RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 3b.  Hadewijch: wegen naar God

Onderwerpen dit uur:
  • Visioen VI:  Hadewijchs godsbeeld
  • Visioen XI-XII:  het goddelijke donker
  • Visioen I:  de weg langs de deugden
  • Visioen VIII:  de weg van de minne



Inleiding


Vorige week hebben we na de pauze het zesde visioen van Hadewijch gelezen en uitgebreid besproken. Maar één visioen lezen uit zo'n heel oeuvre is natuurlijk een beetje magertjes om een goed beeld te krijgen van wat Hadewijch probeert uit te drukken over haar geloofswereld.

Vandaag zullen we daarom meer uit de visioenen gaan lezen, allereerst gaan we kijken naar een opmerkelijke beschrijving die Hadewijch toevoegt aan haar godsbeeld.

Daarna lezen we teksten over de wegen, die Hadewijch volgens haar visioenen zou moeten gaan. In de laatste bijeenkomst over Hadewijch, volgende week, zullen we zien, hoe Hadewijch die wegen integreert in haar leven op aarde en waar ze toe zouden moeten leiden.



Hadewijchs godsbeeld


Ik sluit aan waar ik vorige week was geëindigd: we zagen dat de geestelijke ervaring in het zesde visioen uiteen viel in twee delen: het visioen en de mystieke ervaring. Voor de beschrijving van het godsbeeld viel dat, overeenkomstig daarmee, uiteen in twee vragen: hoe heeft Hadewijch God gezien; en hoe heeft zij God ervaren?

Wat opviel bij de kenmerken van God, die daarbij naar voren kwamen, is dat deze overeen kwamen met de kenmerken van de mystieke fragmenten uit de eerste bijeenkomst (Wat is mystiek?). Hadewijch beschrijft God in het zesde visioen als persoonlijk (een menselijke figuur met een gezicht en handen) en als a-persoonlijk (als een grootheid, als iets alles omvattends); als transcendent en tegelijk als immanent: alles overstijgend èn in alles aanwezig. Verder beschreef zij God als licht en kreeg zij zelfkennis en godskennis.

Bij het ghebruken in het 6de visioen, de eigenlijke godservaring, beschreef Hadewijch de natuur van God, het wezen van God, als minne, als liefde. Dat vinden we in het schema terug bij de 'werkzaamheid' van God, maar dat moeten we dus nuanceren: Hadewijch beschouwt de liefde als een wezenlijk kenmerk van God, het wezen van God, niet alleen maar als iets waarin God zich kan uiten.

God is licht en liefde, èn uit zich in licht/inzicht en warmte/liefde. Of, zoals Ruusbroec zegt over het licht dat God als genade in de mens laat stromen: 'in dit licht geeft God zichzelf' (Werkende leven, blz. 69).

Maar over het algemeen zie je dus dat de beschrijvingen van het 6de visioen geheel overeenkomen met het mystieke godsbeeld dat we al uit de andere mystieke teksten hadden gehaald: de persoonlijke èn a-persoonlijke God.

     Het 'zijn' van God:

a-persoonlijk, oneindig persoonlijk, Ander
transcendent immanent
Eenheid Drie-heid (of: mnl-vrl)
rust werkzaamheid ↴

     De werkzaamheid van God:

licht warmte
inzicht liefde


Ter aanvulling lezen we nu delen uit het 11e en 12e visioen van Hadewijch. Na de stralende goddelijke figuur die we tot nu toe in beschrijvingen zijn tegengekomen, brengt Hadewijch hier een totaal onverwacht kenmerk van God naar voren: het goddelijke donker.

We zullen proberen te begrijpen wat de betekenis daarvan is en welke plek het inneemt in het bovenstaande schema.



Visioen XI en XII:  het goddelijke donker


We lezen r. 1 t/m 13 van het elfde visioen in de Bloemlezing.


Ik lag, op een kerstnacht, verslagen neer en ik werd in de geest opgenomen. Daar zag ik een wieling [draaikolk], dieper dan diep, wijd en heel donker. In deze wieling die zo wijd was, waren alle dingen besloten, heel vast en heel dwingend.

Die donkerte verlichtte en doorzag alles. Die diepte van de wieling was zo grondeloos en zo hoog, dat niemand er bij kon geraken. Ik laat nu terzijde hoe zij eruit zag, want het is niet het ogenblik om daarover te spreken.

Ten eerste kan ik het niet goed onder woorden brengen; het is immers onzegbaar. En ten tweede heb ik er nu geen tijd voor, want bij wat ik daar zag behoort nog veel meer. Dat was de gehele macht van onze Geliefde.


Hadewijch, visioen XI (r. 1-13).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen XI (Mnl. en hertaling).


Dit, deze donkere draaikolk, is de gehele macht van de geliefde, van God, zegt Hadewijch. Op het eerste gezicht lijkt dit een heel vreemde beschrijving: een donkere draaikolk is nou niet echt wat je je voorstelt bij God. Wel herkennen we een aantal elementen uit ons schema.

Bijvoorbeeld de wijdheid komt hier terug, de oneindigheid, grondeloosheid, het allesomvattende. Sommige mystici beschrijven die oneindigheid ook wel als een zee; Hadewijch beschrijft hier een draaikolk. Een draaikolk impliceert beweging. Blijkbaar is er in die zee, in die oneindigheid die God is en die door bijvoorbeeld Ruusbroec door rust wordt gekarakteriseerd, ergens een punt, een kolk, waar de zee in beweging komt. Deze draaikolk zou dan als het ware een overgang zijn van het linker rijtje, waar rust is, naar het rechter rijtje, waar werkzaamheid is.

De wieling is (volgens r. 2 en 3) dieper dan diep, maar tegelijkertijd (r. 8) ook heel hoog! Maar het meest verwonderlijke is wel (in r. 3) dat Hadewijch dus beschrijft dat deze grondeloze wieling 'donker' is. Dat is iets heel nieuws: in de eerste bijeenkomst hadden we al wel kenmerken gezien als licht en ook vuur en warmte, maar donker is juist de afwezigheid van licht, en klinkt ook bijna negatief, somber.

