RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 6b.  Ruusbroec: het Innige Leven in Die geestelike brulocht

Onderwerpen dit uur:
  • De inwerking van Christus in de ziel (zon in het dal: licht, warmte en vruchtbaarheid)
  • De deugden volgens Ruusbroec
  • De ziel volgens Ruusbroec: wezen, geest en hart
  • God werkt van binnen uutweert



Inleiding


Vorige week hebben we enkele teksten gelezen uit het eerste deel van de Brulocht, het Werkende Leven. Ruusbroec begint heel eenvoudig, bij de grondbeginselen, zijn uitgangspunten van een geestelijk leven. Ik zal het in een paar zinnen proberen samen te vatten: we hebben eerst de 'Voorrede' gelezen. Daarin zat precies die twee belangrijke momenten uit het middeleeuwse mens- en wereldbeeld: de zondeval en de komst van Christus naar aarde. Dat is de 'heilsgeschiedenis van de mensheid' waar ook Ruusbroec vanuit gaat.

Vervolgens hebben we twee passages bekeken uit het eerste onderdeel van de Brulocht, het Werkende Leven. Eerst een passage over het zien, waarin Ruusbroec duidelijk maakt dat hij het níet zal hebben over zien met de ogen van je lichaam en licht zoals we dat hier op aarde kennen, maar over geestelijk zien en geestelijk licht, en dan in het bijzonder het licht van Gods genade.

Daarna hebben we gekeken naar een passage over die genade. Ruusbroec beschrijft de genade als licht. Dit licht is eigenlijk God zelf en kan in de ziel van de mens stromen. Door gerichtheid op God, uit vrije wil (dus door toekeer van de mens tot God), èn door verlichting van de genade (dus door toekeer van God tot de mens), begint er een proces van geestelijke groei: de mens gaat zoeken naar zelfkennis, zijn/haar geweten raakt gezuiverd en er onstaat er een liefdesband tussen de ziel en God.

Vandaag gaan we nog twee passages lezen uit het Werkende Leven: uit het onderdeel 'de brudegom comt' en 'gaet ute'. Daarna gaan we naar het Innige Leven en daar zullen we zien hoe Ruusbroec de geestelijke processen daar verder gaat uitwerken. In het Innige Leven komt in feite hetzelfde proces terug: zien, komen, uitgaan en ontmoeten, alleen dan in een volgend stadium, of een hoger stadium, van de geestelijke weg zoals Ruusbroec die beschrijft.



De inwerking van Christus in de ziel (de zon in het dal: licht, warmte en vruchtbaarheid)


Maar nu eerst nog één passage uit het Werkende Leven. Vorige week zaten we in het onderdeel 'siet', nu zijn we aanbeland in het onderdeel 'de brudegom comt', bij een passage over de komst van Christus (vanaf blz. 71). In het Werkende Leven onderscheidt Ruusbroec drie verschillende komsten van Christus: een komst in het verleden, in het heden en in de toekomst.

Je ziet hier opnieuw het belang van Christus in de Brulocht (net als in het leidmotief: 'ziet, de bruidegom/Christus komt...'). De betekenis en het belang van Christus is voor Ruusbroec geworteld in het middeleeuwse wereldbeeld: in de heilsgeschiedenis is Christus degene die naar de mens kwam om het contact tussen mens en God te herstellen. Christus staat voor het toeneigen van God naar de mens. En hij komt niet alleen in het verleden en in de toekomst naar de mens - maar ook in het heden, in elk minnend hart:


Nu toont Christus verder wat men zien moet, als Hij zegt: 'de Bruidegom komt'. Christus onze Bruidegom spreekt dat woord in het Latijn: venit. Dit woord besluit in zich twee tijden: de verleden tijd en de tegenwoordige; en bovendien meent Hij daarbij nog de toekomende tijd. En zo moeten wij in onze Bruidegom Jezus Christus drie verschillende komsten beschouwen.

In de eerste komst is Hij mens geworden om wille van de mensen uit liefde. De tweede komst geschiedt dagelijks, dikwijls en op menigerlei manier in elk minnend hart, met nieuwe genaden en met steeds nieuwe gaven, naar de mate waarin ieder ervoor ontvankelijk is. Onder de derde verstaat men zijn komst bij het oordeel of in het uur der dood.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Werkende leven, De zon in het dal.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 71-73.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Drie 'komsten' dus, één in het verleden (toen Christus naar de aarde kwam); één in het heden (in elk liefdevol hart); en één in de toekomst (namelijk bij het overlijden). Wij zullen nu niet gaan kijken naar de komst in het verleden in de toekomst. Ik wil gaan kijken naar de komst in het heden, de dagelijkse komst 'die es daghelijcs ende menichwerven in elcke minnenden herte, met nuwer gracien, met nuwen gaven, na dats de mensche ontfanclijc es'.

Deze dagelijkse komst van Christus oftewel het licht van de genade in elk minnend hart beschrijft Ruusbroec vanaf blz. 85. Deze passage, over de zon in een dal, die zal ik in zijn geheel gaan lezen.


De tweede komst van onze Bruidegom geschiedt dagelijks in de goede mensen, dikwijls, ja herhaaldelijk, met genade en nieuwe gaven in allen, die er zich naar best vermogen toe schikken. Hier willen wij niet meer spreken over de eerste bekering van de mens, noch over de eerste genade, die hem gegeven werd toen hij zich van de zonde afwendde en tot de deugd toekeerde.

Wij willen eerder spreken van een vermeerdering in genade en in nieuwe gaven en nieuwe deugden dag na dag, en van een komst van Christus onze Bruidegom in het heden, welke dagelijks in onze ziel geschiedt. Nu moeten wij beschouwen de beweegreden of het waarom, alsook de wijze en de verwezenlijking van deze komst.

Het waarom hiervan is viervoudig: Gods barmhartigheid en onze behoeftigheid; Gods mildheid en ons verlangen. Deze vier bevorderen de groei en de adel van de deugd.

Dat zal een vergelijking beter doen begrijpen. Wanneer de zon haar stralen in een diepe vallei tussen twee hoge bergen doet schijnen, en zij dan in het zenith van het firmament staat, zodat zij de bodem en de grond van de vallei kan bestralen, dan geschieden er drie dingen. De vallei wordt meer verlicht, door de weerkaatsing van het licht der bergen, zij wordt meer verhit, en zij wordt vruchtbaarder dan een geheel effen vlakte.

Op eenzelfde manier vergaat het een goed mens: als hij in zijn kleinheid berust, in het nederste van zichzelf, en hij bekent dat hij uit zichzelf niets heeft en niets is, en niet staande kan blijven noch vooruit kan gaan in deugden, en dat hij zelfs vaak te kort schiet in deugdzaamheid en goede werken, en hij aldus zijn nood bekent: dan graaft hij zich een dal van ootmoedigheid. En omdat hij dan ootmoedig is en omdat hij zijn nood bekent, toont en klaagt hij die aan de goedheid en barmhartigheid Gods. Dan beseft hij Gods hoogheid en zijn kleinheid, en wordt hij een diep dal.

En Christus is een zon van gerechtigheid en ook van barmhartigheid, die in het hoogste van het uitspansel prijkt, dat is: aan de rechterhand van zijn Vader, en die op de bodem der ootmoedige harten schijnt; want Christus laat zich altijd bewegen door de nood als iemand die klagend met ootmoed openlegt. Dan groeien daar twee bergen, dat is een tweevoudig verlangen: het ene om God te dienen en te loven met ontzag, het andere om deugden te verwerven in edele volmaaktheid. Deze twee bergen zijn hoger dan de hemelen, want deze twee verlangens raken God rechtstreeks zonder tussenmiddel en smeken met een begeerte zijn milde vrijgevigheid af.

Dan kan zijn mildheid zich niet weerhouden om zich uit te storten, want dan is de ziel geschikt en ontvankelijk voor meer gaven. Dat zijn de beweegredenen tot nieuwe komst met nieuwe deugden. Dan ontvangt dit dal, het ootmoedige hart, drie dingen: het wordt meer verlicht en verklaard met genaden, en meer verhit door caritas, en ook vruchtbaarder in volmaakte deugden en in goede werken.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Werkende leven, De zon in het dal.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 85-87.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


De dagelijkse komst van Christus in de ziel wordt gekenmerkt door vermeerdering van genade, liefde en deugden. Ruusbroec maakt deze komst van Christus aanschouwelijk door haar te vergelijken met het beeld van de zon in een dal. Een vallei tussen twee bergen wordt meer verlicht, meer verhit en vruchtbaarder in vergelijking met een effen vlakte.

De dagelijkse komst van Christus (oftewel: het licht der genade) in de ziel leidt tot:
  • verlichten
  • verhitten
  • vruchtbaar maken

Als een mens ootmoedig is en verlangt naar twee dingen, naar het dienen van God en naar het verwerven van deugden, dan is die ootmoedige ziel ontvankelijk voor meer gaven en deugden en ontvangt dus drie dingen (nog eens de laatste zin, nu in het Middelnederlands):


Het wert meer verclaert ende verlicht met gracien, ende meer verhit in karitaten ende vrochtbaerre in volcomenen doechden ende in goede werken.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Werkende leven, De zon in het dal.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 87.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Verlichting hangt hier samen met genade, verhitting met liefde en vruchtbaarheid met deugden en goede werken.

komst Chr. (genade) in de ziel ziel ontvangt
   
verlichten genade
verhitten liefde
vruchtbaar maken deugden, goede werken

Volgende week zullen we zien hoe dat proces van verlichting en verhitting zich precies afspeelt in de ziel en wat het betekent.

Eigenlijk is het natuurlijk een beetje vreemd. We hebben het gehad over de genade van God die als licht in de ziel van de mens komt en over de dagelijkse komst van Christus in de ziel, waardoor de ziel wordt verlicht door genade en verhit door liefde. Voortdurend wordt de mens en het toeneigen van God naar de mens in termen van licht beschreven. En dat is eigenlijk heel apart, want in onze beleving, we hoeven alleen maar naar elkaar te kijken, heeft de mens niets met licht te maken. Wij stralen geen licht uit.

Toch is het beschrijven van de mens in termen van licht iets wat in heel veel culturen en godsdiensten voorkomt. Ruusbroec doet het hier in de Brulocht ook, maar pas nádat hij heeft gezegd: 'over het lichamelijke zien wil ik niet meer spreken, wèl over geestelijk zien, over natuurlijk licht wil ik niet meer spreken, wèl over geestelijk licht'.

Blijkbaar is de mens in de geestelijke wereld, of de menselijke ziel, de menselijke geest, in tegenstelling tot het menselijke lichaam hier op aarde, in termen van licht en in termen van warmte te beschrijven.

Ruusbroec doet het meteen al in het Werkende Leven. Ruusbroec beschrijft het geestelijke licht als: van God afkomstig licht, licht van de genade. Dit licht is God zelf en verlicht íeder mens. Door het licht van de genade geeft God zichzelf en beweegt daarmee de ziel en al haar vermogens.

Daarnáást beschrijft Ruusbroec het inwerken van Christus in de ootmoedige ziel met warmte; het licht hing samen met genade, en warmte hangt samen met karitate, met liefde, een liefdesband. Door die liefdesband vindt een heel concrete ontwikkeling van de ziel plaats: de mens wordt deugdzamer en doet meer goede werken. De inwerking, de tweede, dagelijkse, komst van Christus, heeft dus een concreet en ethisch effect op de ootmoedige ziel.



De deugden volgens Ruusbroec


We hebben nu passages gelezen uit het onderdeel 'siet' en het onderdeel 'de brudegom comt' uit het Werkende Leven. We hebben gezien dat bij dat proces van geestelijk ziende worden en de komst van Christus in de ziel d.m.v. genade, dat daar een heel concrete geestelijke groei van de mens bij plaatsvindt. De mens verkrijgt zelfkennis, zijn geweten gaat zuiverder spreken, zijn liefde voor God en zijn naasten en voor zichzelf groeit, en de deugden komen in hem tot ontwikkeling.

Dat wordt vooral in de slotzin van de laatste passage duidelijk: dat als de mens door het licht en de warmte van God wordt aangeraakt, dat dan de mens volgens Ruusbroec vruchtbaarder wordt, en dan in het bijzonder wat betreft de deugden. En hij behandelt deze deugden bij het derde onderdeel van het Werkende Leven, het 'ute-gaen' van de mens in het Werkende Leven, uitgaan in deugden dus.

Ik heb deze deugden voor het overzicht even op een hand-out gezet en ik zal deze even uitdelen. Ik wil hier heel even kort een blik op werpen, omdat we de deugden ook al bij Hadewijch tegen waren gekomen, in het eerste visioen. Die heb ik er ter vergelijking ook bij gezet.

Deugden bij Plato:
  • gerechtigheid, wijsheid, dapperheid, matigheid

Zeven hoofddeugden van de katholieke kerk:
  • geloof, hoop, liefde, verstandigheid, rechtvaardigheid, moed, gematigdheid

Deugden volgens Hadewijch (visioen I en XII):
  • zelfkennis, nederigheid, vrije wil, inzicht, liefde voor God, wijsheid, geduld, trouw, de ervaring van God die men 'in geloof begint en in liefde voltooit', naastenliefde, vrede

Deugden volgens Ruusbroec (WL, 'gaet ute'):
  • basis van de deugden: liefde en gerechtigheid
  • ootmoed, gehoorzaamheid (of vrede), verloochening (of ootmoed), geduld, zachtmoedigheid, goedertierenheid (of goedheid of liefde), medelijden (of medevoelen met de medemens), mildheid, ijver (of wakkerheid of blijdschap), matigheid (of soberheid) en ten slotte reinheid (of volmaaktheid)

De basis van de deugden, dat zijn volgens Ruusbroec liefde en gerechtigheid (waarachtigheid / rechtvaardigheid).

De eerste deugd die daaruit voortkomt is ootmoed, en dat zal jullie niet verbazen, want dat hebben we net al gezien bij die vergelijking van de zon in het dal: de mens graaft daar een dal van ootmoedigheid. En vanuit die ootmoedigheid beschrijft Ruusbroec een reeks van uit elkaar voortvloeiende deugden (je vindt ze ook in de inhoudsopgave op blz. 48 genoemd onder het kopje 'Gaat uit', maar ze staan ook op de hand-out): namelijk:

gehoorzaamheid (ofwel vrede), verloochening (of ootmoed), geduld, zachtmoedigheid, goedertierenheid (of goedheid), medelijden (of medevoelen met de medemens), mildheid, ijver (of wakkerheid of blijdschap), matigheid of soberheid en ten slotte reinheid of volmaaktheid.

En wat zegt Ruusbroec in zijn uitleg over de reinheid of volmaakheid? Ik citeer: 'En hierom spreekt Christus: zalig zijn zij die rein zijn van hart, want zij zullen God zien' (Mt. 5;8).

Dat hele proces van geestelijk ziende worden, de komst van Christus in de ziel d.m.v. genade, en die concrete geestelijke groei van de mens door zelfkennis, ontwikkeling van het geweten, vermeerdering van liefde en van al die deugden - dat leidt er uiteindelijk toe dat je God kunt ontmoeten.

Tot zover de ontwikkeling in het Werkende Leven.



De ziel volgens Ruusbroec: wezen, geest en hart


Een vraag die nu opkomt is: in het Werkende Leven wordt steeds gesproken over 'licht dat de ziel in stroomt' of 'de karitate die de wil verhit': maar hoe gaat dat nou in z'n werk? Hoe kan er nou licht de ziel instromen, hoe zit de ziel eigenlijk in elkaar? Ruusbroec vindt zelfkennis heel belangrijk, maar wat of wie is een mens eigenlijk, geestelijk gezien? Wat is een ziel?

Jullie kunnen je nog wel herinneren dat Hadewijch door een engel langs allemaal bomen wordt geleid in het eerste visioen. En de eerste boom is de boom van de zelfkennis. En Hadewijch zegt daar: 'De verrotte wortel van die boom was onze broze natuur, de stevige stam was de eeuwige ziel, en de mooie bloem op de boom was de mooie gedaante van de mens, die zo spoedig kan vergaan'. De boom van de zelfkennis leert Hadewijch dus op de eerste plaats hóe de mens geestelijk gezien in elkaar zit: de mens bestaat uit lichaam en ziel, een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel. Dàt is het begin van zelfkennis.

Nu, Ruusbroec gaat daar veel uitgebreider op in aan het begin van het tweede deel van de Brulocht, het Innige Leven. Want daar zijn we nu beland: bij het Innige Leven. En het eerste wat Ruusbroec daar doet is gaan uitleggen hoe de mens, geestelijk gezien, eigenlijk in elkaar zit. We gaan nu dus kijken naar het mensbeeld van Ruusbroec, of je zou met een hedendaags begrip kunnen zeggen: de 'psychologie' van Ruusbroec. Dit is een heel wezenlijke passage, niet alleen om Ruusbroecs opvattingen over de mens, of de ziel, of de psyche, te begrijpen, maar ook om te begrijpen hoe er contact met God kan plaatsvinden.

We gaan naar blz. 145 onderaan.


Let nu aandachtig op. Een drievoudige eenheid bevindt zich in elke mens natuurlijkerwijze, en die wordt door de goede mensen bovendien ook bovennatuurlijkerwijze bezeten.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 145.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Ruusbroec gaat de psyche van de mens, de menselijke geest, beschrijven en hij zegt: iedereen bezit dit, ieder mens heeft die levende kern, die geestelijke kern. En de geest van de mens, zegt Ruusbroec, is een 'drievoudige eenheid'. De geest van ieder mens bestaat uit drie onderdelen, drie eenheden, die samen één geheel vormen.

Ruusbroec gaat deze drie eenheden nu achtereenvolgens beschrijven, vanaf 147.


De eerste en hoogste eenheid is in God: want alle schepselen hangen in deze eenheid met hun wezen, doordat zij bestaan, leven en in stand gehouden worden en mochten zij op dit vlak van God scheiden, dan vielen zij in het niet en hielden zij op te bestaan.

Deze eenheid is krachtens de natuur zelf wezenlijk in ons, of wij goed zijn of kwaad; en zij maakt ons zonder ons toedoen noch heilig noch zalig. Deze eenheid bezitten wij in onszelf en toch enigszins boven onszelf als een oorsprong en instandhouding van ons bestaan en van ons leven.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 147.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Ja, het is nogal wat wat Ruusbroec hier zegt: hij begint hier de geest van de mens te beschrijven; en ieder mens bestaat geestelijk gezien uit drie eenheden. Maar de eerste van die eenheden, het wezen, 'hangt in God'.

Ieder mens is, volgens Ruusbroec, voortdurend en onlosmakelijk verbonden met God. De psyche van de mens is niet besloten, een afgerond en losstaand geheel, maar in de diepste kern ópen naar de godheid. En door die verbondenheid zijn wij 'levend', voordurend ontvangen wij 'leven' van God (alsof er een onophoudelijk scheppingsproces plaatsvindt, alsof de schepping van God niet ooit in een ver verleden heeft plaatsgevonden en is afgerond, maar dat het nu en altijd plaatsvindt). De mens wordt voortdurend door God in stand gehouden.

In het Middelnederlands staat er:


Die eerste ende die hoochste eenicheit es in Gode; want alle creatueren hanghen in deser eenicheit met wesene met levene ende met onthoude, ende scieden si in deser wijs van Gode, si vielen in niet ende worden te niete.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 147.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Deze eerste eenheid van de menselijke geest die in God hangt, wordt het wezen genoemd.

De menselijke psyche bestaat uit
  • het wezen  (hangt in God)

Dan de tweede eenheid in de menselijke geest:


Een tweede eenheid bevindt zich eveneens van nature in ons: het is de eenheid der hogere vermogens, waarin deze hun natuurlijke oorsprong nemen op 'werkelijke wijze': en dit is de eenheid van de geest of van de gedachte. Het is dezelfde eenheid die in God hangt, maar men beschouwt ze hier actief of 'werkend', als werkzaamheid, en daar als 'wezenlijk' of als wezen; nochtans is de geest in elke eenheid geheel en overdeeld naar de geheelheid van zijn substantie.

Deze eenheidskern bezitten wij in onszelf boven de zintuiglijkheid; en hieruit spruiten de memorie, het verstand en de wil, en heel de kracht waardoor wij vermogen geestelijk te werken. In deze eenheid heet men de ziel: geest.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 147.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


De tweede eenheid noemt Ruusbroec de geest. Maar dat het een tweede eenheid is nuanceert hij meteen: eìgenlijk is het precies dezelfde eenheid als de eerste eenheid, het wezen. Maar het wezen is wezenlijk, en de geest is werkelijk. Het wezen zou je kunnen zeggen is in rust, de geest is 'werkelijck', wat nog niet precies wil zeggen werkzaam, maar hiervanuit kùn je werkzaam zijn. De geest kan ook nog in rust zijn, maar hier ligt de kern, het beginpunt van werkzaamheid van de mens als persoon.

De menselijke psyche bestaat uit
  • het wezen  (hangt in God, wezenlijk, rust)
  • de geest  (werkelijk, begin van werkzaamheid)

De echte werkzaamheid, de activiteit, begint in de vermogens die uit de geest voortkomen: Ruusbroec onderscheidt drie geestelijke vermogens: de memorie, het verstand en de wil. Hiermee kun je geestelijk werkzaam zijn; nou dit zal iedereen wel herkennen: je kunt denken, gevoelens hebben, en ergens naar streven, iets willen.

De menselijke psyche bestaat uit
  • het wezen  (hangt in God, wezenlijk, rust)
  • de geest  (werkelijk, oorsprong geestelijke vermogens)
    • memorie
    • verstand
    • wil

Deze drie vermogens heeft Ruusbroec niet zelf zo bedacht, die vindt je al bij één van de kerkvaders: Augustinus, in de 4de eeuw. Zíjn ideeën over hoe de menselijke geest in elkaar zat werden in de Middeleeuwen gemeengoed en iedere schrijver ging daar vanuit.

Dan de derde eenheid waaruit de psyche of de ziel van de mens bestaat.


De derde eenheid, die wij van nature in ons bezitten, is eigendom of grond van de lichamelijke krachten en heet: eenheid van het hart, dat beginsel en oorsprong van alle lichamelijke leven is. Deze eenheidskern bezit de ziel in het lichaam en in de levende grond of levenscel van het hart, en hieruit vloeien alle lichamelijke werkzaamheden en de vijf zintuigen.

En hier noemt men de ziel: ziel, omdat zij de 'vorm' of het bestaansbeginsel van het lichaam is en het lichaam bezielt, in zover zij het levend maakt en levend houdt.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 147.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Met de derde eenheid, de eenheid van het hart of de ziel, is de mens dus verbonden met het lichaam en deze ziel vormt en bezielt het lichaam. Nog sterker: de eenheid van het hart / de ziel geeft leven aan het lichaam. Doordat de mens op deze wijze met zijn lichaam verbonden is, kan zij/hij door het lichaam heen waarnemen met behulp van de zintuigen.

Kortom, de mens bestaat volgens Ruusbroec, geestelijk gezien, uit drie delen, die samen één geheel vormen:

De menselijke psyche
  • het wezen  (hangt in God, wezenlijk, rust)
  • de geest  (werkelijk, oorsprong geestelijke vermogens)
    • memorie
    • verstand
    • wil
  • het hart / de ziel  (vormt en bezielt het lichaam)

Als ik het om het aanschouwelijk te maken, schematisch op het bord zou tekenen, dan zou ik het zó tekenen: het wezen en de geest zijn twee aspecten van eenzelfde eenheid, wezenlijk en werkelijk (dus een soort cirkel met een horizontaal stippellijntje). Maar het wezen is open naar de godheid toe (dus de bovenkant open naar de goddelijke oneindigheid). Uit de eenheid van de geest komen drie geestelijke vermogens voort (drie streepjes voor memorie, verstand en wil).

En de eenheid van het hart, die het lichaam vormt en bezielt, zou ik, op basis van de beschrijving, tekenen als een soort een geestelijk lichaam. De drie eenheden zijn open naar elkaar, ze vormen immers een 'drievoudige eenheid', drie onderdelen die samen één geheel vormen. Zo zou ik het tekenen, maar ik weet niet natuurlijk of Ruusbroec het schematisch ook zo zag.


wezen geest en ziel ruusbroec

Wezen, geest en ziel volgens Ruusbroec
(schematische voorstelling)
- klik voor vergroting -


Dat je je de eenheid van het hart of de eenheid van de ziel kunt voorstellen met de vorm van een lichaam, is vanuit het middeleeuwse denken niet zo uitzonderlijk. Ook geestelijke schepselen als engelen (met vleugels) en duivels (met hoeven) hadden de vorm van een lichaam, en ook de ziel die het lichaam verlaat kon zo worden afgebeeld - en ook God als persoonlijke God werd voorgesteld met de gedaante van een lichaam (denk aan visioenen van Hildegard). Zie al deze voorbeelden in onderstaande afbeeldingen.


hildegard scivias visioen 1 4 overlijden ziel verlaat lichaam sterven mens naar hemel of hel     hildegard liber divinorum visioen 1 1 persoonlijke god mensachtige gestalte mannelijk vrouwelijk

Links: engelen, duivels en de menselijke ziel die het lichaam verlaat, hebben alledrie een lichaamsachtige gedaante. Rechts: persoonlijke God, mannelijk en vrouwelijk, met de vorm van een lichaam.
Visioenen van Hildegard van Bingen (Sc. 1-4 en LDO 1-1).



Ruusbroec besluit dan op blz. 149:


Deze drie eenheden of eningen bevinden zich in de mens van nature en vormen één leven en één rijk. In de laagste is men zinnelijk-gevoelig en dierlijk; in de middelste is men redelijk en geestelijk; in de hoogste wordt men door God 'wezenlijk' in stand gehouden. En dit is van nature in alle mensen.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 149.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


De mens bestaat dus weliswaar uit drie aspecten, maar is geestelijk gezien één leven, één ik. Wat je 'ik' noemt, 'ik' bestaat uit drie aspecten: ten eerste een wezen dat in God hangt en voortdurend door God in stand wordt gehouden; ten tweede de eenheid van de geest, waar het wezen werkzaam kan worden, waar de geestelijke vermogens een oorsprong hebben zodat je kan denken en liefhebben en willen; en ten derde de eenheid van het hart waarmee je met je lichaam en je lichamelijke zintuigen bent verbonden en waarmee je je lichaam vormt en bezielt.

In de eenheid van het hart ben je dus verbonden met je lichaam, met de stoffelijke wereld. En met het wezen ben je verbonden met God. Het is dus in de eenheid van de geest, daar tussenin, dat je een zelfstandig persoon bent, zelfstandig werkzaam kunt zijn.

We zien hierin ook het middeleeuwse mens- en wereldbeeld weerspiegeld (uit de tweede bijeenkomst): de mens als microkosmos, enerzijds verbonden met het aardse, ondermaanse, sterfelijke, en anderszijds reikend tot het bovenmaanse, het hemelse, het eeuwige.

Je zou kunnen zeggen dat de psyche van Ruusbroec een precieze afspiegeling is van de middeleeuwse kosmologie: het wezen komt overeen met het empyreum, de geest met de sferen van de engelenkoren (beide: het bovenmaanse), en de ziel komt overeen met het ondermaanse, de stoffelijke wereld, het aardse. De drie aspecten van de psyche van de mens, ziel-geest-wezen, vormen samen één geheel, één leven. En de drie grofweg te onderscheiden onderdelen van de kosmos, ondermaanse-engelensferen-empyreum, vormen tezamen ook één geheel, één schepping. Zo zou je de mens als microkosmos heel gedetailleerd kunnen opvatten als weerspiegeling van de kosmos.

Ruusbroec zegt ook wel: in het wezen, dat wezenlijk is, in rust is, dáár bevindt zich het (eeuwige en volmaakte) beeld van God. En in de eenheid van de geest, waar de activiteit is, de werkzaamheid, de mogelijkheid tot geestelijke groei, dáár bevindt zich de (nog onvolmaakte) gelijkenis aan God - dáár kun je aan God gelijk worden door geestelijke groei (dáár 'zijn we nog niet geworden wat we zijn', Hadewijch). Beeld en gelijkenis; wezenlijk en werkelijk; rust en activiteit: daar kom ik volgende week allemaal op terug.

wezen

•  wezenlijk
•  in rust
•  beeld van God
geest

•  werkelijk
•  werkzaamheid
•  gelijkenis aan God


Het schematische mensbeeld, dat ik net op het bord heb getekend, zou je dus in de kosmologie en in de overeenkomst met God kunnen plaatsen. Zo is de mens zeer gedetailleerd een microkosmos (overeenkomend met het bovenmaanse en ondermaanse):

microkosmos kosmos

wezen rust beeld van God boven-maanse empyreum
geest gstl. werk-zaamheid gelijkenis aan God boven-maanse engelen-koren
ziel lichamelijke werkz.   onder-maanse aarde

Zo weerspiegelt de menselijke psyche de gehele kosmos. De geestelijke vermogens (denken, willen) vallen hierbij onder de geest. De lichamelijke zintuigen (zien, horen, enz.) vallen onder het lichamelijke, het aardse. En ook het hebben van gevoelens (blijdschap, angst, woede) vond men 'animaal' (dierlijk) en vielen onder het lichamelijke, de stoffelijke wereld.


Twee korte zijsporen

Naar aanleiding van deze beschrijving van de psyche van de mens door Ruusbroec, wil ik even kort twee zijsporen inslaan.

Ten eerste: in een fragment in de eerste bijeenkomst, het fragment uit het dagboek van de karmelietes van rond 1900, hebben we al een beschrijving gelezen van een openheid naar de godheid in de ziel. Zij schreef:


Tijdens het gebed de derde dag 's avonds ging ik binnen in mijn ziel en het kwam me voor dat ik afdaalde in de duizingwekkende diepten van een afgrond, waar ik de indruk had dat ik door een grenzeloze ruimte omgeven werd.


de karmelietes (rond 1900).


Zij richt dus haar aandacht, haar geestelijke vermogens, niet langer op de buitenwereld, maar ze richt ze naar binnen. En zij ervaart dus in zichzelf een openheid naar de godheid en de goddelijke oneindigheid - maar dan algemeen, ongedifferentieerd geformuleerd ('in mijn ziel'). 'Ik was verzonken in de goddelijke oneindigheid èn deze vulde mij'. Zij ervaart de immanentie van God, God in haar wezen, èn ze ervaart de transcendentie van God, God die boven haar uitstijgt, de goddelijke oneindigheid. Tot zover nog even de karmelietes.


Ik denk dat dit ook een goed moment is (en dit is mijn tweede zijspoor) om even terug te komen op de Broeders en Zusters van de Vrije Geest. Want nu pas kan ik Ruusbroecs kritiek helemaal volgen.

Ook zij keren zich in, richten hun aandacht op hun eigen geest; en ook zij ervaren dan hun eigen wezen, het goddelijke in hun wezen. Maar, zegt Ruusbroec, zij gaan niet door die opening heen! Zij blijven binnen hun wezen en zeggen dan dat zij God hebben ervaren. En dat is ook wel zo, maar zij ervaren God alleen in zoverre die in hun wezen aanwezig is. Dáárom noemt Ruusbroec het een onvolledige mystieke ervaring.

Zij ervaren de immanentie van God, maar niet de transcendentie. En zij maken vervolgens de fout door te beweren dat zij God nu hebben ervaren, dat zij alles van God hebben ervaren, dat dit alles is. Maar zij hebben alleen God ervaren in zoverre die in hun wezen aanwezig is, niet de goddelijke oneindigheid, en ook niet God als persoonlijke Ander, God als persoon. Zij rusten dus in feite in hun eigen wezen.

En de tweede fout die zij maken, zegt Ruusbroec, dat is dat ze dan alleen nog maar willen rusten in hun wezen. Zij willen zich, aan de ene kant, niet meer bemoeien met hun medemens en de maatschappij; willen niet meer groeien in deugden en liefde; en aan de andere kant willen ze ook niet verder op zoek gaan naar God, want ze denken dat ze er al zijn.

Vandaar dat Ruusbroec dit benoemt als valse mystiek en valse ledigheid. Tot zover nog even Ruusbroecs kritiek op de Broeders en Zusters van de Vrije Geest.

Terug naar Ruusbroecs beschrijving van de psyche van de mens of de geest of de ziel van de mens. Deze beschrijving staat helemaal aan het begin van het tweede deel van de Brulocht, het is als het ware het vertrekpunt voor het Innige Leven. Vanaf nu kan Ruusbroec de geestelijk processen en ook het mystieke proces dat plaatsvindt in het Innige Leven heel genuanceerd gaan beschrijven. Hij kan veel preciezer beschrijven wat zich afspeelt op geestelijk niveau dan in het Werkende Leven, en dat zullen we in de laatste bijeenkomst ook gaan zien.



God werkt van binnen uutweert


Nu tot slot nog één zin uit het slot van het onderdeel 'siet' van het Innige Leven. Het is maar één zin; maar dan wel een heel belangrijke zin. Hij staat in de Bloemlezing.

Wat zegt Ruusbroec aan het slot van het onderdeel 'siet'? Hij legt daar uit hóe de genade van God als licht in onze ziel stroomt. Hoe gebeurt dat? Hoe moeten wij ons dat voorstellen? Komt er een soort lichtstraaltje van boven die zich over onze ziel uitstort ofzo? En wat zegt Ruusbroec dan, en ik citeer:


De genade vloeit van binnen uit, niet van buitenaf. Want God is ons meer inwendig dan wij het onszelf zijn, en zijn inwendig drijven en werken in ons is ons meer nabij en inniger aanwezig dan onze eigen werkzaamheid; en daarom werkt God in ons van binnen uitwaarts en de schepselen daarentegen van buiten inwaarts.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 155.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Het is een prachtige zin, en ik denk ook een heel wezenlijke zin; ik zal hem nog een keer lezen, in het Middelnederlands.


Dese gracie vloeyt van binnen, niet van buyten. Want god es ons inwindigher dan wij ons selven sijn, ende sijn inwindich driven ochte werken in ons, natuerlijcke ochte overnatuerlijcke, es ons naerre ende innigher dan ons eyghen wercken: ende daer omme werket god in ons van binnen uutweert, ende alle creatueren van buten inwert.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Wezen, geest en ziel.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 155.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


God werkt 'van binnen uutweert'. God komt niet door onze lichamelijke zintuigen bij ons naar binnen, en komt zèlfs niet door onze geestelijke vermogens (het verstand en de wil) in de ziel naar binnen. Hij komt wel in de geestelijke vermogens, maar van binnenuit. Er is dus duidelijk hier geen sprake van: hier is de mens en daar is God, nee, de mens hangt in God, is in zijn wezen open naar God, in de diepste kern van de mens is God.

Deze beschrijving 'van binnen uutweert', doet denken aan het fragment van Bernardus van Clairvaux (eerste bijeenkomst): "Maar hoewel Hij [het Woord] vaak bij mij binnengekomen is, toch ben ik dat binnenkomen zelf nooit gewaar geworden. (...) Waarlangs kwam Hij dan binnen? Of misschien is Hij niet eens binnengekomen, omdat Hij niet van buiten komt?"

Misschien is dit tekeningetje dat ik op het bord heb getekend ook wel heel misleidend en zou je eerder het wezen moeten tekenen als bolletje, en daaromheen de eenheid van de geest als grotere bol, en de kern, de binnenste kern is dan God. Maar dan zou ik dit dus eigenlijk drie-dimensionaal moeten tekenen, en dat kan ik niet.

Met al die nieuwe informatie die we nu hebben: hoe de psyche van de mens is opgebouwd (de eenheid van het hart, de eenheid van de geest, waar de drie vermogens ontspringen, en het wezen) en met dat hele bijzondere feit dat God van binnenuit 'komt', van binnenuit werkt - met al die nieuwe informatie gaat Ruusbroec opnieuw 'de brudegom comt' beschrijven (oftewel de toeneiging van God naar de mens met genade), maar dan nu in de fase van het Innige Leven. Dat zullen we volgende week gaan lezen.



Afronding


Vandaag zijn we na een laatste passage uit het Werkende Leven verder gegaan naar het Innige Leven. Dit zijn fases die Ruusbroec onderscheidt in de ontwikkeling van de mens, de groei naar God toe, en in elke fase verdiept het proces zich.

•  Ruusbroec beschrijft de dagelijkse komst van Christus (of het licht van Gods genade) in de ziel als de zon die in een dal schijnt. Het dal is de ootmoedige mens met een minnend hart, de twee bergen zijn twee verlangens: een verlangen naar het dienen van God en naar het verwerven van deugden. Een vallei tussen twee bergen wordt meer verlicht (met genade), meer verhit (met liefde) en vruchtbaarder (met deugden en goede werken).

•  Ruusbroec gebruikt geestelijk licht en geestelijke warmte om de inwerking van God op de mens te beschrijven. Het concrete gevolg bij de mens is geestelijke groei: groei van inzicht, naastenliefde, deugden.

•  De basis van de deugden ('dat wat deugt') zijn bij Ruusbroec: liefde en gerechtigheid. Hieruit komt een reeks van andere, uit elkaar voortvloeiende deugden voort, zoals ootmoed, medevoelen, mildheid en uiteindelijk volmaaktheid.

•  Dat hele proces van geestelijk ziende worden, de komst van Christus in de ziel d.m.v. genade, en de concrete geestelijke groei van de mens (door zelfkennis, ontwikkeling van het geweten, vermeerdering van liefde en van al die deugden) - dat leidt er uiteindelijk toe dat je God kunt ontmoeten ('zalig zijn zij, want zij zullen God zien').

•  Zelfkennis begint bij het mensbeeld: wat is een mens, geestelijk gezien, wat is een ziel? In hedendaagse termen: de psychologie, de psyche van de mens.

•  Volgens Ruusbroec bestaat de mens, geestelijk gezien, uit een wezen, een geest en een ziel (of hart). Het wezen is 'wezenlijk': het hangt in God, is open naar de godheid en ontvangt daar onophoudelijk het leven. De geest is 'werkelijk': hier kan geestelijke groei plaatsvinden en hier ontspringen de geestelijke vermogens, die werkzaam kunnen zijn: de memorie, het verstand en de wil. Het hart of de ziel vormt en bezielt het lichaam, geeft leven aan het lichaam.

•  In het wezen bevindt zich het eeuwige, volmaakte beeld van God, in de geest bevindt zich de (nog onvolmaakte) gelijkenis aan God. In de geest kun je aan God gelijk worden door geestelijke groei (maar niet: God worden, die blijft altijd de goddelijke Ander, de Schepper).

•  In een onvolledige mystieke ervaring ('valse mystiek') rust je eigenlijk in je eigen wezen en vindt er geen ontmoeting met God, met de Ander, plaats. Het zet niet aan tot geestelijke groei, groeien van deugden en naastenliefde en het weerhoudt die persoon van verder zoeken naar God, omdat hij denkt dat hij er al is ('valse ledigheid').

•  God werkt van 'binnenuit', van 'binnen uutweert'. Genade vloeit van binnenuit de psyche in en komt dus niet door de zintuigen heen of door de geestelijke vermogens heen in de mens.



Volgende week


Volgende week ga ik verder in op Ruusbroec mensbeeld, in het bijzonder hoe de geestelijke vermogens samenhangen met licht en warmte.

Na de pauze zal ik dan tot slot gaan bekijken op welke manier de mens nu een beeld is van en een gelijkenis heeft met God. Ook zal ik, met een terugblik op enkele grote lijnen, dan de cursus als geheel afronden. Dat volgende week, in de laatste bijeenkomst.

Tot volgende week!



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven   ↑
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >