RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 7b.  Ruusbroec: Om Hem te ontmoeten

Onderwerpen dit uur:
  • 'Om Hem te ontmoeten': gelijkvormig worden aan God en de eenwording
  • Ruusbroec geworteld in het middeleeuwse denken
  • Twee manieren om God te ontmoeten: Hadewijch en Ruusbroec
  • Afronding: 'om hem te ontmoeten' bij Ruusbroec
  • Afronding van de cursus Hadewijch en Ruusbroec:
    Mystiek en Westerse spiritualiteit in de christelijke traditie
    • De mystieke ervaring volgens Hadewijch en Ruusbroec
    • De laat-middeleeuwse Brabantse mystiek



Inleiding


Ik ga in dit laatste uur Ruusbroec afronden en de cursus als geheel afronden. En wat betreft Ruusbroec, heb ik verteld dat hij heel eenvoudig begint en zijn ideeën langzaam maar zeker uitbouwt in de Brulocht. En we zijn nu aanbeland aan het einde van het Innige Leven, dus we komen nu in de diepere lagen, of bij het hoogtepunt, van zijn leer.

In dit laatste uur komen we eindelijk bij de ontmoeting met God terecht, in het onderdeel 'om hem te ontmoeten', aan het einde van het Innige Leven. We zullen zien hoe de geestelijke groei, die in de mens kan plaatsvinden in de eenheid van de geest en de geestelijke vermogens door deugden en (naasten)liefde, samenhangt met de mystieke ervaring.

En dan tot slot, om de cursus af te ronden, zal ik terugkomen op een vraag die ik in de eerste bijeenkomst heb gesteld: wat is mystiek? Na alles wat we deze cursus hebben gelezen en besproken, kunnen die vraag nu uitbreiden: wat hebben we van Hadewijch en Ruusbroec nog over mystiek geleerd? Wat is de mystieke ervaring volgens Hadewijch en Ruusbroec?

En afsluitend kijken we of we daarmee zicht hebben gekregen op een laat-middeleeuwse spirituele traditie. Bestaat er zoiets als Brabantse mystiek?

En daarmee sluiten we dan onze zoektocht door de middeleeuwse mystiek af.



Om Hem te ontmoeten: gelijkvormig worden aan God en de eenwording


Dan zijn we uiteindelijk aanbeland bij het onderdeel 'om hem te ontmoeten' (Innige Leven). Daar geeft Ruusbroec een samenvatting van de hele Brulocht, aan de hand van de zeven gaven van de Heilige Geest.

Aan het begin van deze samenvatting legt Ruusbroec het gelijk worden aan God en de daaropvolgende vereniging in één zin nog verder uit (blz. 289). Hij heeft het daar over alle deugden en over de zin van het je eigen maken van die deugden, en dan zegt hij:


Naar gelang wij God zullen ontmoeten in gelijkvormigheid, zullen wij ook met hem kunnen rusten in eenheid.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Om Hem te ontmoeten.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 289.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Dus: naarmate de mens meer op God gaat gelijken in de eenheid van de geest (door het je eigen maken van deugden en vermeerdering van (naasten)liefde), naarmate de mens gelijkvormiger wordt aan God, is eenheid met hem, in genietende rust, steeds beter mogelijk. Het gaat hier dus niet om de mystieke ervaring, die een mens plotseling kan overkomen, ook al is hij/zij nog niet volgroeid; het gaat hier over de mens die naar God is toegegroeid en aan God gelijkvormig is geworden.

Hierin zit veel overeenkomst met wat Hadewijch schrijft over het ghebreken: door je aardse leven te leven, kun je je deugden en naastenliefde eigen maken, zelfstandig worden, fier worden, God gaan gheliken en 'god met Gode' worden.

Ook komt Ruusbroec in deze samenvatting terug op hóe de psyche van de mens op God gelijkt. Bijvoorbeeld (blz. 295):


Door deze gave trekt de Vader de mens inwendig aan en nodigt hem uit in zijn eenheid (...). En de Zoon spreekt op een geestelijke wijze binnen in hem: "Volg mij tot bij mijn Vader: één ding is nodig". En de Heilige Geest doet het hart opengaan en ontvonken in brandende minne.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Om Hem te ontmoeten.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 295.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Duidelijker kan het eigenlijk niet. De Vader staat voor eenheid; de Zoon staat voor inzicht; en de Heilige Geest voor liefde. En wat gebeurt er met de mens?

Enkele bladzijden later zegt Ruusbroec (blz. 299):


Deze gave bestendigt onze geest in eenheid, zij legt de waarheid open en zij voedt een ruime liefde.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Om Hem te ontmoeten.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 299.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Denk aan het schema 'De mens als beeld en gelijkenis van God' voor de pauze: eenheid; waarheid (of inzicht of wijsheid); en liefde.


     de mens als beeld en gelijkenis van God


psyche
mens

concreet
niveau

geestelijk
niveau

‘psyche’
God


memorie eenheid   Vader
verstand wijsheid gstl. licht Zoon
wil liefde gstl. warmte HG


Het gaat er hier voortdurend om hóe de psyche van de mens op God gelijkt. En hier in zijn samenvatting herhaalt Ruusbroec heel duidelijk dit schema. Door verlichting van het verstand krijgt de mens zelfinzicht en inzicht in God (blz. 305-7). Hierdoor wordt de wil verhit. En hoe verlichter het verstand van de mens is, hoe wijzer de mens is geworden; en hoe verhitter zijn wil is, of hoe groter zijn liefde; hoe meer de mens aan God gelijk is geworden. En hoe meer de mens aan God gelijk is geworden, hoe vollediger de eenwording kan zijn.

Ruusbroec zegt dat prachtig op blz. 309:


God is immers eenvuldigheid in Zijn wezen, klaarheid in Zijn verstand en uitvloeiende algemene liefde in Zijn werken. En hoe meer wij God in deze drie punten gelijkvormig zijn, des te inniger zijn we met Hem verenigd. Daarom moeten wij in onze grond eenvuldig blijven, en alle dingen met een verlichte rede bezien, en bovendien met een mededeelzame liefde in allen overvloeien.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Om Hem te ontmoeten.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 309.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Daarna doet Ruusbroec iets opmerkelijks. Hij vervolgt zijn samenvatting door te zeggen: als de mens zover is gekomen, en zich dan inkeert naar God, dan ervaart hij God als volgt (blz. 311):


Bij dit weder-inkeren doet de ghebrukelijke eenheid van God zich voor als een duisternis en een on-wijze.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Om Hem te ontmoeten.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 311.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


God wordt door de verlichte en verwarmde ziel ervaren als een 'duisternis'. Dit kennen we van Hadewijch. Ook zij beschrijft de a-persoonlijke, grondeloze diepte van God als 'donker', een voor-lichtelijk donker waar het licht uit kan voortkomen.

Hier zegt Ruusbroek over het donker van de godheid:


De afgrond van God roept in zich de afgrond. Dat zijn allen die verenigd zijn met Gods geest in ghebrukelijke minne. Dit inroepen is het overvloeien of uitstorten van een wezenlijke klaarheid.

Deze wezenlijke klaarheid doet ons, bij omhelzing door een grondeloze minne, onszelf vergeten en ontvlieten in de eindeloze duisternis der godheid, en aldus verenigd zonder middel met de geest Gods, kunnen wij God met God ontmoeten, en met Hem en in Hem op blijvende wijze onze eeuwige zaligheid bezitten.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Om Hem te ontmoeten.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 317.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


In dit fragment komen in feite alle elementen terug die we al gezien hebben: de minne-band, het gebruken, het licht en de minne, de eindeloze duisternis van de godheid, een vereniging zonder middel en, wat we van Hadewijch al kennen: God met gode ontmoeten.

Ruusbroec verbindt de goddelijke duisternis met rust, en ook dat kennen we al van Hadewijch; en Ruusbroec verbindt het met de Eenheid (de Vader) van de godheid. Hadewijch liet al zien, dat waar in het goddelijke donker de activiteit begon, licht en warmte ontstonden.

Als ik dan het schema aan ga vullen, dan zit dus bij de Eenheid van God (de Schepper, de Vader) de donkerte en daar zit ook de rust.


     de mens als beeld en gelijkenis van God


psyche
mens

concreet
niveau

geestelijk
niveau

‘psyche’
God


memorie eenheid   Vader: donker/rust
verstand wijsheid gstl. licht Zoon
wil liefde gstl. warmte Heilige Geest


Ruusbroec beschrijft de psyche van de mens nooit met donker; hier zit het eeuwig onderscheid tussen God en mens: namelijk: God als schepper, als oorsprong van alles.

God is werkzaam (of: Christus komt naar de mens, of: God geeft genade) door middel van licht / wijsheid en warmte / liefde; en daarin zie je de geestelijke vermogens van de mens weerspiegeld.

Het verstand is naar de wijsheid van God, en dit wordt op geestelijk niveau beschreven als licht. De wil is naar de liefde van God, en dit wordt op geestelijk niveau beschreven als warmte. (En de memorie, het bewustzijn van de mens, dat is, zou je kunnen zeggen, naar de Eenheid, maar die kan niet worden beschreven met donker).


Ruusbroec beschrijft de geestelijke bruiloft dus geenszins met een beeld van een versierde stad waarin arenden rondvliegen, o nee. Het is voor hem een geestelijke vereniging van God met de mens die geestelijk naar God is toegegroeid (met deugden, geweten, liefde) en aan God gelijkvormig is geworden in het verstand (licht, inzicht) en in de wil (warmte, liefde). Hoe meer de mens aan God gelijk is geworden, hoe vollediger de eenwording kan zijn.

De aanduiding hiervan als bruiloft (die geestelike brulocht) wijst op een affectieve, persoonlijke en gelijkwaardige verbinding, die mogelijk is geworden doordat de mens naar God is toegegroeid, aan God gelijkvormig is geworden.



Ruusbroec geworteld in het middeleeuwse denken


Hoewel dit laatste schema een mooi beeld lijkt te geven van de overeenkomst van de mens en God, lopen er toch een paar dingen scheef in dit schema. Het blijft bijvoorbeeld vreemd dat Ruusbroec de liefde onderbrengt bij de wil - de liefde is een gevoel en de mens heeft nog meer gevoelens (blijdschap, verdriet, wanhoop, weemoed, geluk, enz.) en het lijkt niet logisch dat hij geen geestelijk vermogen voor het hebben van gevoelens benoemt.

Ook is de memorie (het bewustzijn) géén actief vermogen waarmee de mens kan handelen en geestelijk kan groeien - ook benadrukt Ruusbroec dat dat juist anders is dan de Vader, de eenheid van God, omdat daar het donker zit (het voorlichtelijke donker, dat in rust is en waar scheppingskracht in besloten zit). Eigenlijk past het niet echt in het schema van de gelijkenis van de mens aan God.

Iets anders wat onbegrijpelijk is, is dat Ruusbroec uitgebreid schrijft over het geestelijke zien van de mens (we hebben daarover gelezen in de vijfde bijeenkomst: lichamelijk zien versus geestelijk zien). Maar het zien, nadrukkelijk een geestelijk waarnemingsvermogen dus, wordt niet genoemd als een van de geestelijke vermogens (enkel verstand en wil). Hij noemt dat geestelijke zien steeds enkel als eerste stap in het proces 'Ziet, de bruidegom komt, gaat uit, om hem te ontmoeten'. Dus het toeneigen naar God begint uitdrukkelijk met 'geestelijk zien' - maar waarom is dat zien dan geen geestelijk vermogen?

(We hadden dit trouwens ook al gezien bij Hadewijch en Theresia van Avila, in de tweede bijeenkomst over visioenen. Hadewijch beschrijft daar dat ze 'in de geeste', in een engelensfeer wordt opgenomen en daar beelden getoond krijgt door een troonengel; en Theresia schrijft dat ze haar lichaam verlaat en visioenen te zien krijgt 'met de ogen van de ziel').

De indruk wordt gewekt, bij het lezen van de Brulocht, dat Ruusbroec beter uit de voeten had gekund met 'geestelijk zien' als geestelijk vermogen naast het verstand en de wil; en eigenlijk ook 'het gevoel' als vermogen, om de liefde een voor de hand liggende plek te geven.

Waarom houdt Ruusbroec vast aan verstand, wil en het 'onactieve' geestelijke vermogen dat eigenlijk geen geestelijk vermogen is, de memorie (bewustzijn)? Waarom kiest hij er niet voor om vier geestelijke vermogens uit de eenheid van de geest voort te laten komen: zien/waarnemen, verstand, wil en gevoel? Hij heeft het voortdurend over het belang van geestelijk zien en het belang van het gevoel de liefde - waarom noemt hij dit niet als geestelijke vermogens?

Dat komt doordat Ruusbroecs teksten stevig wortelen in de middeleeuwse denkwereld en autoriteiten als de vierde-eeuwse kerkvader Augustinus. Augustinus had gesteld dat de mens drie geestelijke vermogens heeft: memorie, verstand en wil, en iedere middeleeuwer ging daarvan uit.

En in het middeleeuwse denken ging men ervan uit dat zien een lichamelijk vermogen was en dat gevoelens animaal (dus dierlijk) waren. Dus het zien en het gevoel konden dus simpelweg geen hoge, verheven, geestelijke vermogens zijn.

En in zijn godsbeeld gaat Ruusbroec natuurlijk uit van het beeld van de Drie-eenheid, een dogma uit de vierde eeuw. Dus ook daar zit hij vast, in dat geval aan drie Personen.

En er wrikt nog meer bij het beschrijven van de mens als gelijkenis aan God. In zijn latere, en uitgebreidere, tractaat Van den gheesteliken tabernakel (rond 1350) werkt hij de gelijkenis aan God verder uit (in het fragment over de bouwmeesters). En dan gaat er nog meer scheeflopen. Daar beschrijft Ruusbroec vier eigenschappen van God, die hij moet verbinden aan drie Personen van de Drie-eenheid. Vervolgens ook vier vormen van genade (of gaven), die hij dan moet verbinden aan de twee actieve geestelijke vermogens van de mens.

Als je betoogt dat de mens geestelijk gezien geschapen is naar het (voor-)beeld van God, dan wil je natuurlijk dat je de overeenkomsten ook kunt aanwijzen en dat die 'kloppen'. Maar doordat hij voortdurend vastzit aan vaste gegevens als drie personen en twee actieve vermogens, loopt de overeenkomst scheef. In de uiteenzetting in het Tabernakel had Ruusbroec vier geestelijke vermogens en vier goddelijke Personen (inwerkingen) nodig gehad om tot een sluitende overeenkomst te komen van het goddelijke als blauwdruk voor de geest van de mens.

In het Tabernakel voegt hij trouwens ook nog een heel nieuw element toe aan de geestelijke vermogens: hij beschrijft dat de mens deze zowel ingekeerd als uitgekeerd kan gebruiken. Dus bijvoorbeeld het verstand kan zich naar buiten keren: gericht op de wereld, in aandacht voor deugden en goede werken. En het kan zich naar binnen keren: in aandacht voor de waarheid en het licht van de genade.

Je ziet dus heel duidelijk, dat Ruusbroec enerzijds een groot denker is, die zijn inzichten in ongelooflijk detail uitwerkt - maar dat hij anderzijds volledig is geworteld in het middeleeuwse denken, het middeleeuwse wereldbeeld, kerkelijke dogma's, middeleeuwse autoriteiten. En dat dat hem soms beperkt in zijn vrijheid van denken.

In de hedendaagse esoterie zijn er schrijvers te vinden die teruggrijpen op ditzelfde uitgangspunt van geestelijke vermogens, die samenhangen met licht en warmte, maar dat verder, en met meer vrijheid, hebben uitgewerkt. Zij kunnen hierbij teruggrijpen in de voortgang in inzichten van bijv. de psychologie en zitten niet vast aan drie vaste vermogens.

Daar zie je dat het beschrijven van de geestelijke vermogens in termen van licht en warmte, en de overeenkomst daarin met het goddelijke, wel een sluitend beeld oplevert. Ook wordt nog basaler gedefinieerd: wat is eigenlijk geestelijk licht, en wat is eigenlijk geestelijke warmte; waarom zijn dat de twee bouwstenen van de menselijke geest? Het is eenvoudig te zien dat dit, zes eeuwen later, in precies dezelfde spirituele traditie staat. Het is een zijweg, maar ik heb een heel beknopt overzicht hiervan uitgedeeld op een hand-out. Wie wil kan daar dus zelf meer over lezen.



Hand-out - Hedendaagse esoterie
De geestelijke vermogens in samenhang met licht en warmte.



De betekenis van geestelijk licht en geestelijke warmte

De mens bestaat, geestelijk gezien, uit licht en warmte. Maar wat is geestelijk licht, en wat is geestelijke warmte?
- licht is bewustzijn
- warmte is kracht
De mens is daarmee in beginsel een bewuste levenskracht. Deze kracht kan in rust zijn en werkzaam zijn.


Hoe kan de mens werkzaam zijn?

Zowel licht als warmte kunnen vormbaar zijn en vormend zijn. Hierdoor ontstaan vier geestelijke vermogens.

Omdat het geestelijke licht vormbaar is, is de mens in staat tot waarnemen. Omdat het licht vormend is, kan de mens denken. Omdat de geestelijke warmte vormbaar is, is de mens in staat tot gevoelens, het voelen. Omdat de geestelijke warmte vormend is, heeft de mens het vermogen om te willen.

De vier geestelijke vermogens zijn daarom: waarnemen, denken, voelen en willen. Deze vier vermogens kunnen ingekeerd zijn en uitgekeerd zijn.


Geestelijke groei

Geestelijke groei begint bij bewustwording en leidt tot zelfverwerkelijking en geestelijke zelfstandigheid (zelfbewustzijn=bewustzijn=licht, zelfstandigheid=kracht=warmte) op basis van het geweten.

Elk van de vier geestelijke vermogens kan bij geestelijke groei een belangrijke deugd verwerven: waarnemen: aandacht, denken: begrip, voelen: liefde, en willen: geduld.


Schematisch overzicht

geestelijke vermogens mens
deugden
geestelijk
niveau

‘psyche’
God


waarnemen aandacht gstl. licht vormbaar waarnemen
denken begrip gstl. licht vormend denken
voelen liefde gstl. warmte vormbaar voelen
willen geduld gstl. warmte vormend willen


Enerzijds zie je dat dit, zes eeuwen later, aansluit op eenzelfde spiritueel gedachtegoed waarvanuit Ruusbroec schreef. Anderzijds is dit vrijer uitgewerkt (zonder vast te zitten aan drie vaste vermogens of drie vaste personen van kerkvaders of dogma's), waardoor de geestelijke overeenkomst van mens en God niet scheef gaat lopen.

Bron: Geestkunde
Zie de literatuurlijst onder het kopje 'Over mystiek'.



Twee manieren om God te ontmoeten: Hadewijch en Ruusbroec


Om Ruusbroec af te ronden, wil ik ter afsluiting zijn beschrijving van de godsontmoeting vergelijken met die van Hadewijch, zoals we die met name in de tweede bijeenkomst (visioen versus mystiek) hebben gedefinieerd. Het is jullie nu voor en na de pauze ongetwijfeld opgevallen, dat Ruusbroecs en Hadewijchs beschrijving van de godsontmoeting radicaal van elkaar verschillen.

Bij Hadewijch zagen we in alle besproken visioenen steeds eenzelfde lijn. Het begint ermee, dat ze wordt opgenomen 'in een geest' en we hebben gezien, dat daarmee een engelensfeer wordt bedoeld (eerst wordt ze geleid door een troonengel, in latere visioenen door een serafijn, in een nog hogere planetaire of engelensfeer). Zij (of beter: haar ziel) is dus in het bovenmaanse. Na een visioen met beelden valt ze 'buiten de geest' (buiten de engelensferen), dus in het empyreum. Dáár ervaart ze ghebrukelijke eenwording met God, een on-middellijke ervaring zonder beelden.

Bij Ruusbroec niets van dat al. Voor de pauze zagen we, dat de mens in de geestelijke vermogens door God wordt aangeraakt (er stroomt licht in het verstand en hitte in de wil) en vervolgens nog een treetje hoger, in de eenheid van de geest wordt aangeraakt, het gherinen (het verstand schiet te kort, de minne maakt één met God). En zojuist, bij het onderdeel 'om hem te ontmoeten', lazen we dat 'de mens inwendig wordt aangetrokken' en dat God 'onze geest doordringt'.

Dus waar bij Hadewijch de hele kosmologie het toneel is van haar geestelijke ervaringen, en waar je zou kunnen zeggen dat zij langs de engelenkoren opklimt tot het empyreum - zo daalt Ruusbroec steeds een treetje dieper af in de ziel, de geest en het wezen van de mens. Waar Hadewijch God in de kosmos ontmoet in de hoogste hoogte, ontmoet Ruusbroec God inwendig in de diepste diepte.

Deze beide verschillende manieren om God te ontmoeten, zagen we ook al in de allereerste bijeenkomst (Wat is mystiek?). Net zoals Hadewijch schreef bijvoorbeeld Teresia van Avila: 'Het is zo, dat de geest werkelijk het lichaam schijnt te verlaten. (...) Het komt haar voor alsof ze helemaal in een ander land was, heel verschillend van dat waarin wij leven. Dit is een visioen met beelden'. En je zou zelfs kunnen denken aan hoe de Italiaanse dichter Dante Alighieri (in La divina commedia, rond 1310-1320) een tocht beschrijft door de middeleeuwse hellen en hemelen; opklimt langs alle planetaire sferen en uiteindelijk het empyreum, God zelf als drie stralende cirkels, aanschouwt. Hier dient het bovenmaanse dus, de kosmos omgeven door het oneindige goddelijke empyreum, als toneel van de opgang naar en ontmoeting met God.

Maar ook de andere manier om God te ontmoeten, zoals bij Ruusbroec, lazen we bijvoorbeeld al bij de anonieme karmelietes: 'Gedurende het gebed de derde dag 's avonds, ging ik binnen in mijn ziel en het kwam me voor dat ik afdaalde in de duizingwekkende diepten van een afgrond, waar ik de indruk had dat ik door een grenzeloze ruimte omgeven werd. Dan voelde ik de tegenwoordigheid van de heilige Drievuldigheid'. Hier dient het inwendige dus, het wezen open naar de goddelijke oneindigheid daarachter, als toneel van de opgang naar en ontmoeting met God.


Hoe kunnen we nu deze twee heel verschillende opgangen naar God en godsontmoetingen, toch samenbrengen en logischerwijze begrijpen? Dan ga ik met jullie nog voor een allerlaatste keer terug naar de middeleeuwse kosmologie, het middeleeuwse wereldbeeld uit de tweede bijeenkomst.

In het middeleeuwse en door en door christelijke wereldbeeld, is de kosmos ruwweg onder te verdelen in drie onderdelen: de aarde, het ondermaanse (de vergankelijke, stoffelijke wereld, de woonplaats van de mens); de planetaire sferen en het firmament (de sferen van de engelenkoren, die aarde en empyreum verbinden); en het empyreum (die de gehele kosmos omhult, de woonplaats van God). Maar vergeet niet: God omhult de schepping, maar doordringt ook de hele schepping. God is dus transcendent aanwezig (boven alles uitstijgend), maar ook immanent aanwezig (in alles).

Vervolgens, zullen jullie je herinneren, werd de mens gezien als een micro-kosmos: een afspiegeling van de hele kosmos. De mens was ook vergankelijk en onvergankelijk, ondermaans en bovenmaans - lichaam en ziel. Ruusbroec beschreef de ziel van de mens daarna zeer gedetailleerd, als: de ziel (vormt en bezielt het lichaam), de geest (werkelijk, oorsprong geestelijke vermogens) en het wezen (hangt in God, wezenlijk, rust). Met de ziel is de mens verbonden met het lichaam, de stoffelijke, vergankelijke wereld. En met het wezen met God, de geestelijke, eeuwige wereld.

Je zou kunnen zeggen, dat ziel-geest-wezen (tezamen één levend 'ik') een afspiegeling zijn van ondermaanse-engelenkoren-empyreum (tezamen één schepping). Er zijn hierin per 'laag' overeenkomsten aan te wijzen. Bijvoorbeeld in de eenheid van de geest stroomt de genade als licht in het verstand en wekt daar inzicht op; en in de engelensferen geven engelen boodschappen van God, inzichten, door aan de mens, en wekken zo inzicht op. En bijvoorbeeld in het wezen bevindt zich het volmaakte beeld van God, het hangt in God en is open naar de oneindige godheid; en het empyreum is de woonplaats van God, en deze strekt zich uit als een goddelijke zee of oneindigheid.

Ook beschreef Ruusbroec zeer uitdrukkelijk, dat God 'van binnen uutweert' in de mens inwerkt. Genade vloeit van binnenuit, niet van buitenaf. Dus niet door de lichamelijke zintuigen heen, zelfs niet door de geestelijke vermogens heen. Het stroomt daar wel in, maar van binnenuit, vanuit de diepste kern van de mens.

Je zou het verschil in opgang naar God, dus kunnen verklaren vanuit het middeleeuwse idee van de kosmos en de microkosmos. De opgang en godsontmoeting zoals Hadewijch die beschrijft, vindt plaats in de kosmos, in de schepping. En de opgang en godsontmoeting zoals Ruusbroec die beschrijft, vindt plaats in de microkosmos, inwendig in de mens. Bij beide kom je uit bij God: ofwel in het empyreum, ofwel in het wezen dat open in God hangt - deze zijn immers een afspiegeling van elkaar.

Zo bestrijken Hadewijch en Ruusbroec samen het gehele middeleeuwse mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld. Hoe verschillend zij ook schrijven, zij schrijven vanuit dezelfde achterliggende denkwereld en geloofswereld. Daarmee zal ik nu onze ontdekkingstocht door het werk van Ruusbroec gaan afronden, en tot slot in het laatste half uurtje de cursus als geheel gaan afronden.



Afronding: 'om hem te ontmoeten' bij Ruusbroec


Dit laatste uur zijn we aan het einde van het Innige Leven gekomen, bij het onderdeel 'om Hem te ontmoeten'. Hier beschrijft Ruusbroec het belang van geestelijke groei voor de eenwording met God.

•  Naarmate de mens gelijkvormiger wordt aan God (hoe verlichter zijn verstand en hoe verhitter zijn wil), is eenheid met Hem, in genietende rust, steeds beter mogelijk. Maar ghebruken (rusten in God) en werken (werken in de wereld) moeten in evenwicht zijn.

•  Er blijft ook altijd een onderscheid tussen God en mens: God als Schepper, Vader, transcendente oneindigheid, donkerte. Door geestelijke groei kan een mens goddelijk worden, maar niet God worden.

•  In het werkzame deel van God zie je de geestelijke vermogens van de mens weerspiegeld (daar is God het voor-beeld van de mens). Christus als licht / wijsheid in het verstand, de Heilige Geest als warmte / liefde in de wil.


     de mens als beeld en gelijkenis van God volgens Ruusbroec

psyche
mens

concreet
niveau

geestelijk
niveau

‘psyche’
God


memorie eenheid   Vader: donker/rust
verstand wijsheid gstl. licht Zoon
wil liefde gstl. warmte Heilige Geest




Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de reeks fragmenten die we in het kader van deze cursus konden lezen uit Die geestelike brulocht van Jan van Ruusbroec.

Ik hoop dat jullie deze drie bijeenkomsten een beeld hebben gekregen van de inhoud van dit tractaat. Het is ongelooflijk gestructureerd en gedetailleerd. In de drie graden die hij onderscheidt, het Werkende, Innige en Godschouwende Leven, beschrijft hij steeds eenzelfde proces van zien, een komst, een uitgaan en een ontmoeting - en uiteindelijk een geestelijke bruiloft tussen Christus en de menselijke ziel, oftewel geestelijke eenwording van God met de aan-God-gelijkvormig geworden ziel.

Vooral nadat hij de psyche van de mens heeft beschreven (wezen, geest en ziel), kan hij met grote precisie beschrijven hoe de geestelijke opgang van de mens naar God, de toenemende gelijkenis aan God, zich voltrekt.

Anders dan Hadewijch, heeft Ruusbroec een uitgebreide mystieke leer geformuleerd. Niet alleen in de Brulocht, maar ook in de rest van zijn omvangrijke oeuvre, zoals in het Tabernakel, Van den blinckenden steen en het Boecsken der verclaringhe. De grote overlevering, vele vertalingen en brede, internationale verspreiding van al zijn teksten, geeft een indruk van het gezag dat Ruusbroec tijdens zijn leven, en de eeuwen erna nog, moet hebben gehad.

Met Ruusbroec heeft het Nederlandse taalgebied een mysticus van uitzonderlijk formaat - slechts met zeer weinigen vergelijkbaar. Opmerkelijk blijft dat hij in feite niet spreekt over zijn eigen mystieke ervaringen, hij wordt nergens persoonlijk. Hij veralgemeniseert ze, om geestelijke processen tot in het kleinste detail te verduidelijken.

Ruusbroec toont zich ook daarin dus de geestelijke leidsman. Hij wil onderricht geven aan het gewone volk, in voor iedereen begrijpelijk Middelnederlands, over een spiritualiteit, waarin de persoonlijke religieuze ervaring in het middelpunt staat: geestelijk naar God toegroeien in de 'gelijkenis'; met liefde, deugden, het geweten en goede werken; en uiteindelijk de godsontmoeting.




Mystiek en Westerse spiritualiteit in de christelijke traditie


Om de cursus af te ronden wil ik nu, ter afsluiting in dit laatste half uurtje, nog twee vragen stellen. Allereerst wil ik terugkeren naar een van de beginvragen van deze cursus: Wat is mystiek? Wat is christelijke, theïstische mystiek?

We kunnen het antwoord op die vraag nu namelijk uitbreiden met alles wat we in de afgelopen zeven bijeenkomsten van Hadewijch en Ruusbroec hebben gelezen en besproken. Dus: wat hebben Hadewijch en Ruusbroec ons te zeggen over de mystieke ervaring?

En de tweede vraag ter afsluiting is: wat heeft het lezen van zowel Hadewijch als Ruusbroec ons geleerd over de spiritualiteit die hier in de Lage Landen bloeide in de dertiende en veertiende eeuw? Is er een lijn te ontdekken tussen deze twee mystici? Welk beeld geven zij ons van de laat-middeleeuwse Brabantse mystiek?


(N.B.: Voor de goede orde: ik heb in deze cursus natuurlijk maar een zeer beperkt deel van hun teksten gelezen en behandeld - we hebben onze blik dus verruimd, maar er is vanzelfsprekend nog meer over hen te vertellen).



De mystieke ervaring volgens Hadewijch en Ruusbroec


De eerste vraag die ik in de eerste bijeenkomst al had gesteld, 'Wat is mystiek', kunnen we nu in de zevende bijeenkomst uitbreiden naar de vraag: wat is de mystieke ervaring volgens Hadewijch en Ruusbroec?

Een mystieke ervaring is kortweg te omschrijven als een godsontmoeting of godservaring: een mysticus ervaart het aanwezig zijn van God. Ik heb in de eerste bijeenkomst vijf kenmerken van de mystieke ervaring op een rijtje gezet. Ik ga om te beginnen terug naar dat rijtje: wat kenmerkt een mystieke ervaring?

      Mystiek is een godsontmoeting/godservaring
  • on-middellijk
  • bewustwording
  • het overkomt je
  • aanwezigheid in de ziel (immanent): eenheid
  • alles overstijgend (transcendent): oneindigheid

Deze plotselinge ervaring, die je onverwacht kan overkomen, zien we ook bij Hadewijch en Ruusbroec. Hadewijch begint meerdere visioenen dat zij zomaar, op een 'pinksterdag' of 'tijdens een mis', wordt opgenomen in een 'geeste', in een engelensfeer (bijv: 'Ik lag, op een kerstnacht, verslagen neer en ik werd in de geest opgenomen', visioen XI). Het overkomt haar op dat moment.

En Ruusbroec schrijft over de voorlopende (of voorkomende) genade, die ieder mens van nature bezit, en die als ghemeyne minne en ghemeyn licht de ziel van ieder mens verlicht - en in dat licht 'geeft God zichzelf'. Voor ieder mens lijkt de mogelijkheid om je hiervan bewust te worden, daarmee open te liggen.

Zo'n plotselinge mystieke ervaring kan meteen al leiden tot (een aanzet tot) zelfkennis en godskennis. Hadewijch ziet bijvoorbeeld in, dat de mens bestaat uit natuur, ziel en lichaam (een sterfelijk en onsterfelijk deel) en beschrijft hoe zij God ziet en ervaart, waarbij het wezen van God 'minne' is. Ruusbroec zet nog uitgebreider zijn mensbeeld uiteen: de mens als wezen, geest en ziel, met de werkzame geestelijke vermogens, waarbij de mens beeld en gelijkenis van God is.

Maar in deze passieve ervaring, en de kennis, de verlichting die eruit voortkomt, zit nog geen enkele verdienste. Zowel Hadewijch als Ruusbroec maken uitgebreid duidelijk dat van veel groter belang is, wat er voortkomt uit deze ervaring: een ontwikkeling, 'volwassen' en 'fier' worden, noemt Hadewijch het, 'vruchtbaarheid', noemt Ruusbroec het - geestelijke ontwikkeling, geestelijke groei. Er zijn zelfs hoogleraren die stellen, dat een onverwachte mystieke ervaring die je overkomt, je nog géén mysticus maakt. De ervaring vraagt om een reactie, om actie. Pas als die ervaring je verandert, je aanzet tot verandering, je aanzet om een morele, ethische weg te gaan, een weg van ontwikkeling, dan word je een mysticus.

Zowel Hadewijch als Ruusbroec getroost zich veel moeite om uitgebreid en gedetailleerd te schrijven over wat je zou kunnen noemen een weg van geestelijke groei.

Hadewijch schrijft uitgebreid over het ghebreken: je aardse leven leven, mens zijn met de mens. In het ghebreken kan de mens geestelijke groei doormaken. Zij beschrijft deze weg onder meer met: het je eigen maken van de deugden; je liefde laten groeien (naastenliefde en godsliefde); volwassen/volgroeid worden, zelfstandig worden; fier worden; het goddelijke in jezelf verwezenlijken ('god met Gode worden', 'zo wordt men god en blijft men het voor eeuwig').

Ook bij Ruusbroec blijft een mystieke ervaring niet beperkt tot het passief ervaren van Gods aanwezigheid: verlichting van de rede en verhitting van de wil, leiden bij hem altijd tot vruchtbaarheid: het je eigen maken van deugden, ontwikkeling van je geweten, vermeerdering van je liefde en het doen van goede werken.

In het wezen van de mens, stelt Ruusbroec, bevindt zich het beeld van God (eeuwig en onveranderlijk, reeds volmaakt), maar in de geest van de mens bevindt zich de -nog onvolgroeide- gelijkenis aan God (het verstand, inzicht, geestelijke licht is gelijk aan de Zoon; de wil, liefde, geestelijke warmte is gelijk aan de HG). Door je te ontwikkelen op de vier hiervoor genoemde punten van die 'vruchtbaarheid', door geestelijke ontwikkeling, kan de mens gelijk worden aan God (in de eenheid van de geest).

En Ruusbroec zegt dan: hoe meer de mens op God gaat gelijken in de eenheid van de geest, hoe meer de mens in God kan rusten in genietende eenheid. Hoe meer de mens aan God gelijk is geworden, hoe vollediger de eenwording kan zijn. De kern van die mystieke vereniging is de liefde. De liefde probeert God niet bevatten, de liefde, de wederzijdse liefde, heeft een verbindende werking, een verenigende werking. Liefde maakt één.

Kortom: er is een onderscheid te maken tussen enerzijds de plotselinge mystieke ervaring, die iedereen kan overkomen, ook als je nog jong en (geestelijk) onvolwassen bent. En anderzijds een 'volgroeide vereniging' met God, een vereniging met God als eindpunt van een weg van geestelijke ontwikkeling, waarbij de mysticus naar God is toegegroeid (met deugden, liefde, het geweten en goede werken). Waarbij je 'god met Gode' bent, waarbij je niet alleen het 'beeld' van God hebt in je wezen, maar ook de 'gelijkenis' aan God hebt vervolmaakt in de eenheid van de geest.

Maar ook deze geestelijk volgroeide mysticus wordt niet passief: rusten in God (het ghebruken) en werken in de wereld moeten in evenwicht zijn. Ook wordt een mysticus in de Westerse affectieve mystiek nooit God en gaat nooit op of teniet in God: God blijft altijd de goddelijke Ander, de Schepper - want anders zou een minneband niet meer mogelijk zijn.

Het spirituele, mystieke gedachtegoed van deze twee middeleeuwse christelijke mystici, heeft dus duidelijk een positief, optimistisch mensbeeld en geeft een sterk ethische leefrichtlijn. De meeste religies benadrukken de geestelijke, eeuwige kant van de mens (de ziel), de mens als schepsel van God, de geruststelling van een eeuwig leven, een hemel en zetten de mens in de kern aan tot een ethisch, deugdzaam leven, naastenliefde en (wat wel de kern van alle religies wordt genoemd:) compassie (mededogen).

In die zin sluit het christelijke mystieke gedachtegoed naadloos aan bij het christelijke of kerkelijke geloof. Tegelijk wordt de persoonlijke beleving in het middelpunt geplaatst, zonder kerk of priester als middelaar, en de gelijkwaardige relatie tussen de volgroeide mens en God, de verbinding vanuit affectie, minne.

Ook biedt mystiek gedachtegoed de ruimte om radicaal af te wijken, kritiek te geven of verzet te bieden tegen dogma's, een gevestigde geloofsleer of kerkelijke gebruiken. Dit is mogelijk door te verwijzen naar een andere autoriteit dan de kerk of de theologie, namelijk die van een engel, een apostel, Christus of God zelf. Zo zijn de middeleeuwse mystieke teksten geworteld in, en functioneren ze binnen het middeleeuwse wereldbeeld en de maatschappelijke en religieuze omstandigheden van de late Middeleeuwen.

Het lezen van de mystiek van Hadewijch en Ruusbroec heeft dus een belangrijk element toegevoegd aan het rijtje kenmerken van de mystieke ervaring: het onderscheid tussen de plotselinge mystieke ervaring en de volgroeide vereniging met God. Tot zover de vraag: Wat is mystiek, wat is mystiek volgens Hadewijch en volgens Ruusbroec?



De laat-middeleeuwse Brabantse mystiek


De afgelopen zeven bijeenkomsten, veertien uur, hebben we mystieke teksten van Hadewijch en Jan van Ruusbroec gelezen vanuit hun cultuur-historische context. Wat heeft het ons opgeleverd om deze twee Brabantse mystici beiden te lezen? Is er een lijn tussen hen te ontdekken, of verschillen zij te veel van elkaar? Is er zoiets als een overkoepelende spiritualiteit in de laat-middeleeuwse Lage Landen?

De verschillen tussen hen beiden zijn zeer groot. Hadewijch schreef in de eerste helft van de dertiende eeuw; Ruusbroec ruim een eeuw later, in de veertiende. Zij was een begijn, een semi-religieuze, die in de wereld leefde; hij was priester, een man van de kerk. Zij schreef meeslepende visioenen en persoonlijke brieven; hij diep doorwrochte tractaten met een gedetailleerde mystieke leer. Zij was een vrouw, die in de volkstaal schreef voor leken, voor vrouwen; hij een man, die weliswaar ook in de volkstaal schreef, maar naast vrouwen en leken ook nadrukkelijk kloosterlingen, kluizenaars (geschoolde priesters) als doelgroep had.

Wat levert het op om hen na elkaar te lezen? Zijn er overeenkomsten, lijnen die doorlopen, geeft het ons zicht op een laat-middeleeuwse Brabantse mystiek?

Het is duidelijk dat Hadewijch en Ruusbroec binnen eenzelfde spirituele traditie schrijven: het affectief en persoonlijk beleefde geloof dat in de twaalfde eeuw in noord-Frankrijk ontstond, met name rond de Cisterciënzerorde, de bedelorden en iemand als Bernardus van Clairvaux (die daarvoor de liefdesliederen van het Hooglied als uitgangspunt nam), en ook anderen als Willem van Saint-Thierry.

Beiden staan op een tal van onderdelen zeer duidelijk in de lijn van deze 12de-eeuwse spiritualiteit: het armoede-ideaal (denk aan Ruusbroecs kritiek op kloosters en kerk); het zelf uitdragen van de boodschap van Christus (Hadewijch in haar vriendinnenkring); verinnerlijking van het geloof, een subjectief beleefde godsdienst, de mystieke liefdesbeleving als godskennis; en een affectief beleefd geloof.

De affectieve mystiek, bruidsmystiek, liefdes-mystiek die daarbij in de 12de eeuw in Frankrijk ontstaat, is dan iets geheel nieuws en leidt tot nieuwe beelden om de verhouding tussen en de vereniging van de geestelijk volgroeide mens en God te beschrijven: het geestelijke huwelijk (denk aan Hadewijchs bruidsvisioen, en de titel Die geestelike brulocht) en geestelijke vriendschap (bijv. Br28). Dit zijn beelden van verbinding, affectie, liefde en ook van gelijkwaardigheid.

De laat-middeleeuwse Brabantse mystiek is dus bruilofts-mystiek of liefdes-mystiek, beter misschien nog minne-mystiek. Zoals we net al zagen, kan de mens zich geestelijk ontwikkelen (d.m.v. deugden, geweten, liefde en goede werken) en zo opgroeien tot God, waarna een gelijkwaardige verbinding of vereniging mogelijk is geworden. Het beeld van vriendschap of een bruiloft geeft dit geestelijke ideaal van uiteindelijke gelijkwaardigheid en wederzijdse (verenigende) liefde weer. Het is het beeld van de volgroeide mystieke ervaring.

De kern van de Brabantse mystiek is de verenigende, wederzijdse liefde tussen God en de geestelijk volgroeide mens.


Binnen dit Bernardijnse, 12de-eeuwse ideaal hebben Hadewijch en Ruusbroec natuurlijk ook hun eigen stem, hun eigen inbreng, inzichten, accenten, hun eigenheid.

Bijvoorbeeld het verrassende beeld van het goddelijke donker bij Hadewijch: dit voor-lichtelijke donker kan in beweging komen als een 'wieling', een draaikolk, en daar waar dit het krachtigst beweegt, ontstaat vuur, warmte en licht. En die beweging, die schepping, ontstaat door het ghebruken in God zelf, de binnen-goddelijke liefde.

Ook is zij uitgesproken over de fierheid: God wil niet dat zij voor hem knielt. Als je de weg naar God gaat, door het ghebreken, je de deugden en liefde eigen maakt, en je zo God gaat gheliken, dan kun je God met opgeheven hoofd, niet knielend, fier, tegemoet.

En hoewel Hadewijch geen vastomlijnde leer heeft geformuleerd, is wel heel duidelijk dat de kern van haar mystiek kortweg minne is. Zowel het wezen van God (V6) als het wezen van de mens (Br29) is minne, al moet de mens het nog tot ontwikkeling brengen door middel van de deugden.


De eigenheid van Ruusbroec binnen de laat-middeleeuwse Bernardijnse en Brabantse spiritualiteit ligt allereerst in de ongelooflijk gedetailleerde uitwerking en diepgang van zijn mystieke gedachtegoed. Bij hem geen vaagheden als 'de mysticus werd verlicht', of 'er viel licht in de ziel' - nee, hij beschrijft nauwkeurig hoe de ziel in elkaar zit, waar er licht in valt, waar dit vandaan komt en wat het betekent.

Meteen in het oog springt bijvoorbeeld zijn precieze uiteenzetting van de mens als ziel, geest en wezen, waarbij het wezen in God hangt en open is naar de godheid. Ook werkt hij de genade van God gedetailleerd uit: genade vloeit als licht in het verstand en wekt daar waarheid/inzicht op; en het vloeit als warmte in de wil en wekt daar liefde op.

Een ander voorbeeld van zijn diepgang is de beschrijving van de mens als Gods beeld en gelijkenis, waarbij de mens op God kan gaan gelijken in de eenheid van de geest: het verstand, het inzicht en geestelijk licht zijn naar de Zoon; de wil, de liefde en geestelijke warmte zijn naar de Heilige Geest.

En tot slot verklaart Ruusbroec het belang van de minne voor de Brabantse, of Westerse, mystiek. Met het verstand kan de mens streven naar God, liefde maakt één met God. Wederzijdse liefde heeft een verbindende werking, liefde maakt één. De kern van de mystieke ervaring.


Hiermee zijn ook een aantal verschillen met andere geloofsovertuigingen duidelijk aanwijsbaar.

Veel geloofsrichtingen en (Oosterse) spiritualiteit en filosofieën hebben het over het belang van 'verlicht worden' - maar dat is niet genoeg voor deze Brabantse mystiek. De mens moet verlicht worden met inzicht èn verhit raken met liefde. De 'verlichte mens' zou dus worden: de verlichte en verwarmde mens.

Hoewel Hadewijch en Ruusbroec schrijven over het ghebruken en het rusten in God, wordt een mysticus bij hen nooit passief. Het doel is nimmer je terugtrekken uit de wereld, stilzitten, mediteren. Genade, geestelijke groei of een mystieke ervaring leiden juist tot vruchtbaarheid: toename van de deugden, het geweten, de goede werken en de naastenliefde. Rusten en werken moeten in evenwicht zijn.

En ook is er geen enkele sprake van opgaan in een 'Al', verdwijnen in God, tot niets worden, te niet gaan. De mens blijft altijd zelfstandig tegenover God, die goddelijke Ander - anders zou de wederzijdse liefde niet meer mogelijk zijn. Daarmee is de verenigende, wederzijdse liefde tussen God en de geestelijk volgroeide mens de kern van de Brabantse mystiek.



Veel gestelde vragen, hand-outs en bijlagen bij de cursus


Enkele veel gestelde vragen zijn als bijlagen aan deze cursus toegevoegd. Het gaat om enkele vragen die te ver voeren om in de lopende tekst van de cursus op te nemen; en enkele vragen die tot het geloofsdomein behoren en daardoor buiten het kader van deze cursus vallen.

Als literatuurhistoricus heb ik de teksten gelezen en besproken als historische, religieuze literatuur in hun cultuur-historische context. Ik heb me daarom beperkt tot de vragen: geloofde een middeleeuwer dat visioenen en mystieke ervaringen echt en waar waren?, en hechtten middeleeuwse gelovigen belang aan het gedachtegoed van een mysticus? Op die beide vragen luidt het antwoord zonder twijfel 'ja'.

Bij de vgv geef ik toch een aanzet tot een mogelijk antwoord op uiteenlopende vragen als: wat betekenen mystieke teksten nog voor heden? Heeft het zin om oude religieuze teksten nog te lezen? Hoe zou het christelijke geloof eruit hebben gezien als het inhoudelijk door vrouwen was vormgegeven? En hoe is het monotheïsme eigenlijk ontstaan - en hoe is het vanuit het nabije oosten door heel Europa verspreid?

Daarnaast zijn hier enkele hand-outs te vinden, die te uitgebreid waren om in de lopende tekst op te nemen. Miniaturen geven een kijkje in het gewone, dagelijkse leven in de europese Middeleeuwen, en enkele liedjes brengen het Middelnederlands tot klinken.

Veel gestelde vragen, hand-outs en bijlagen bij de cursus.



Afsluiting


Ik hoop dat jullie in de afgelopen zeven bijeenkomsten een beeld hebben gekregen van de spiritualiteit binnen het Christendom in de Middeleeuwen: de mystieke ervaring, visioenen, het mensbeeld, het godsbeeld, de minne als kern van de mystieke ervaring, de verhouding tussen mens en God, de overeenkomst tussen mens en God, en de mogelijkheid tot geestelijke groei, naar God toegroeien.

De middeleeuwse denkwereld vormt mede de basis van onze huidige cultuur en ik denk dat de religieuze geschriften uit de Middeleeuwen, en in het bijzonder de Middelnederlandse teksten van Hadewijch en Ruusbroec, het waard zijn om te blijven worden gelezen en bestudeerd.

Ik wil jullie bedanken voor jullie aandacht en jullie aanwezigheid de afgelopen weken!



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Veel gestelde vragen, hand-outs en bijlagen bij de cursus

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten   ↑




<     >