Maar dan, vanaf r. 6, komt er nòg iets verwonderlijks, iets verbazingwekkends, er staat: dit donker 'verlichtte en doorzag alles': het donker verlichtte alles. Nu is Hadewijch bijna niet meer te volgen. Donker dat verlicht? Wat staat er precies in het Middelnederlands? Ik zal het hele fragment lezen.


Ic lach op enen kerstnacht tenen male, ende wart op ghenomen inden gheeste. Daer saghic enen overdiepen wiel, ende enen widen, ende overdonker. ende in dien wiel. die soe wiit was. So was alle dinc besloten. so vaste. ende so na bedwonghen.

Dat donkere verlichte. ende dore sach alle dinc. Die ongrondeleke diephiet vanden wiele was so hoghe datter nieman toe en mochte gheraken. Ic late nu varen hoe ghedane hi was. want daer en es nu gheen tijt af te sprekene.

In caent niet wel te worde bringhen. dats een. Want hets onseggheleec. Dander es. dats nu gheen stade en es. want daer vele toe behoert. dat ic daer sach. Dat was die gheheele moghentheit ons liefs.


Hadewijch, visioen XI (r. 1-13).


Het staat er echt, in r. 6: 'dat donkere verlichte alle dinc'.

Nu moeten jullie weten dat Hadewijch in haar teksten twee termen gebruikt om donker mee te beschrijven: 'deemster' en 'donker'. 'Deemster' is het afwezig zijn van licht, de ziel is afgescheiden van God en bevindt zich daardoor in het deemster, duister. 'Donker' gebruikt Hadewijch in de visioenen consequent om een aspect van het goddelijke mee te beschrijven. Meestal gebruikt ze het in combinatie met 'diep': diep en donker. Donker is een goddelijke donkerte waar het licht uit ontstaat, als het ware een 'voorlichtelijk' donker.

donker   deemster
voorlichtelijk, goddelijk donker   afwezigheid van God/licht

Om hier een beetje meer duidelijkheid over te krijgen, wil ik even het 12de visioen van Hadewijch erbij pakken. Aan het begin van het 12de visioen geeft Hadewijch een soortgelijke beschrijving van God. Hier ziet ze God als een persoon, op een schijf, en daaronder ziet ze het goddelijke als a-persoonlijk, als een draaikolk, een wieling, die donker is. Maar nu legt ze een veel duidelijker verband tussen het donker en het eruit voortkomende licht.

Ik lees het begin van visioen 12.


Op een driekoningendag werd ik tijdens de mis in de geest opgenomen en aan mezelf onttrokken. Ik zag toen een stad: groot, ruim, hoog en versierd met al wat volmaakt is.

Midden in die stad zat Iemand op een ronde schijf die zich voordurend openbaarde en in verborgenheid weer sloot. En die daar boven op de schijf zat, stil was die daar gezeten. Binnen in de schijf echter, daar draaide Hij almaar door, met een vaart onvoorstelbaar. En de kolk waarin de schijf zich bewoog - de schijf waar Hij in draaide - was zo ongehoord diep en zo donker, dat niets, hoe huiveringwekkend ook, daarmee vergeleken kan worden.

Men kon zien dat de binnenkant van de schijf bovenaan uit allerhande mooie gesteenten bestond die de kleur van gelouterd goud hadden en onderaan, waar ze zeer donker was en zich zo snel bewoog, daar geleek ze op vreselijke vlammen die hemel en aarde verslinden.


Hadewijch, visioen XII (r. 1-18).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen XII (Mnl. en hertaling).


Het lijkt er hier op, dat het licht ontstaat door beweging. Waar de kolk het krachtigste beweegt, helemaal onderaan, daar ontstaan vlammen, licht. Het licht ontstaat niet zomaar in dat donker, het komt voort uit beweging, uit kracht. Blijkbaar bestaat het goddelijke donker uit een kracht die in beweging kan komen en zich dan kenmerkt door licht en vuur, licht en warmte.

Het 'zijn' van God dat we (op het bord) schematisch hadden weergegeven, kan dus worden aangevuld met kracht (midden erboven). God is een kracht en dat is de gehele macht van de geliefde, van God, zegt Hadewijch. Deze kracht kan in rust zijn en wordt dan gekenmerkt door donker (in het linkerrijtje). En deze kracht kan in beweging zijn en kenmerkt zich dan door licht en warmte (in het rechter rijtje).

     Het 'zijn' van God:
kracht  
a-persoonlijk, oneindig persoonlijk, Ander
transcendent immanent
Eenheid Drie-heid (of: mnl-vrl)
rust werkzaamheid
donker licht en warmte

Bij deze twee visioenen, het 11de en 12de, moet ik altijd denken aan het begin van Genesis, waarin wordt beschreven hoe God de schepping tot stand bracht. De allereerste regels van Genesis luiden letterlijk zo:


In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed / was op de afgrond, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: "Er zij licht", en er was licht.


Genesis 1:1-3.


Afhankelijk van welke vertaling je neemt, is er sprake van een vloed of een afgrond; maar bij beide sluiten mystieke beelden heel mooi aan. Er is dus een vloed, of een afgrond, en daar heerst duisternis en ledigheid. Dan spreekt God. En in zijn woorden zit scheppingskracht besloten. Als God spreekt, als God in beweging komt, als God zijn wil uit of in werking zet, dan komt er licht. Door te spreken, door te willen, door in beweging te komen, ontstaat het licht uit de duisternis.

'Dat donkere verlichte alle dinc' zegt Hadewijch in het 11de visioen. Op het eerste gezicht een verbazingwekkend beeld. Maar het heeft een heel wezenlijke betekenis voor haar godsbeeld. Dat donker is bij haar een goddelijk donker, dat als een draaikolk in beweging kan komen, waardoor er licht ontstaat.


Tot zover Hadewijchs godsbeeld, dat in het zesde visioen duidelijk overeenkwam met het rijtje kenmerken dat we al in een schema hadden gezet - en waaraan ze in het elfde en twaalfde visioen dit opmerkelijke element toevoegt: het goddelijke donker waaruit het licht kan voortkomen.



Visioen I:  de weg langs de deugden


Maar de visioenen bevatten niet uitsluitend godsbeschrijvingen. In het zesde visioen (vorige week) zagen we al dat Hadewijch allerlei manieren van leven aanschouwt, hoe mensen zich op verschillende manier tot God verhouden. Ik ga nu twee visioenen lezen en bespreken, waarin allebei een weg wordt beschreven die naar God leidt.

Dit zijn heel andere aspecten van deze visioenen, die niet vrijblijvend zijn. Naast de onverwachte mystieke ervaring, die je overkomt, en het zien en ervaren van God, de beschrijvingen van het godsbeeld - komen we nu bij datgene waar zo'n mystieke ervaring toe aanzet. De mystica wordt aangespoord tot een bepaalde ethiek, levensinstelling, moreel gedrag, inzet tot geestelijke groei. Tot het integreren van de boodschap in de visioenen, in het gewone, aardse leven.

We lezen dan in de Bloemlezing, visioen I. In het eerste visioen laat een engel Hadewijch een weg zien door een boomgaard. Elke boom heeft een betekenis en de weg leidt tot een duidelijk doel. Het visioen is te lang om in zijn geheel te lezen (380 regels), maar we zullen een aantal bomen met Hadewijch 'meewandelen'.

Waarschijnlijk is dit 1ste visioen ook echt één van de eerste visioenen die Hadewijch heeft beschreven, ze schrijft tenminste dat ze nog jong is en hier nog aan het begin van haar geestelijke ontwikkeling staat. Ik zal het begin van het 1ste visioen lezen.


Het gebeurde op een zondag, oktaafdag van pinksteren. Men bracht me ongemerkt Ons-Heer [de hostie] aan mijn bed, omdat ik innerlijk mijn geest zo hevig aangetrokken voelde, dat ik me uiterlijk niet genoeg in handen had om onder de mensen te komen.

Innerlijk verlangde ik ernaar genietend één te zijn met God. Daarvoor was ik echter te jong en te weinig volwassen. Ik had er me namelijk nog niet genoeg moeite voor gegeven en er nog niet genoeg voor geleefd: nog was het aantal mijner levensdagen, vereist om tot zulk een hoge waardigheid te geraken, niet voltooid. Dat werd mij daar toen aangetoond, en ook nu lijkt het me zo te zijn.

Toen ik Ons-Heer [de hostie] ontvangen had, ontving Hij mij bij zich en zo dat Hij mij met al mijn vermogens opnam, buiten elke aandacht voor al wat vreemd was aan dit ene: Hem in eenheid te genieten.

En ik werd geleid naar een beemd, naar een uitgestrekte vlakte die heette de weidsheid der volmaakte deugden. Daar stonden bomen waar ik naartoe geleid werd. En mij werd hun naam meegedeeld en de betekenis ervan.


Hadewijch, visioen I (r. 1-20).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


De belangrijkste boodschap uit deze passage is de tweede alinea (r. 7-13). Ik zal die nog eens lezen in het Middelnederlands:


Ende dat eyschen dat ic van binnen hadde, dat was om een te sine ghebrukelike met gode. Daer was ic te kinsch toe ende te onghewassen [onvolwassen].
Ic en hadder niet ghenoech toe ghepijnt noch gheleeft int ghetal van soe hogher werdecheit alse daer toe behoerde. Ende als mi daer wel vertoent wart doen, ende mi noch wel scijnt.


Hadewijch, visioen I (r. 7-13).

In: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Hadewijch schrijft dat ze nog aan het begin staat van haar geestelijke ontwikkeling, ze is 'te kinsch ende te onghewassen' (te kinds en onvolwassen), ze is nog niet gegroeid, nog niet volgroeid, nog niet volwassen (wassen betekent 'groeien'; volwassen betekent 'volgroeid'; hier in de geestelijke betekenis).

Zij wordt dan door de engel der Tronen over een vlakte gevoerd waar allemaal bomen staan, en elke boom stelt een deugd voor. De troonengel leidt Hadewijch dus langs een heel aantal deugden. En dit is helaas een te lang verhaal om helemaal te lezen, maar om een indruk te krijgen zal ik vier fragmenten lezen uit die tocht langs de bomen die allemaal deugden verbeelden.

Even terzijde, het woord 'deugd' verwijst tegenwoordig naar een voortreffelijke ethische of morele karaktereigenschap of gedraging. Maar in de Middeleeuwen kende men nog niet onze latere, negentiende-eeuwse 'burgerlijke deugden' (zuinigheid, braafheid, vlijt, netheid, enz. - die tot doel hadden de negentiende-eeuwse stedelingen in de groeiende, arme volkswijken, in te tomen tot brave burgers). Het is een breder begrip. Het woord was afgeleid van 'deugen', een deugd is dus eenvoudigweg: dat wat deugt.

Ik lees verder vanaf r. 21: de eerste boom (de eerste deugd dus) in de boomgaard van de volmaakte deugden.


De eerste boom zijn wortel was verrot en erg broos, maar de stam was bijzonder stevig. En daar bovenop stond een lieflijke mooie bloem, zo onvast echter dat, als er een storm opstak, de bloem eraf zou vallen en verdorren.

Die mij leidde was een engel, een van de Tronen, en zij hebben de gave van onderscheid. Juist die dag was ik tot zijn hoogte opgegroeid en ik had verkregen dat hij mij zou behoeden en op al mijn wegen vergezellen.

En de engel sprak: "Mens, versta en begrijp wat deze boom is". En ik verstond het, toen hij mij liet zien dat dit de kennis van onszelf was. De verrotte wortel was onze broze natuur, de stevige stam de eeuwige ziel en de mooie bloem was de mooie gedaante van de mens die zo spoedig en in één ogenblik vergaat.


Hadewijch, visioen I (r. 21-36).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Ik zal de deugden die in dit visioen aan bod zullen komen op het bord schrijven. En de eerste deugd die de engel aan Hadewijch laat zien is dus de zelfkennis.

Deze zelfkennis, kennis van de mens, is een beeld waarin de mens bestaat uit drie onderdelen: een wortel, een stam en een bloem. Dit wil zeggen dat de mens uit drie te onderscheiden delen bestaat: een natuur, een ziel en een lichaam. Dit mensbeeld past duidelijk in het algemene middeleeuwse mens- en wereldbeeld (de mens is een microkosmos, bestaande uit ziel en lichaam). Hadewijch breidt dit echter uit naar drie onderdelen: natuur, ziel en lichaam. Dit werkt Ruusbroec later nog veel preciezer uit, daarover later meer.

De allereerste deugd is dus: zelfkennis. Je kunt dus pas aan deze geestelijke weg beginnen, als je, als eerste stap, ervan uitgaat dat de mens lichaam en ziel is.

Verder met het eerste visioen, de weg door de boomgaard met de deugden. De tweede boom verbeeld de nederigheid. De derde en vierde boom, die samen verstrengeld zijn, zullen we weer gaan lezen, vanaf r. 52.


Daarop leidde hij mij verder naar waar een grote forse boom stond met grote brede bladeren. En de engel sprak weer tot mij: "Gij machtige en sterke, die de machtige en sterke God overwonnen hebt - van bij de aanvang van Hem die zonder begin was - en die met Hem de eeuwigheid voor eeuwig bemachtigen zult, lees en versta".

En ik las en verstond. Op elk blad stond geschreven: 'Ik ben de kracht van de volmaakte wil, niets kan mij ontgaan'.

En daarbij stond een boom met veel takken. Hij was groot en had al zijn takken met die van de andere boom verstrengeld. En de engel sprak weer tot mij: "Gij die inzicht hebt, geleid als ge wordt door de rede, door de rede van de grote God, lees en versta de wijze les welke deze boom, die door de andere heengroeit, leert".

En ik zag dat er op elk blad te lezen stond: 'Ik ben de gave van onderscheid, zonder mij kan men niets doen'.


Hadewijch, visioen I (r. 52-67).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Na deze twee, de volmaakte wil en het onderscheid, komt Hadewijch bij een uitzonderlijk mooie boom die de liefde voor God verbeeldt. Dan komt ze bij de wijsheid, bij het geduld en bij de trouw. Dan zijn we ondertussen ruim honderd regels verder en dan zal ik weer een stukje lezen, namelijk vanaf r. 162.


Toen leidde hij mij verder tot in het midden van de wijde vlakte waarin wij wandelden. Daar stond een boom met de wortels omhoog en de kruin naar beneden. Die boom had veel takken. Van de onderste takken die de kruin vormden, was de eerste het geloof, de tweede de hoop; daarmee beginnen de mensen.

En de engel sprak tot mij: "O meesteres die deze boom opklimt van het begin tot het einde, tot in de diepe wortels van de onbegrijpelijke God, versta dat dit de weg is die de beginnelingen gaan en die de volmaakten moeten blijven gaan".

En ik begreep dat dit de boom was van de ervaring van God, die men aanvangt in geloof en in liefde voltooit.


Hadewijch, visioen I (r. 162-173).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Dat is de laatste deugd die de engel haar laat zien: de ervaring van God, die men in geloof begint en in liefde voltooit.

Nu ga ik nog een aanvulling geven op deze lijst met deugden die nu op het bord staat, want in het 12de visioen noemt Hadewijch al deze deugden opnieuw, maar dan voegt ze er nog twee aan toe, namelijk de naastenliefde en de vrede.

De (belangrijkste) deugden volgens Hadewijch zijn dus:

    Deugden:
  • zelfkennis
  • nederigheid
  • krachtige vrije wil
  • gave van onderscheid (inzicht)
  • liefde voor God
  • wijsheid
 
  • geduld
  • trouw
  • ervaring van God (van geloof tot liefde)
  • naastenliefde
  • vrede

En nu zullen jullie in deze deugden wellicht de passage uit de brief van voor de pauze herkennen. Dat was de 29ste brief, waarin Hadewijch zei:


Toch heb ik met de mensen geleefd, hen in alles dienend met mijn werken. (...) Ik voelde de nood aan van elk mens: met de naastenliefde voelde ik hun nood aan (...) en met de wijsheid voelde ik de genadigheid aan.


Hadewijch, brief 29 (r. 61 e.v.).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 29 (Mnl. en hertaling).


Hier zie je twee van die deugden dus terug: Hadewijch probeert te leven vanuit naastenliefde en wijsheid, dus blijkbaar probeert ze wat ze van de engel in haar visioenen heeft geleerd, in de praktijk te brengen, toe te passen in haar leven. En je ziet dus ook dat de visioenen en de brieven niet los van elkaar staan, ze gaan uit van hetzelfde gedachtengoed.

Terug naar het eerste visioen. De engel heeft nu al die deugden aan Hadewijch getoond en Hadewijch heeft ze allemaal begrepen. En dan leidt de engel haar tot God. Jullie zullen een aantal elementen herkennen uit andere visioenen. We lezen vanaf r. 191.


En ik keerde mij af van hem [de engel] en ik zag een kruis voor mij staan. Gelijk kristal was het, maar helderder en witter. Er doorheen kon men een grote wijdheid waarnemen. En vóór het kruis zag ik een zetel staan die op een schijf geleek en die er lichtender uitzag dan ooit de zon in al haar klaarste kracht.

Onder de schijf stonden drie zuilen. De eerste was gelijk brandend vuur. De tweede leek wel gemaakt van het soort steen dat topaas heet. Die bestaat uit goud en zoiets als de helderheid van de lucht en de kleur van alle stenen draagt hij in zich. De derde van amethist, die het purper heeft van de roos en het viooltje.

En midden onder die schijf bevond zich een wieling [draaikolk] die zo vreselijk kolkte en zo verschrikkelijk was om aan te zien, dat hemel en aarde daardoor met verbazing en angst zouden worden geslagen.

(207) De zetel die op een schijf geleek, dat was de eeuwigheid. De drie zuilen waren de drie namen waaronder de bannelingen die ver van de minne verwijderd zijn, Hem verstaan. De zuil die op vuur gelijkt, is de naam van de heilige Geest. De zuil die op topaas gelijkt, is de naam van de Vader. De zuil die op amethist gelijkt, is de naam van de Zoon. De diepe wieling die zo vreselijk donker is, dat is het verborgen stormen van de goddelijke genieting.


Hadewijch, visioen I (r. 191-216).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Hadewijch geeft eerst een beschrijving van wat ze heeft gezien: een kruis, een zetel in de vorm van een schijf en daar onder drie zuilen. En in de laatste alinea die we net lazen (vanaf r. 207), geeft Hadewijch uitleg van wat ze zag: de schijf, de zuilen en de wieling.

De zetel of schijf (in r. 207), die we al eerder hebben gezien in Hadewijchs beschrijvingen van God, betekent de eeuwigheid.

Dan de betekenis van de drie zuilen (r. 208-213): deze staan voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het is nogal wat wat Hadewijch hier beweert: de drie Personen zijn namen waarmee bannelingen, die ver van de minne verwijderd zijn, God proberen te begrijpen. Met die bannelingen bedoelt zij waarschijnlijk de geleerden en de theologen van haar tijd, die over God schrijven als drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Blijkbaar schiet het beeld van de drie-eenheid voor Hadewijch te kort - het is een beeld voor wie nog ver van God af staat. Doordat deze bannelingen de weg van de minne nog niet zijn gegaan, zijn ze waarschijnlijk in haar ogen geestelijk nog onvolgroeid en staan als on-volwassen kind tegenover God-de-Vader. Ook in het achtste visioen zullen we straks zien, dat Hadewijch soms vindt dat de theologen van haar tijd te kort schieten.

En tot slot licht ze ook de 'wieling' (die we net al zagen in visioen XI en XII) hier verder toe. We zagen net al, dat er in het donker vuur/licht ontstond door beweging. Hier verklaart Hadewijch vervolgens de oorsprong van die beweging: deze storm is de 'godleke ghebrukelecheit', de goddelijke genieting, het binnen-goddelijke 'ghebruken', de diepe, sacrale liefdesbeleving inwendig in de godheid. Hier gebruikt Hadewijch het woord ghebruken (het intens, liefdevol ervaren van de goddelijke liefde) dus niet om de vereniging tussen mens en God weer te geven, maar om de 'godleke ghebrukelecheit', de liefde in God zelf aan te geven.

Hadewijch zegt hier dus dat die wieling, het 'verborgen stormen' is van die 'godleke ghebrukelecheit'. Dus het goddelijke komt in beweging door interactie tussen de goddelijke Personen (Vader, Zoon Heilige Geest), of zouden andere mystici zeggen, door interactie tussen de mannelijke en de vrouwelijk God, of het mannelijke en vrouwelijke in God. Daaruit ontstaat de scheppingskracht; daaruit ontstaat licht en warmte, inzicht en liefde.

Hierna gebeurt er iets vreemds, vanaf r. 229. Daar begint de eigenlijke mystieke ervaring. God, 'mijn lief' zegt Hadewijch, laat zichzelf begrijpen en voelen. Dat kennen we van mystieke ervaringen: God laat zijn wezen en zijn aanwezigheid voelen.

Maar dan gebeurt er iets vreemds, laten we de passage lezen vanaf r. 229.


En mijn Geliefde gaf Zichzelf aan mij, en zó dat ik Hem kon begrijpen en voelen. Maar toen ik Hem zag, viel ik voor zijn voeten neer. Ik zag immers heel de weg waarlangs ik nu tot Hem geleid was en ik begreep ook dat er me nog zeer veel te doen stond om daarnaar te léven.

En Hij sprak tot mij: Sta op, want gij zijt in Mij opgestaan daar waar gij zonder begin zijt, geheel vrij en niet-gevallen.


Hadewijch, visioen I (r. 229-235).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen I (Mnl. en hertaling).


Even tot hier. God wil niet dat Hadewijch voor hem knielt: sta op, gij zijt zonder begin in mij, geheel vrij en niet gevallen. Dit is wat Hadewijch in haar latere teksten 'fierheid' noemt. Als je geestelijk volgroeid bent, door alle deugden, de (naasten)liefde en de liefde voor God, dan kun je God, letterlijk, met een opgeheven hoofd tegemoet.

Maar daarvoor moet je wel eerst een lange weg gaan: 'Ik zag immers heel de weg waarlangs ik nu tot hem geleid was' (dus de weg langs al die deugden, waar de engel Hadewijch langs had geleid: de zelfkennis, de nederigheid, de krachtige vrije wil, de gave van onderscheid / het inzicht, de liefde voor God, de wijsheid, geduld, trouw en ten slotte de ervaring van God, die men 'in geloof begint, en in liefde voltooit'); 'Ik zag heel de weg waarlangs ik nu tot hem geleid was en ik begreep dat me nog zeer veel te doen stond om daarnaar te leven'.

Hadewijch krijgt dus wel een mystieke ervaring, in r. 229, maar ze beseft tegelijkertijd dat ze nog een lange weg te gaan heeft, dat ze nog niet naar God toe is gegroeid.

Als je dus het visioen in z'n geheel overziet dan zie je heel duidelijk wat Hadewijch hier leert. De engel laat haar al die deugden zien, en de weg langs die deugden leidt tot God. Maar Hadewijch beseft maar al te goed dat zij zich die deugden nog niet eigen heeft gemaakt, in zichzelf tot onwikkeling heeft gebracht. En ze beseft terdege hoe lang die weg naar God is, hoeveel inspanning die vereist. En dan begrijp je ook de beginregels van dit visioen: 'ik was te kinds en te onvolwassen om gebrukelike één te zijn met God, ik had me er nog niet genog moeite voor gegeven en er nog niet naar gelééfd'.



Visioen VIII: de weg van de minne


In het eerste visioen laat een engel aan Hadewijch dus een weg zien langs deugden, en die weg leidt tot God. Er is nog een visioen waarin er wegen naar God leiden, vijf wegen deze keer. We zullen daar nu de belangrijkste passages uit gaan lezen.

In het achtste visioen ontmoet Hadewijch, 'in den geeste', in een van de engelensferen, een man die zich tijdens zijn leven bezig hield met theologische kwesties en mensen geloofsondericht gaf. Hadewijch noemt hem een 'kimpe' (een 'kampvechter', een 'voorvechter') iemand dus die zich heeft gemengd in theologische discussies.

Deze man, deze kimpe, laat Hadewijch vijf wegen zien die naar God leiden. Vier ervan legt hij uit, maar de vijfde kan hij niet aan haar uitleggen. Naar aanleiding daarvan levert Hadewijch heldere kritiek op de tekortkomingen van 13de-eeuwse geestelijken, waarmee zij ook de achtergrond van haar visie op geloof laat zien.

Ik zal drie passages uit het 8ste visioen lezen. Ik lees vanaf het begin.


Ik zag een berg die hoog en breed was en er onuitsprekelijk mooi uitzag. Vijf wegen klommen tegen de edele berg op en zij leidden alle tot de hoogste plaats die daar boven was. Maar zij gingen hoog en hoger en nog hoger en nog eens hoger en dit op zo’n manier dat de berg zelf de hoogste en totale weg was en dat hij ook het wezen zelf was dat daar helemaal boven zat.

En ik werd opgenomen en die berg opgeleid. Daar zag ik een aanschijn van eeuwig ghebrukenisse waar al die wegen in uitlopen en waarin allen die die wegen volbracht hebben, één worden.

Iemand leidde mij daar op en liet zich aan mij zien. En toen ik boven was, sprak hij tot mij: "Kijk, hoe ik een overwinnaar ben, machtig voor dat waarachtige aanschijn dat alles doorziet en de volkomen diensten doorstraalt. Het leert volledige wetenschap over God en inzicht en rijkelijk schenkt het al wat er te genieten valt in heel de volle smaak der kennis. Het is mij aan te zien, dat ik een overwinnaar ben: zie hoe ik de tekenen draag van degene die alles overwint en zeggenschap heeft over dat wat alles is en wat hemel, hel en aarde dienen.

Deze wegen ben ik opgeklommen, zo hoog als maar mogelijk is, en ik geleid u. Ik ben voor u een betrouwbare getuige van de vier wegen. Maar de vijfde, die de uwe is, zal God u tonen. Hij heeft hem u gezonden en zendt hem u".


Hadewijch, visioen VIII (r. 1-22).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VIII (Mnl. en hertaling).


Hadewijch ziet dus een berg met vijf wegen die omhoog lopen. Bovenop die berg zit God, als een aanschijn van ghebrukenisse, maar de hele berg zelf is ook God ('dat hij [de berg] ook het wezen zelf was', r. 5). En de vijfde weg, dat is de berg als geheel zelf ('dat de berg zelf de hoogste en totale weg was'). Dus over de berg lopen vier wegen omhoog, de berg zelf is het wezen van God, en de vijfde, de hoogste, weg is de berg zelf.

Een man, die zich later zal voorstellen als de kimpe, leidt haar langs deze wegen de berg op, helemaal naar boven. Daar vindt hij 'volledige wetenschap over God' en 'inzicht' en 'de volle smaak der kennis'. Het is betekenisvol dat hij hier beschrijvingen noemt die te maken hebben met een intellectuele benadering: kennis over God, volledige wetenschap.

Op deze vier wegen, zegt hij dan, kan ik u helemaal tot bovenaan begeleiden. Maar de vijfde zal God u zelf tonen (de vijfde weg, die bestaat uit de gehele berg, Gods wezen). En dat doet God dan, we lezen verder vanaf r. 23.


Daarop toonde hij mij verder dat onuitsprekelijk mooie aanschijn. Het zag eruit als een grote vurige vloed, wijder en dieper dan de zee. En toen hoorde ik een krachtige stem die uit de vloed tot mij sprak: "Kom en wees zelf de hoogste weg, levend zoals zij die hem volmaakt volgen, die namelijk met korte uren al die lange uren inhalen.

Uw nooit-voldaan zijn in de minne, dat heeft u op de meest verheven weg naar het zaligende één-zijn [ghebruken] met Mij gebracht. Daarnaar heb Ik vanaf het begin van de wereld gehaakt en gij hebt er al dikwijls met pijnlijke begeerte voor betaald - en dat zult ge nog doen. Dit gemis van wat men boven alles begeert en dit raken van Mij die onvatbaar blijft, dat is het korte uur dat alle lange uren overtreft.

Dat is ook de weg die naar mijn natuur leidt en waarlangs Ik tot Mezelf gekomen ben en van Mezelf ben uitgegaan. En langs die weg ging Ik uit van mijn Vader naar u en de uwen en kwam Ik weer van u en de uwen terug tot mijn Vader. Met Mezelf heb Ik u ook dit uur gezonden en gij moet het, met Mij, doorgeven aan de uwen".


Hadewijch, visioen VIII (va. r. 23).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VIII (Mnl. en hertaling).


Hadewijch ziet God hier als een onuitsprekelijk mooi aanschijn en een vloed, wijder en dieper dan de zee (een persoonlijke en a-persoonlijke God). En de stem uit die vloed zegt dan iets heel opmerkelijks: "Kom en wees zelf de hoogste weg".

Dit is de weg van de onophoudelijke liefde, het nooit-voldaan zijn in de minne, en God zegt: je moet die weg niet gaan, je moet die weg zijn. Tegelijk is deze weg de gehele berg, het gehele wezen van God - zij moet deze weg, deze berg, dit wezen zijn. Een goddelijk wezen zijn.

Let op: ook de andere vier wegen (de intellectuele wegen van wetenschap, inzicht en kennis over God) leiden helemaal tot de top, helemaal tot God. Maar de wegen gaan wel 'hoog, hoger en nog hoger', waarbij de vijfde weg de hoogste weg is. Bovendien is dit de weg die niet door de kimpe, maar wel door Hadewijch begaan wordt; de weg van de liefde is dus bij uitstek kenmerkend voor haar, wordt alleen door haar uitgedragen.

Hadewijch bewandelt deze weg van het nooit-voldaan zijn in de minne - en daarnaar, zegt God, heeft Hij 'vanaf het begin van de wereld gehaakt'. Daarmee benadrukt dit visioen het enorme belang van de liefde voor God - God wordt hier voorgesteld als iemand die verlangt naar de liefde van de mens. We zullen bij Ruusbroec nog zien, dat de wederzijdse liefde tussen mens en God een kernbegrip is van de mystiek van de Lage Landen.

En in de alinea erna zegt God nog iets opmerkelijks: langs deze weg (de weg van de onophoudelijke liefde) ben ik uit mijn Vader naar de mens gegaan, en van de mens weer teruggekeerd tot mijn Vader. Dus dit visioen zegt: de komst van Christus naar de aarde ging langs de weg van de liefde, het toeneigen van God naar de mens was een daad van liefde.

Dan sla ik een stuk over en lees ik verder vanaf r. 96, waar Hadewijch haar gesprek met de kimpe voortzet.


En ik kwam terug in de tegenwoordigheid van de geest die me daar gebracht had. Ik vroeg hem: "Heer kampvechter [kimpe here], hoe komt het dat gij die hoge tekenen van u moogt dragen en mij die wel bijbrengt, maar dat gij mij niet ten einde toe leidt?" En hij zei me wie hij was.

Daarna zei hij tot mij: "Ik leg bij u getuigenis af voor de vier wegen. Die ga ik helemaal voor, die erken ik als de mijne en de duur ervan kan ik aan. Maar de vijfde weg gaf de getrouwe God ú. Gij hebt hem ontvangen daar waar ik niet ben. Want toen ik als mens leefde, had ik te weinig affektie in de minne - ik volgde de scherpe raad van de geest. En op die manier kon ik niet opgewekt worden tot de minne die zo'n groot één-zijn, als gij kent, bewerkt. Ik heb de edele mensheid groot onrecht aangedaan, omdat ik haar buiten de affektie hield".

En hij sprak: "Keer terug in uw lichaam [in dine materie] en laat uw werken bloeien. De slagen van de ongenade hangen u boven het hoofd. Gij keert terug als degene die alles overwint, want hier hebt gij alles overwonnen".


Hadewijch, visioen VIII (r. 96-110).

Hertaling: P. Mommaers, De visioenen van Hadewijch (1979).  Volledige tekst visioen VIII (Mnl. en hertaling).


De kimpe erkent dat hij tijdens zijn leven alleen op een theoretische manier, op een verstandelijke manier met het geloof is omgegaan. Hij keurt dat nu achteraf fout en zegt zelfs dat hij de mensheid een groot onrecht heeft aangedaan door hen niet te leren op een affectieve manier met het geloof om te gaan. In deze passage worden de theologen dus een tekortkoming verweten: er wordt duidelijk kritiek gegeven op een eenzijdige, intellectuele benadering van priesters.

Deze passage wijst daarmee naar een belangrijke achtergrond van de spiritualiteit van Hadewijch. Er wordt duidelijk een voorkeur gegeven aan de uitgangspunten van het 12-de eeuwse armoede-ideaal, de armoedebeweging, de Cistercienzers (de Bernardijnse spiritualiteit van Bernardus van Clairvaux). Een van de kernpunten daarvan is het op een persoonlijke en affectieve manier met het geloof omgaan.

De tekst is dus onomwonden kritisch op de kerk, en we hebben gezien dat het gevaarlijk kan zijn om te veel af te wijken van de kerkelijke opvattingen. Maar Hadewijch beroept zich op de eigen woorden van de kimpe, die eigenlijk zichzelf bekritiseert, en op de autoriteit van God zelf. Hadewijch gebruikt dus de autoriteit die een visionaire of mystieke tekst in de Middeleeuwen had, om in te gaan tegen theologische, kerkelijke denkbeelden van haar tijd.

De vraag is meerdere keren gesteld, of visioenen en mystieke ervaringen nou 'echt' zijn, of je zou kunnen geloven of ze waargebeurd zijn. En je ziet hier dat, los van deze vraag, visioenen en mystieke teksten een belang hebben in hun tijd. Het geeft vrouwen en mannelijke leken een heel kleine opening, om zich te mengen in het mede vorm geven van de inhoud van het geloof (zoals het godsbeeld of het belang van de minne als weg tot God), door zich te beroepen op een andere autoriteit dan een theologische studie, namelijk de autoriteit van een engel, een heilige, Christus of God zelf.

We hebben ondertussen gezien dat visioenen en mystieke ervaringen door hun middeleeuwse tijdgenoten, en door de mystici zelf, als 'echt' en 'waar' werden opgevat, als boodschappen van engelen of van God. Een heilige, verheven waarheid dus zelfs. Daardoor hadden ze invloed en op die manier hebben ze gefunctioneerd in hun tijd, in de maatschappelijke en religieuze omstandigheden van de late Middeleeuwen, in hun cultuur-historische context.



Brief 24: deugden en minne


We hebben nu twee visioenen gelezen waarin Hadewijch een weg of wegen naar God beschrijft. In het eerste visioen leidt een engel haar langs een heel aantal deugden en die weg leidt tot God. En in het achtste visioen toont God zelf haar de vijfde weg, die ze niet moet gaan, maar moet zijn: de weg van de onophoudelijke minne.

Hoe verhouden deze twee wegen zich nu tot elkaar, het opdoen van deugden om tot God te komen, en het zijn van liefde om tot God te komen?

Er is een los regeltje in brief 24, waarin Hadewijch uitlegt hoe zij de samenhang tussen deugden en minne ziet:


Want men kan niemand de minne leren, maar deze deugden leiden de mens helemaal tot de minne.


Hadewijch, brief 24 (r. 110-111).

Hertaling: P. Mommaers, De brieven van Hadewijch (1990).  Volledige tekst brief 24 (Mnl. en hertaling).


De minne leer je niet van iemand of door studie, maar verwerf je bij het opdoen van deugden. Het opdoen van deugden, leidt je tot de minne.


Deze twee visioenen over wegen die naar God leiden, laten beiden duidelijk de ethische, morele achtergrond zien van Hadewijchs visie op de betekenis van geestelijke ervaringen en waartoe de mens van daaruit wordt aangezet.

De wegen die worden getoond naar God, gaan er in het geheel niet over dat Hadewijch zou moeten knielen, bidden, aanbidden, inkeren, mediteren, wees-gegroetjes opdreunen, missen bijwonen, aflaten kopen, de eenzaamheid zou moeten zoeken en de hele dag in hogere sferen blijven verkeren. Niets van dat al.

Nee, de mens wordt aangezet om een ethische weg te gaan, steeds deugdzamer te worden (dat wat deugt), liefde op te doen, en dat te doen tijdens je leven, temidden van de mensen. Hadewijch zegt letterlijk: "ik begreep dat er me nog zeer veel te doen stond om daarnaar te léven"; en de kimpe zegt haar: "Keer terug en laat uw werken bloeien".

Er spreekt een idealistisch en optimistisch mensbeeld uit, waarin de mens in staat is een beter mens te worden, om zich 'dat wat deugt' eigen te maken, om te leren onophoudelijke minne te zijn, om boven zichzelf uit te groeien, geestelijk te groeien.

Tot zover het lezen van Hadewijchs teksten dit uur. Volgende week zullen we zien hoe Hadewijch de wegen naar God probeert te integreren in haar leven op aarde. We komen dan terecht in het ghebreken, die andere zo belangrijke pool in haar geschriften.



Afronding


We hebben deze bijeenkomst een aantal fragmenten uit de visioenen gelezen. We zijn eerst het godsbeeld van Hadewijch, dat we vorige week hadden gezien, gaan uitbreiden. En daarna hebben we twee visioenen gelezen die iets zeggen over wegen die leiden naar die God die zij beschrijft.

•  Hadewijch beschrijft God, overeenkomstig met andere mystici, als transcendent en immanent, a-persoonlijk en persoonlijk, als licht/inzicht en warmte/liefde.

•  Zij voegt daaraan een geheel nieuw element toe: het goddelijke donker. Dit is een voorlichtelijk donker waaruit licht en vuur kan ontstaan. Het licht ontstaat door beweging, door een kracht. Deze beweging onstaat door een binnen-goddelijke interactie, ghebruken in God zelf, inwendige goddelijke liefde.

•  God is een kracht. In rust gekenmerkt door donker, in beweging brengt dit licht en warmte voort (inzicht en liefde).

     Het 'zijn' van God:
kracht  
a-persoonlijk, oneindig persoonlijk, Ander
transcendent immanent
Eenheid Drie-heid (of: mnl-vrl)
rust werkzaamheid
donker licht en warmte

•  In het eerste visioen, over de weg langs de deugden, beschrijft Hadewijch dat zij nog jong en onvolwassen is.

•  De weg naar God leidt langs een heel aantal deugden: zelfkennis, nederigheid, een krachtige vrije wil, de gave van onderscheid / het inzicht, liefde voor God, wijsheid, geduld, trouw, naastenliefde, vrede en de ervaring van God, die men 'in geloof begint, en in liefde voltooit'.

•  Als je deze weg gaat, geestelijk groeit door alle deugden en (naasten)liefde, dan kun je God met opgeheven hoofd, fier, tegemoet.

•  Hadewijch maakt dus onderscheid tussen enerzijds een mystieke ervaring (die je overkomt) en anderzijds naar God toegroeien door middel van de deugden en de liefde.

•  Dit eerste visioen beschrijft expliciet Hadewijchs mensbeeld. De boom van zelfkennis leert dat de mens bestaat uit drie onderdelen: natuur, ziel en lichaam.

•  In het achtste visioen, over de weg van de minne, maakt zij duidelijk dat je de vijfde weg naar God, de weg van de onophoudelijke liefde, niet moet gaan, maar moet zijn.

•  De vier intellectuele wegen (wetenschap, inzicht en kennis over God) leiden óók helemaal tot God. Maar de weg van de deugden en de weg van de minne worden in het bijzonder door Hadewijch uitgedragen.

•  Met haar kritiek op de intellectuele kimpe en haar beschrijving van liefde als hoogste weg naar God, sluit Hadewijch aan bij de 12e-eeuwse spiritualiteit van het armoede-ideaal.

•  De weg van de deugden en de weg van de minne hangen samen: want deugden leiden de mens tot de minne.



Volgende week


De volgende keer zullen we teksten van Hadewijch lezen die gaan over die weg die zij nog te gaan heeft, over de geestelijke groei, over het naar God toegroeien. We zullen dan terecht komen bij het ghebreken: hoe integreer je de weg naar God in je gewone, aardse leven?

Tot volgende week!



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God   ↑
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >