met minnen, mine naeste ghebrukende in miere naheit; dus saltu mijns ghebruken.

Dit es die boem van dien woerden die ic di nu seide, die heet bekinnesse der minnen. Want die soe vele ghepredeket es, dat di die nederheit verswaren sal. soe toende ic di selve wat ic di wille. Du moets soete weder keren ende doen dat ic di bevolen hebbe.

Alse du wils, soe nem bladere van desen bome, dat es kinnesse mijns willen. ende alse di vernoyt, Soe nem vanden tsoppe ene roze; van hare nem i. blat: dats minne ende alse du niet gheduren en cans, soe nem vander rozen dat daer binnen es, dat es soe salic di geven mijns te ghevoelne.

Altoes saltu kinnesse mijns willen hebben, ende minnen ghevoelen ende ter noet mijns ghebrukeleke ghevoelen. Aldus dede mi mijn vader doe ic sijn sone was; hi liet mi in node ende hine begaf mi nie. Jc ghevoeles in ghebrukene ende ic diende dien daer hi mi toe gesent hadde.

Dat herte dat in di rose es soe geheel, dat es ghebrukelecheit van minnen ghevoelleke. Hen allen, lieve, die di goet ende quaet doen, wes al eens van werkens in hare noet. Minne sal di alsoe machtech maken. ghef al, want al es dine.


∗ ∗ ∗


Hadewijch, visioen I.

Bron Middelnederlandse tekst: Werken van zuster Hadewijch, editie J. Vercoullie. Deel 2 (Gent, 1895).



 
 

Ik zal Mij aan u, zo zegt Hij, liefste beminde, geven op een verholen manier, en wel zoals gij Mij hebben wilt. Daar gij niet wilt dat de vreemden u troost verschaffen of u erkennen, zal Ik u geven: inzicht in mijn wil en de kunst der gerechte minne en dat ge Mij alleen voelt - en dit bijwijlen, als ge het in de storm van minne niet meer kunt uithouden zonder Mij te voelen, en uw pijn u te zwaar wordt.

Door inzicht zult ge, met onderscheid, mijn wil verwerkelijken in al degenen die u nodig hebben om van u mijn wil te vernemen die hen nog onbekend is. Gij zijt nog voor niemand onbereid geweest, doe dat ook nooit tot de dag waarop Ik zeg: uw werk is ten einde toe volbracht. Door minne zult ge uw leven leven, en het uithouden, en mijn verholen wil beoefenen - hierdoor zij gij van Mij en ik van u. En door Mij te voelen zal Ik u voldoening geven en gij Mij.

Zo, met inzicht moet ge mijn wil uitvoeren, gij mijn meest welvallige geliefde. Zo, in minne moet ge met Mij verkeren, gij die in de innigste overgave Mij nabij zijt. Zo zult ge Mij genietend bezitten.

Ik heb u nu deze boom, de boom van de kennis der minne, verklaard. Daar ge zo veel bepreekt wordt op een manier die u teneer drukt, toonde Ikzelf u wat Ik van u wil. Gij moet zachtjes terugkeren en doen wat Ik u bevolen heb.

Als ge dat wilt, neem dan bladeren mee van deze boom - die betekenen kennis van mijn wil. En als ge u ontredderd voelt, pluk dan een roos uit de kruin van de boom en neem van die roos een blad - dat betekent minne. En als ge het niet meer uithouden kunt, neem dan wat binnen in de roos zit - dat betekent dat Ik u geven zal Mij te voelen.

Voortdurend zult gij de kennis van mijn wil hebben en minne voelen en in uw nood Mij genietend voelen. Zo ook handelde mijn Vader met Mij, Ik die zijn Zoon was. Hij liet mij in nood verkeren, maar nooit liet Hij Mij los - dat genietende gevoelen had Ik; en ik diende hen tot wie Hij Mij gezonden had.

Het hart dat in de roos zit, zo overdeeld, dat is de gevoelige genieting van de minne. Geliefde, wees bereid voor alle mensen zonder onderscheid, of ze nu goed of kwaad doen, te bewerken wat zij nodig hebben. Minne zal u daartoe in staat stellen. Geef alles, want alles is van u".


∗ ∗ ∗


Hadewijch, visioen I.

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).






Copyright

Bovenstaande tekst wordt behandeld tijdens de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

©  Het is niet toegestaan om bovenstaande tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.


Deze pagina staat niet openbaar online

Deze pagina is, in verband met auteursrecht, verborgen voor zoekmachines (met 'noindex') en dus niet openbaar vindbaar. Deze pagina wordt door de zoekmachines niet geïndexeerd en is daardoor niet vindbaar met zoekopdrachten.

De tekst is nadrukkelijk alleen bedoeld als onderdeel van en achtergrond bij de cursus Middeleeuwse mystiek en enkel en alleen van daaruit te bereiken. Alle interne links op deze website hebben de 'nofollow'-tag in de html-code, om de directe onvindbaarheid van deze pagina verder te waarborgen.


Niet linken naar deze pagina

Het is niet toegestaan om rechtstreekse deeplinks aanbrengen naar deze pagina en zo de directe online vindbaarheid te vergroten.

Link uitsluitend naar de betreffende cursusbijeenkomst, waarin bovenstaande tekst wordt geciteerd en toegelicht.

Naar de betreffende cursusbijeenkomst: 3b. Hadewijch: wegen naar God.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >