RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 7/7.  De mens als Gods beeld en gelijkenis en het belang van de minne

Onderwerpen dit uur:
  • De komst van Christus in de geestelijke vermogens (de bron met drie rivieren)
  • De mens als beeld en gelijkenis van God
  • Liefde maakt één met God



Inleiding


Het is alweer de allerlaatste bijeenkomst van deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, over de christelijke spiritualiteit van Hadewijch en Jan van Ruusbroec, hun denkwereld en hun geloofswereld.

Ik hoop dat jullie deze twee middeleeuwse mystici een beetje hebben leren kennen: de 13de-eeuwse begijn en de 14de-eeuwse priester. We zijn in grote passen door hun teksten gegaan, om daar in de paar uur die we hadden, de grote lijn van in het oog te krijgen. En al die tijd bevonden we ons in de Middeleeuwen, 600 à 700 jaar geleden.

Eerst bevonden we ons bij de vroege begijnen, in de sfeer van het armoede-ideaal uit de 12de eeuw. Daarna kwamen we terecht bij een kapelaan van de Sint Goedelekerk, die Brussel verliet om in het Zoniënwoud een ideale parochie na te streven, wat later een klooster werd. Maar steeds bevonden we ons bij middeleeuwers die hun eigen weg durfden te gaan op religieus gebied, die innerlijke, persoonlijke, affectief beleefde religie nastreefden èn: die dat in de volkstaal wilden en durfden uit te dragen.


Voor de pauze gaan we drie passages lezen. Ten eerste zal ik de inzichten van Ruusbroec over zijn mensbeeld (de 'psyche' van de mens, zou je in hedendaagse termen kunnen zeggen) met de drie geestelijke vermogens, verder uitwerken aan de hand van een passage uit het Innige Leven: de bron met de drie rivieren. En doordat ondertussen de psyche van de mens veel gedetailleerder duidelijk is geworden (wezen-geest-ziel), kan Ruusbroec verschillende geestelijke processen en de verhouding tussen mens en God veel genuanceerder beschrijven.

Ten tweede komen we bij de vraag: op welke manier is de mens een beeld en gelijkenis van God? Wat moeten we ons daarbij, vanuit dit mensbeeld, bij voorstellen? En wat zegt dat over de verhouding tussen mens en God?

We waren de begrippen 'beeld en gelijkenis' al in de inleiding van de Brulocht tegengekomen en vorige week heeft Ruusbroec een eerste aanzet gegeven voor het beschrijven van de mens als beeld en gelijkenis van God: het volmaakte beeld zit in het wezen en de nog onvolmaakte gelijkenis dat het is een proces, de geestelijke groei die mogelijk is in de eenheid van de geest. Maar pas hier aan het einde van het Innige Leven gaat Ruusbroec dat verder uitwerken: de verhouding tussen mens en God gevat in de begrippen 'beeld' en 'gelijkenis'.

Ten derde had ik beloofd om het belang van de liefde, de minne, aan te geven in het mystieke gedachtegoed van Ruusbroec. De liefde is een kernbegrip in de hele Westerse spiritualiteit - en het zal duidelijk worden waarom. Ik had daar eerder naar kunnen kijken, bij The cloud of un-knowing ('De wolk van niet weten') op de hand-oud 'Wat is mysiek', dus dat kan iedereen nog nalezen. Er is eigenlijk geen tekst waar het belang van de liefde mooier wordt verwoord dan daar; maar wij lezen een passage van Ruusbroec, helder en gestructureerd, en The cloud of un-knowing laat ik aan jullie vrije tijd en nieuwsgierigheid over.

Na de pauze gaan we dan kijken naar de mogelijke vereniging van God en mens, de mystieke ervaring volgens Ruusbroec.



De komst van Christus in de geestelijke vermogens (de bron met drie rivieren)


In het tweede deel, het Innige Leven, doet Ruusbroec iets merkwaardigs, want hij voegt de twee onderdelen 'de brudegom comt' en 'gaat ute' samen. De komst van Christus, de inwerking van God in de ziel, en de reactie daarop van de mens hangen blijkbaar zo nauw samen, dat deze niet van elkaar te scheiden zijn. Hij behandelt ze dus steeds samen.

Nou, in dit onderdeel 'de brudegom comt, gaat ute' beschrijft Ruusbroec weer drie komsten van Christus. Vorige week hebben we naar het Werkende Leven gekeken, toen was er ook sprake van drie komsten van Christus: in het verleden, toen Christus naar aarde kwam; in het heden, de dagelijkse komst in elk minnend hart; en in de toekomst, bij het laatste oordeel. We hebben toen naar de tweede komst van Christus gekeken, de passage over de zon in het dal.

In het Innige Leven beschrijft Ruusbroec ook drie komsten van Christus (oftewel inwerkingen van God in de mens). De eerste is een geestelijke komst in het hart. En we weten nu wat het hart is, het is dat deel van de ziel dat met het lichaam verbonden is, de laagste geestelijke eenheid. Daar ervaart de mens Christus het eerst. God komt wel van binnen uutweert, maar is het eerst ervaarbaar in het laagste niveau van de ziel.

De tweede komst speelt zich af in de geestelijke vermogens en Ruusbroec vergelijkt dit met een bron met drie rivieren. De derde komst vindt plaats in de eenheid van de geest, we zitten dan nog een niveau hoger, en Ruusbroec beschrijft dit met het woord 'gherinen', een goddelijke aanraking. In die passage zal Ruusbroec het gaan hebben over het belang van de liefde voor mystiek.

Deze laatste twee 'komsten' van Christus, geestelijke inwerkingen in de mens, gaan we nu lezen.

Wij gaan nu dus eerst een gedeelte uit die tweede komst lezen, op blz. 221 vanaf b: de komst van Christus in de geestelijke vermogens (of de inwerking van God op de vermogens), wat Ruusbroec vergelijkt met het beeld van een bron met drie rivieren.


Wij willen nu verder handelen over de tweede wijze, waarop Christus komt binnen de inwendige oefening, waarmee men gesierd en verlicht wordt en verrijkt naar de drie hogere krachten van de ziel.

Deze komst willen wij vergelijken bij een levende fontein met drie rivieren. Deze bron, waar die drie rivieren uit vloeien, is de volheid van de goddelijke genade in de eenheid van de geest, waarin de genade wezenlijk woont naar haar inblijven, als een volle overlopende fontein, terwijl zij werkelijkerwijs, in zover zij in rivieren uitvloeit, in elk vermogen der ziel naar elks behoeven ligt. Deze rivieren zijn bijzondere invloeden of inwerkingen Gods in de hogere vermogens, waarin God op velerlei wijze werkt door middel van genade.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, De bron met drie rivieren.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 221.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Ruusbroec vergelijkt dus de tweede komst van Christus in het Innige Leven, met het beeld van een bron met drie rivieren. De bron is de goddelijke genade en de rivieren zijn inwerkingen van God in de geestelijke vermogens.

De eerste rivier behandelt hij op de volgende bladzij en dat is de 'eenmaking van de memorie'. De memorie is een ietwat afwijkend vermogen van de mens: het is namelijk niet een vermogen in de zin dat de mens er werkzaam mee kan zijn, maar meer dat er eenheid kan heersen in de mens. Ruusbroec omschrijft het ook niet als één vermogen, maar als al je vermogens samen. Je zou het het best kunnen omschrijven of vertalen met 'bewustzijn'.

     de geestelijke vermogens
memorie eenheid  

Ik laat de memorie, het bewustzijn van de mens, nu even buiten beschouwing en ik ga door naar de twee geestelijke vermogens waarmee de mens werkzaam kan zijn, het verstand en de wil.

Eerst over de inwerking van de genade op het verstand, op blz. 225.


Door 's mensen liefde en minnelijk toeneigen en Gods trouw ontspringt de tweede rivier uit de volheid der genade in de eenheid van de geest, en dat is een geestelijke klaarheid, die in het verstand vloeit en het op velerlei wijzen verlicht. Dit licht toont en geeft, in alle waarheid, doorzicht in de onderscheiden deugden.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, De bron met drie rivieren.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 225.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Dit herkennen we van de vorige keer uit het Werkende Leven: genade vloeit in de ziel als licht. Maar hier is Ruusbroec explicieter - hij kàn ook explicieter zijn, omdat hij ondertussen de menselijke psyche heeft uitgelegd. Het licht namelijk, vloeit in het verstand, in het geestelijke vermogen het verstand of de rede. Dit licht vloeit dus niet zomaar ongedifferentieerd in de ziel als geheel, nee, het vloeit in de rede. En daar geeft het waarheid en inzicht.

Dit hebben we ook al gezien bij Hildegard van Bingen: er stroomde licht in haar geest en daardoor kreeg ze inzicht; en we hebben dit ook gezien bij Hadewijch: inzicht krijgen; inzicht krijgen bij een mystieke ervaring. Ruusbroec legt dat hier uit: Gods licht vloeit in het denkvermogen, dat raakt verlicht en ontvangt zo waarheid en inzicht.

      Inwerking op de geestelijke vermogens
memorie eenheid  
verstand inzicht geestelijk licht

We lezen verder over de tweede komst van Christus in het Innige Leven. Op blz. 233 gaat Ruusbroec over naar de inwerking van God op het andere geestelijke vermogen van de mens, namelijk de wil.


Door deze vreugde en overvloedige genade en goddelijke trouw ontspringt de derde rivier en vloeit in dezelfde eenheid van de geest. Deze rivier ontvonkt de wil als een vuur en verslindt en verteert alles tot eenheid, en overstroomt en doorstroomt alle krachten der ziel met rijke gaven en met een bijzondere edelheid, en zij wekt zonder inspanning in de ziel een allerfijnste geestelijke minne op.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, De bron met drie rivieren.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 233.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


En hier komen we bij het ander aspect van de passage van vorige week, de zon in het dal: de ziel werd daar niet alleen verlicht door Gods genade, maar ook verhit, en dat zien we hier terug. De wil wordt ontvonkt als een vuur. De genade stroomt dus in het verstand als licht, en stroomt in de wil als hitte, warmte. En zoals in het verstand inzicht werd opgewekt, zo wordt in de wil liefde opgewekt. Er is dus ook sprake van een samenhang tussen de wil, liefde en warmte.

      Inwerking op de geestelijke vermogens
memorie eenheid  
verstand inzicht geestelijk licht
wil liefde geestelijke warmte

Ruusbroec heeft nu dus de invalsplaatsen van het licht en de warmte van Gods inwerking beschreven: er komt licht in het verstand en warmte in de wil. Het geestelijke licht wekt inzicht op in het verstand en de geestelijke warmte wekt minne op in de wil.

Dat laatste is natuurlijk een beetje vreemd: liefde is een gevoel en dat zouden wij niet zo snel in de wil verwachten, eerder in het menselijke vermogen om gevoelens te hebben; maar Ruusbroec heeft geen apart vermogen voor het hebben van gevoelens, dat had Augustinus in de 4de eeuw niet apart onderscheiden; en Ruusbroec brengt de liefde hier onder bij de wil en dat doet hij met het argument dat de liefde een soort van begeerte is, en begeren hoort bij de wil.

Als het goed is hebben we nu het beeld helder van Ruusbroecs mensbeeld en hoe hij de toenadering van God geestelijk gezien beschrijft. De menselijke geest bestaat uit drie eenheden. Het wezen hangt in God en is open naar God. De eenheid van de geest is het werkelijke aspect van het wezen (hier begint de mens zelfstandig werkzaam te worden met de geestelijke vermogens). En de eenheid van het hart, de ziel, bezielt het lichaam.

Uit de eenheid van de geest komen drie geestelijke vermogens voort: de memorie, wat niet echt een werkzaam vermogen is, maar eenheid in de vermogens, wat wij zouden noemen: bewustzijn. Dan het verstand, dat hangt samen met geestelijk licht en de concrete invulling daarvan is inzicht of ook wel waarheid of wijsheid. De wil hangt samen met geestelijke warmte en dat is concreet de liefde.



De mens als beeld en gelijkenis van God


Dan ga ik verder met een passage over beeld en gelijkenis. Daarvoor wil ik even teruggaan naar blz. 225, nr. 2. We zijn dan weer bij de verlichting van het verstand of de rede. De mens komt daarbij tot inzichten die dit schema'tje van de geestelijke vermogens van de mens heel mooi aanvullen en verduidelijken.


Nu verlangt Christus, dat deze mens uitgaat en zich gedraagt in dit licht naar de bijzondere wijze van dit licht.

Daarom moet deze verlichte mens uitgaan en zijn zielestaat inwendig en uitwendig beschouwen, om te zien, of hij een volkomen gelijkenis draagt met Christus naar Zijn mensheid en ook naar Zijn godheid; want wij zijn geschapen tot het beeld en tot de gelijkenis van God. Daartoe moet hij de verkaarde ogen van zijn verlichte rede opheffen naar de verstandelijke waarheid, om op schepsellijke wijze Gods verheven natuur en de grondeloze eigenschappen in God te overwegen en te beschouwen. Want bij de grondeloze natuur behoren grondeloze deugden en werken.

Hij moet de verheven natuur der Godheid beschouwen als een loutere eenvuldigheid, een ontoegankelijke hoogte en een afgrondelijke diepte, een onomvaambare breedte en een eindeloze lengte, een duistere stilheid en een uitgestrekte woestijn, aller heiligen rust in de eenheid, een gemeenschappelijk voorwerp van genieten voor Zichzelf en voor alle heiligen in eeuwigheid. En nog veel meer wonderbaars kan men beschouwen in die grondeloze zee der Godheid (...) Dit toont de rivier van genade met klaarheid aan het verlichte verstand.

Zij toont ook de eigenheid van het eeuwige Woord: zijn afgrondige wijsheid en waarheid, aller schepselen oerbeeld en levensbron; eeuwige regel zonder veranderlijkheid; een aanstaren en doorzien van alle dingen zonder enige omsluiering; een door-schijnen en verlichten van alle heiligen in de hemel en op aarde naar elks waardigheid.

En daar deze rivier der klaarheid menig inzicht en kennis in onderscheid brengt, toont zij ook aan de verlichte rede de eenheid van de Heilige Geest: een onbegrijpelijke caritas en mildheid, barmhartigheid en genadigheid; oneindige trouw en goedgunstigheid; onbegrijpelijk grote uitvloeiende rijkheid en afgrondige, alle geesten met zaligheid doorvloeiende goedheid; vurige vlam, die 't al verbrandt tot eenheid, vloeiende fontein, rijk in smaak naar ieders verlangen; voorbereiden voor en binnenleiden van alle heiligen in hun eeuwige zaligheid; omhelzen en onderling doordringen van Vader en Zoon en van alle heiligen in genietende eenheid.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Beeld en gelijkenis.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 225-229.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Ruusbroec heeft het hier over de inzichten die de mens krijgt, of waar de mens naar gaat streven, door de verlichting van zijn verstand, door het lichter worden van de rede. De mens verkrijgt, door geestelijke verlichting van zijn verstand, drie inzichten.

Het eerste inzicht dat de mens krijgt, als zijn verstand wordt verlicht, is zelfinzicht, onderaan blz. 225. Daar komt ook weer de zin terug 'wij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God'. En zoals we al zagen bestaat de mens geestelijk gezien uit een wezen, een geest en een ziel, en kun je het beeld van God situeren in het wezen en de gelijkenis aan God in de eenheid van de geest.

Het tweede inzicht dat de mens krijgt, is dat van de natuur van de godheid, godskennis (blz. 227). En hier beschrijft Ruusbroec God op een, ik zou haast zeggen, 'mystieke' manier: 'een ontoegankelijke hoogte, een afgrondelijke diepte, een onomvatbare breedte en een eindeloze lengte', en jullie moeten nu vast ook heel sterk aan Hadewijch denken: aan haar diepe 'wieling' in de visioenen en aan haar beschrijving van God: 'God is boven alles, maar niet verheven. God is onder alles, maar niet verdrukt. God is binnen alles, maar niet ingesloten. God is buiten alles, maar helemaal omgrepen'. Een goddelijke donker, en een grondeloze zee, zegt Ruusbroec ook nog.

Het derde inzicht dat de mens krijgt als zijn verstand wordt verlicht (na zelfinzicht en kennis over de godheid), is over de drieheid van de godheid (halverwege blz. 227): de Vader, het Woord en de Heilige Geest. En wat zie je dan? De Vader is het begin van alles, de oorsprong, de eerste beweger. Het Woord is wijsheid, waarheid, oerbeeld, bron en licht. En de Heilige Geest is liefde, mildheid, goedheid en vurigheid en verbranden.

En hier vind je al een beetje het verband dat Ruusbroec later in het Innige Leven en in het Godschouwende Leven nog veel duidelijker zal leggen: en dat is dat de Vader wordt verbonden met oorsprong en eenheid; het Woord of de Zoon wordt verbonden met wijsheid en licht; en de Heilige Geest wordt verbonden met liefde en warmte. En hier zien we heel duidelijk de psyche van de mens in terug. Of met andere woorden: het derde inzicht van de verlichte mens, is op wat voor manier de mens is geschapen naar Gods beeld.


     de mens als beeld en gelijkenis van God


psyche
mens

concreet
niveau

geestelijk
niveau

‘psyche’
God


memorie eenheid   Vader
verstand wijsheid gstl. licht Zoon
wil liefde gstl. warmte Heilige Geest


Ruusbroec spreekt steeds over de komst van Christus, omdat hij vastzit aan zijn allegorisch beeld van de bruiloft tussen Christus als bruigedom en de ziel als bruid: ziet, de bruidegom (Christus) komt, gaat uit (ziel), om hem te ontmoeten. Maar je ziet hier, dat hij hier beter kan spreken over de komst van de Zoon èn de Heilige Geest. Deze tweevoudige 'komst' is een inwerking op de menselijke geest: van de Zoon op het verstand (licht) en van de Heilige Geest op de wil (warmte).



Liefde maakt één met God


Als laatste dit uur ga ik, zoals aangekondigd, naar de passage over het belang van de liefde. Dit is een heel belangrijke passage om de Westerse mystiek te begrijpen; om te begrijpen waarom de liefde in het middelpunt staat in de Westerse mystiek. In de Westerse mystiek is er niet alleen sprake van verlichting, de verlichting van het verstand (een 'verlicht mens' worden, wordt wel gezegd), maar er is ook sprake van verhitting, dat samenhangt met de wil en de liefde. In deze passage legt Ruusbroec hun onderlinge verhouding uit.

Helemaal aan het einde van 'de brudegom comt / gaet ute' (Innige Leven), beschrijft Ruusbroec dat de mens door God wordt aangeraakt in de eenheid van de geest (blz. 263). Aan het begin van dit uur zagen we hoe de mens werd aangeraakt in zijn vermogens: er stroomde licht in het verstand en warmte in de wil. Nu wordt de mens nog één niveau hoger aangeraakt, in de eenheid van de geest. Ruusbroec noemt dit gherinen, beroerd worden, aangeraakt worden.

Blz. 263, de derde regel onder het tussenkopje. Het gherinen, de aanraking van God in de eenheid van de geest, zegt Ruusbroec, wekt bij de mens een tweevoudige reactie op.


En dit aanroeren [dit gherinen] noopt het verstand God te kennen in zijn klaarheid, en het trekt en noodt de minnende kracht om God te genieten [te ghebrukene] zonder middel.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Liefde in de mystieke ervaring.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 263.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Dus het verstand wil God kennen, in klaarheid; en de liefde wil God ghebruken; dit woord kennen we van Hadewijch, het ghebruken, het genieten, het intens liefdevol ervaren van de liefde, het liefdevol eenworden met God.

En dan lees ik verder op bladzijde 263 bij de eerstvolgende alinea.


Door de verlichte rede verheft de geest zich in innige beschouwing, en richt zijn blik en gepeinzen in het innigste van zijn geest, waar dit aanroeren leeft. Hier schiet rede en alle geschapen licht te kort om verder te komen, want de daarboven zwevende goddelijke klaarheid, die dit aanroeren veroorzaakt, verblindt door haar komst alle geschapen gezichtsvermogen, omdat zij onpeilbaar en ondoorgrondelijk is, en elk begrip in geschapen licht verhoudt zich hier tegenover als het oog van de vleermuis tegenover de schittering van de zon.

En toch wordt de geest steeds opnieuw gepraamd en opgewekt door God en door zichzelf, om dit diep verborgen aanroeren te doorgronden en te weten wat God is, en wat dit 'gerinen' mag zijn. En de verlichte rede stelt zich steeds nieuwe vragen, waar dit vandaan mag komen, en doet pogingen om die honigader te volgen tot haar diepste grond. Maar zij is later al even wijs als op de eerste dag. Daarom spreken rede en verstand: "Ik weet niet wat het is". (...)

Maar waar de geest dit in zijn grond ervaart, ook al moeten rede en verstand falen tegenover de goddelijke klaarheid en buiten voor de poort blijven staan, daar wil de minnende kracht toch verder, want zij wordt genodigd en gepraamd even goed als het verstand, maar zij is blind en wil genieten (gebruken); en genieten ligt meer in smaken en gevoelen dan in verstaan. Hierom dan ook wil minne voort, waar verstand buiten blijft.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Liefde in de mystieke ervaring.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 263-265.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


De rede schiet tekort om te begrijpen wat God is. De mens kan er letterlijk met zijn verstand niet bij, het verstand kan God niet bevatten. Dit hebben we bij andere mystici ook gezien: God is niet te beschrijven, niet in woorden te vangen, niet te begrijpen, God is te groot voor ons bevattingsvermogen. Ruusbroec zegt hier: de rede en het begrip fallieren, schieten tekort.

Maar daar waar het verstand tekort schiet, daar neemt de minne het over. Zij is blind, zegt Ruusbroec, met andere woorden: zij probeert niet verlicht te worden, zij probeert niet te begrijpen; zij wil ervaren, ghebruken.

Een bladzij verder zegt Ruusbroec: 'onze minne wordt door Gods minne aangeraakt', met andere woorden: de liefde is wederzijds, en er ontstaat een minne-band. En deze wederzijdse liefde, deze minne-band, heeft een verbindende werking, een verenigende werking. Liefde, althans wederzijdse liefde, heeft de eigenschap dat ze verbindt, één maakt: liefde maakt één.

Met het verstand kan de mens streven naar God, liefde maakt één met God.

En dan wordt ook duidelijk waarom er in de Westerse mystiek onmogelijk kan worden gesproken over dat een mens helemaal zou opgaan in God, zou verdwijnen in God: dan zou die wederzijdse liefde niet meer mogelijk zijn. In de Westerse mystiek gaat het juist om jou als persoon, als volgroeide, zelfstandige (en deugdvolle, gewetensvolle en liefdevolle) persoon.

Centraal in de Westerse mystiek van de Middeleeuwen staat dus: liefde, de verenigende, wederzijdse liefde.

Onderaan blz. 267 staat, de tweede regel van onderen:


Gods aanroeren en zijn geven, ons minnend begeren en wedergeven houden de liefde bestendig in stand. Dit vloeien en terugvloeien doet de bron der minne overvloeien. Zo wordt Gods aanroeren en ons minneverlangen één eenvuldige minne.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Liefde in de mystieke ervaring.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 267-269.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Het licht, het verstand, schiet tekort. De minne, de warmte, maakt één. Vereniging van mens en God is dus: vereniging door middel van liefde, wederzijdse liefde. Dat kennen we trouwens ook in ons taalgebruik: een huwelijk uit liefde tussen een vrouw en een man noemen wij ook wel een 'echt-vereniging'. Het is dus ook geen toeval dat het beeld van het huwelijk tussen Christus en de ziel zoveel wordt gebruikt sinds de 12de-eeuwse Bernardijnse spiritualiteit: denk ook aan het bruidsvisioen van Hadewijch (visioen X) en de titel Die geestelike brulocht van Ruusbroec.

Het licht van het verstand streeft naar God, de warmte, de liefde maakt de mens één met God. Maar na verlichting en verhitting komt bij Ruusbroec altijd: vruchtbaarheid (denk maar aan de zon in het dal). Ook hier, waar het dus echt gaat over de mystieke eenwording met God, worden de deugden, het geweten, de goede werken en de naastenliefde niet vergeten.

Op blz. 269, vanaf het tussenkopje:


Nu zijn onze geest en deze minne tegelijk levend en vruchtbaar in deugden. En daarom kunnen die krachten niet rustig blijven in de eenheid van de geest. Want de onbeschrijfelijke klaarheid Gods en zijn grondeloze minne bevinden zich boven de geest en raken de minnende kracht aan; en de geest wil weer terug in zijn werken, in hoger en inniger reikhalzen dan ooit te voren. En hoe inniger en edeler hij is, hoe sneller hij zich uitwerkt en te niet gaat (zichzelf vergeet) in minne, en wederom terugvalt in nieuwe werken.


Jan van Ruusbroec, Die geestelike brulocht (± 1335). Innige leven, Liefde in de mystieke ervaring.

Hertaling: L. Moereels, Die gheestelike brulocht (1989), blz. 269.  Volledige passage (Mnl. en hertaling).


Hoe edeler en verhevener het contact met God, hoe meer de mens juist werkzaam wil zijn en wil uit wil gaan in deugden en goede werken en naastenliefde.

Dit is duidelijk een hemelsbreed verschil met de opvattingen van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest, die zeiden dat zogauw je het goddelijke ging ervaren, dat deugden en naastenliefde overbodig werden. Bij Ruusbroec zie je het tegenovergestelde.

Je ziet hier ook al dat Ruusbroec zoekt naar een evenwicht tussen ghebruken en werken; of zoals hij later zal zeggen: rusten en werken. Rusten in God en werken in de wereld moeten in evenwicht zijn.



Mystiek bij Hadewijch en Ruusbroec


We hebben nu een goed beeld van Ruusbroecs mensbeeld: het wezen, de geest en de ziel van de mens, en de geestelijke vermogens, waar de genade van God op inwerkt (waarbij geestelijk licht het verstand in stroomt en inzicht/wijsheid opwekt, en geestelijke warmte de wil in stroomt en liefde opwekt).

Ook hebben we gezien, hoe de mens geestelijk gezien 'beeld en gelijkenis' is van God. God is het 'voor-beeld' van de menselijke psyche. Het verstand komt overeen met de Zoon (gstl. licht, inzicht/wijsheid) en de wil komt overeen met de Heilige Geest (gstl. warmte, liefde).

Het gherinen, de aanraking van God in de eenheid van de geest, roept dan bij de mens een tweevoudige reactie op: het verstand wil God kennen, de liefde wil eenworden. Wederzijdse liefde heeft een verbindende werking. Met het verstand kan de mens streven naar God, liefde maakt één met God.

Ik zal het laatste uur van de cursus, straks na de pauze, dan afsluiten met twee afrondende vragen: hoe verhouden Ruusbroecs en Hadewijchs opvattingen over de mystieke ervaring, zich tot de passages over mystiek die we de allereerste bijeenkomst hebben gelezen? En krijgen we, met alles wat we deze cursus hebben gelezen en besproken, zicht op een laat-middeleeuwse Brabantse spiritualiteit?

Dat allemaal in het laatste uur, na de pauze.



Afronding


In het Innige Leven van Die geestlike brulocht beschrijft Ruusbroec gedetailleerd zijn mensbeeld, de inwerking van God op de mens en de overeenkomst tussen God en mens.

•  In het Innige Leven beschrijft Ruusbroec wederom drie komsten van Christus in de ziel (inwerkingen van God op de ziel), nu: in het hart (of de ziel), in de geestelijke vermogens en in de geest.

•  Voor de komst in de vermogens gebruikt hij het beeld van een bron met drie rivieren. De bron is de goddelijke genade en de rivieren zijn inwerkingen van God in de geestelijke vermogens. Genade vloeit als licht in het verstand en wekt waarheid/inzicht op. Genade vloeit als warmte in de wil en wekt liefde op.

     Inwerking op de geestelijke vermogens
memorie eenheid  
verstand inzicht geestelijk licht
wil liefde geestelijke warmte

•  Het eerste inzicht dat de mens krijgt bij het verlichten van zijn verstand, is zelfinzicht. De mens is, geestelijk gezien, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Het (volmaakte) beeld van God situeren in het wezen; en de (nog onvolmaakte) gelijkenis aan God in de eenheid van de geest, daar kan de mens geestelijk groeien, zijn gelijkenis vervolmaken.

•  Het tweede inzicht dat de mens krijgt, is kennis over de godheid, godskennis. Ruusbroec beschrijft God daarbij als een hoogte, een diepte, een grondeloze zee, een goddelijk donker.

•  Het derde inzicht dat de mens krijgt, is de overeenkomst tussen God en mens: de Zoon wordt verbonden met licht en wijsheid, vergelijkbaar met het menselijke verstand. En de Heilige Geest wordt verbonden met warmte en liefde, vergelijkbaar met de menselijke wil. Op deze manier is de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

psyche
mens

concreet
niveau

geestelijk
niveau

‘psyche’
God


memorie eenheid   Vader
verstand wijsheid gstl. licht Zoon
wil liefde gstl. warmte Heilige Geest

•  Als de mens wordt aangeraakt door God in de eenheid van de geest, noemt Ruusbroec dat gherinen (beroerd worden, aangeraakt worden). Hierdoor wil het verstand God kennen, maar de liefde wil God ghebruken (genieten, ervaren, liefdevol eenworden).

•  De rede schiet tekort om te begrijpen wat God is. Hier neemt de minne het over. Met het verstand kan de mens streven naar God, liefde maakt één met God. Wederzijdse liefde heeft een verbindende werking, liefde maakt één.

•  Hierdoor is de kern van de Westerse mystiek: de verenigende, wederzijdse liefde.

•  In de Westerse spiritualiteit wordt de mens geestelijk gezien niet alleen verlicht (inzicht), maar ook verhit (liefde). Hierna volgt volgens Ruusbroec altijd vruchtbaarheid: toename van de deugden, het geweten, de goede werken en de naastenliefde.


Na de pauze


Na de pauze ga ik Ruusbroec afronden en ook de cursus als geheel afronden. Daarbij zal ik op de cursus terugblikken om twee grote lijnen in het vizier te krijgen: wat hebben we deze cursus geleerd over wat Hadewijch en Ruusbroec te zeggen hadden over de mystieke ervaring; en bestaat er zoiets als een overkoepelende, laat-middeleeuwse Brabantse mystiek?



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis   ↑ Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >