RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici
 • Bijlagen en vgv

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Bijeenkomst 5/7.  Het leven van Jan van Ruusbroec

Onderwerpen dit uur:
  • De biografie van Jan van Ruusbroec (1293-1381)
  • De boeken van Ruusbroec
  • De bijbel in de volkstaal
  • Waarom schrijft Ruusbroec in de volkstaal?
  • Ruusbroecs faam in Europa: verspreiding, vertalingen en doorwerking van zijn geschriften



Inleiding


We gaan vanaf deze bijeenkomst met iets heel nieuws beginnen. We laten Hadewijch achter ons, we laten de begijnen achter ons, we laten de 13de eeuw achter ons. We gaan kennismaken met Jan van Ruusbroec (1293-1381) en dat brengt ons in de 14de eeuw. Ruusbroec is 88 jaar oud geworden, en je ziet dat hij bijna de gehele 14de eeuw heeft meegemaakt.

De vorige keer heb ik al gezegd dat de 14de eeuw een geheel andere eeuw is dan de 12e of 13e en dat het milieu waarin Ruusbroec verkeert ook heel anders is dan dat van Hadewijch. En toch, dat zullen we ook zien, behoren ze wel tot dezelfde traditie, dezelfde spirituele sfeer.

Volgende week zal ik het uitgebreid gaan hebben over de 14de eeuw, vandaag ga ik het hebben over het leven van Jan van Ruusbroec. En in het komende uur wil ik vooral een tijdgenoot van Ruusbroec aan het woord laten, een kartuizer monnik uit de 14de eeuw en zijn naam is broeder Geraert (ook: Gerard van Santen of Gerardus de Sanctis, overl. 1377). Hij woonde in het Kartuizerklooster van Herne (net ten zuid-westen van Brussel). Door de ogen van deze broeder Geraert zullen wij naar Jan van Ruusbroec gaan kijken.



De biografie van Ruusbroec (1293-1381)


Als Jan van Ruusbroec bijna 70 jaar oud is, krijgt hij een brief van een kartuizer monnik uit Herne met de naam broeder Geraert. Deze broeder Geraert heeft vier boeken van Ruusbroec in handen gekregen en hij heeft ze alle vier helemaal overgeschreven.

Hoewel hij vol lof is over Ruusbroecs werken, begrijpt hij niet alles wat er in staat goed. Hij schrijft hierover, ik citeer:


Al staan er veel woorden en zinnen in die mijn verstand te boven gaan, toch denk ik dat deze boeken goed moeten zijn. Als de Heilige Geest een klare en duidelijke leer doet schrijven, begrijpen wij die zonder inspanning. Maar een meer verheven leer vraagt meer inspanning van ons verstand. En is die leer voor ons te hoog, dan verootmoedigen wij ons voor God en voor de leraren die ze geschreven hebben.


Broeder Geraert (Bonheiden V, blz. 20).


Broeder Geraert begrijpt dus niet alles wat Ruusbroec heeft geschreven. Hij doet de tractaten echter niet daarom af als onzin, maar concludeert dat ze zijn verstand te boven gaan.

Toch zou hij wel graag willen begrijpen wat Ruusbroec met bepaalde passages precies heeft bedoeld, omdat hij twijfelt of ze wel orthodox zijn, of ze wel volgens de leer van de kerk zijn. Hij wil hier graag met Ruusbroec over praten, maar als kartuizer mag hij zijn klooster niet verlaten. Hij stuurt dan Ruusbroec rond 1360/1363 een verzoek of deze niet bij hem op bezoek wil komen.


Daarom heb ik, en enige van onze broeders, het gewaagd iemand naar Heer Jan [Jan van Ruusbroec] te sturen, opdat hij ons persoonlijk de verklaring zou geven van enige hoge woorden die we vonden in zijn boeken en vooral van een heel stuk uit zijn eerste boek Dat rike der ghelieven, waar hij het heeft over de gave van raad, omdat wij er aanstoot aan namen.

Wij vroegen hem dus bij ons te komen. Welwillend als hij was, kwam hij te voet van meer dan vijf grote mijlen ver, al kostte het hem moeite.


Broeder Geraert (Bonheiden VI, blz. 21).


Ruusbroec gaat dus inderdaad op de uitnodiging in, en loopt vijf grote mijlen, al viel dat hem zwaar - en dat is wel voor te stellen voor een bijna 70-jarige man, want 'vijf milen' is een afstand van ruim 30 kilometer. Ruusbroec blijft drie dagen bij de kartuizers te Herne.

Broeder Geraert is blijkbaar nogal onder de indruk van het bezoek, want na afloop schrijft hij een uitgebreid verslag van deze drie dagen, die hij als inleiding gebruikt bij de teksten van Ruusbroec die hij had overgeschreven. We hebben dus een (zeg maar) 'life'-verslag van een ontmoeting met Ruusbroec!

Dat is natuurlijk heel bijzonder en dit verslag van broeder Geraert is van onschatbare waarde voor onze kennis over Ruusbroec. Niet alleen kunnen we 'meekijken' met een paar dagen van zijn leven ergens rond 1360 / 1363, maar het geeft ons ook inzicht in hoe er met literatuur werd omgegaan en wat bijvoorbeeld aanleidingen konden zijn om een boek te gaan schrijven. En ook schrijft deze kartuizer uit de 14de eeuw hoe hij dacht over Middelnederlandse versus Latijnse literatuur.


proloog broeder geraert of gheraert kartuizer 1360 1363

Fragment Proloog van broeder Geraert (Gerard van Santen)
(KB 3416 24 f1, 1360/1363)
-klik voor vergroting-


We zullen meer gaan lezen uit het verslag van broeder Geraert, dat hij als proloog heeft gebruikt voor de teksten die hij van Ruusbroec had overgeschreven. Ik heb het verslag opgenomen in de Bloemlezing.

Broeder Geraert geeft eerst enige biografische gegevens over Jan van Ruusbroec.


Deze schrijver heette Jan van Ruusbroec. Eerst was hij als vroom priester en kapelaan verbonden aan de Sint Goedelekerk te Brussel in Brabant. Daar begon hij enige boeken te schrijven.

Later wilde hij zich uit de menigte terugtrekken. Dankzij de medewerking van een andere kapelaan, ook een vroom man, maar meer gefortuneerd, namelijk heer Frank van Coudenberg, konden zij tot nut van beiden een bescheiden woning aanschaffen ten zuidoosten van Brussel, een mijl ver in het Zoniënbos, in een dal dat Groenendaal heet, waar vroeger een kluis stond, verblijf van een kluizenaar. Maar altijd wilde heer Jan de ondergeschikte blijven van heer Frank. Daar in de afzondering leidden zij een heilig leven.


Broeder Geraert.




goedelekerk brussel schilderij door adams en verven 17de eeuw

De Goedelekerk in Brussel
(op basis van een gravure van Jacob Harrewijn rond 1700;
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel).


Dan sla ik een alinia over, en ga verder bij de onderste alinea.


Daarna verlangden zij onder Gods ingeving tot de religieuze staat over te gaan, opdat na hun leven hun stichting duurzaam zou blijven. Zij namen kleed en regel van de reguliere kanunniken van Sint Augustinus aan en aanvaardden een achttal personen die in de handen van heer Frank de professie aflegden. Heer Jan was hun prior. Het waren voorbeeldige kloosterlingen voor God en de mensen.


Broeder Geraert (II, blz. 18-19).


Deze beknopte biografie van broeder Geraert komt overeen met de historische feiten die ons bekend zijn. Jan van Ruusbroec (1293-1381) wordt geboren in Ruysbroec, een dorp even buiten Brussel (tegenwoordig een wijk van Brussel). Als hij elf jaar is, gaat hij bij zijn oom Jan Hinckaert in huis wonen, in Brussel. Ruusbroecs moeder gaat dan in het begijnhof van Brussel wonen (over zijn vader is nergens iets vermeld). Ruusbroecs oom Jan Hinckaert is kapelaan van de Sint Goedelekerk in Brussel en Ruusbroec gaat naar de kapittelschool van Sint Goedele. Hij leert Latijn lezen en schrijven en hij volgt de gebruikelijke vakken van de artes liberales, zoals: grammatica, retorica en rekenkunde.

In 1317 wordt Ruusbroec tot priester gewijd, hij is dan 24 jaar oud. In de daaropvolgende 25 jaar is Ruusbroec als kapelaan verbonden aan de Goedelekerk in Brussel. Dit is een vrij bescheiden functie; een kapelaan is de priester van een kapel, een hulppriester zeg maar, hij valt onder verantwoordelijkheid bijvoorbeeld een adellijke kanunnik. In de jaren dat hij kapelaan is, begint hij met het schrijven van boeken.

Ruusbroec woont dus bij zijn oom, de priester en kapelaan Jan Hinckaert, en op een gegeven moment komt er een derde priester bij hen wonen, kanunnik Frank van Coudenberg. Zij besluiten op een gegeven moment de drukke stad te verlaten en ze krijgen in 1343 toestemming van Hertog Jan de derde van Brabant om te gaan wonen in een voormalige kluizenaarswoning in Groenendaal, het 'groene dal' van het Zoniënwoud, niet ver van Brussel. Dit is hoogstwaarschijnlijk te danken aan die derde priester, Frank van Coudenberg, want de (bemiddelde) familie van Van Coudenberg had banden met het hof van de hertog. Ruusbroec is dan, in 1343, 50 jaar oud.

•  Jan van Ruusbroec (1293-1381)
•  Jan Hinckaert (oom, kapelaan)
•  Frank van Coudenberg (priester)

    ↳ 1343: van Brussel naar Groenendaal

Op de bekendste afbeelding van Ruusbroec, zie je Ruusbroec in het Zoniënwoud. Ruusbroec zit onder een boom te schrijven; hij schrijft op een wasbordje. Om hem heen liggen een paar boeken, die wijzen op geleerdheid; en boven zijn hoofd vliegt een duif, dat wijst op inspiratie (Heilige Geest). Rechts zit een andere monnik (hoewel hij het ook zelf kan zijn), die de teksten op perkament overschrijft.


jan van ruusbroec schilderij portret ruusbroecgenootschap ca 1580

Jan van Ruusbroec in Groenendaal (in het Zoniënwoud).
(Hs. Brussel KB, 19295-7, 14e eeuw).
-klik voor vergroting-


Op 50-jarige leeftijd vestigt Ruusbroec zich dus met Jan Hinckaert en Frank van Coudenberg in Groenendaal in het Zoniënwoud. Twee mannen, twee lekebroeders, voegen zich bij hen, en dat zijn: Wouter Rademaker en de kok Jan van Leeuwen, die bekend staat als 'de goede kok van Groenendaal'. Ruusbroec heeft zijn kok, een lekebroeder, leren lezen en schrijven. Twee weken geleden hebben een fragment van Jan van Leeuwen gelezen; hij noemde daarin Hadewijch 'een heilige vrouw en een waarachtige lerares'.

•  Wouter Rademaker
•  Jan van Leeuwen (kok)

De gemeenschap in Groenendaal (midden in het bos, dat Zoniënwoud) is geen klooster of een soort kluizenaarsgemeenschap, maar de bedoeling is om een soort 'model-parochie' te stichten. Er wordt een kleine kapel gebouwd, die in 1345 wordt ingewijd als parochiekerk en Frank van Coudenberg wordt pastoor. Het is dus in feite een heel origineel en idealistisch initiatief. Midden in het bos streven zij met dit kleine groepje naar een ideale parochie.


jan van leeuwen kok groenendaal portret

Jan van Leeuwen, kok in Groenendaal.
-klik voor vergroting-


Het doet denken aan de zogenaamde godsvrienden, een verschijnsel dat in de 14de eeuw vooral in het Rijngebied voorkomt. Daar gaan kleine groepen geestelijken en leken, zowel mannen als vrouwen, een innerlijke spiritualiteit nastreven op een manier die in de lijn staat van het armoede-ideaal uit de 12de eeuw. Zij noemen zichzelf 'godsvrienden' en ze hechten weinig belang aan kerkelijke structuren en hiërarchie; zij staan dus een beetje buiten de kerkelijke organisatie en de gevestigde kloosters.

Ruusbroec heeft contact ook gehad met de godsvrienden rond Straatsburg; en misschien moeten we de groep in Groenendael in feite beschouwen als een groep Brabantse godsvrienden. In de tekst van Jan van Leeuwen werd Hadewijch een lerares genoemd en het is een grote vraag in hoeverre Hadewijch de basis gelegd voor de spiritualiteit van Ruusbroec en zijn kring. Misschien zijn het wel de teksten van Hadewijch geweest die Ruusbroec op het idee hebben gebracht om in het Middelnederlands over religie te schrijven in plaats van in het Latijn, (dat Ruusbroec prima beheerste). Dat zijn allemaal vragen waarop we het antwoord historisch niet met zekerheid kunnen vaststellen.

In ieder geval heeft de groep in Groenendaal een onduidelijke status. Of het nou een modelparochie midden in het bos is, of een groep godsvrienden, in ieder geval heeft de kerk (dit zal jullie ondertussen wel bekend in de oren klinken) moeite met de gemeenschap in het Zoniënwoud. De bisschop van Kamerijk komt hoogstpersoonlijk poolshoogte nemen en in 1350, en waarschijnlijk na enig aandringen van de bisschop, neemt de gemeenschap in Goenendaal de regel van Augustinus aan en wordt hun stichting een klooster, een proosdij.

Frank van Coudenberg wordt proost (voorzitter van een kapittel) en Jan van Ruusbroec wordt prior (overste). Broeder Geraert verbloemt de gang van zaken een beetje in het fragment dat we zojuist hebben gelezen; hij schrijft dat zij door 'een ingeving van God tot de religieuze staat overgaan' (de inmenging van de bisschop die noemt hij niet).

•  Jan van Ruusbroec (prior)
•  Jan Hinckaert
•  Frank van Coudenberg (proost)
•  Wouter Rademaker
•  Jan van Leeuwen (kok)

    ↳ 1343: van Brussel naar Groenendael
         1350: klooster

We gaan terug naar het verslag van Broeder Geraert van Herne. Broeder Geraert beschrijft ook het uiterlijk van Ruusbroec, de eerste indruk die hij van Ruusbroec kreeg.


Er zou heel wat stichtelijks over hem te vertellen zijn: over zijn kalm en opgewekt gelaat, over zijn welwillend en ootmoedig spreken, zijn vergeestelijkt uitwendig voorkomen en de religieuze houding die sprak uit zijn habijt en heel zijn handel en wandel.


Broeder Geraert (VI, blz. 21).


'Een kalm en opgewekt gelaat', zegt broeder Geraert. In de Bloemlezing heb ik twee portretjes van Ruusbroec opgenomen. Het linker portretje is gemaakt in 1356, Ruusbroec is dan 63 jaar oud. Het is getekend in een hoofdletter in één van de handschriften. Het rechter portret is daar duidelijk op geënt, dat stamt uit 1580, dus 200 jaar later. Dat portret hangt in het Ruusbroec-genootschap in Antwerpen.

jan van ruusbroec portret initiaal handschrift ca 1356 jan van ruusbroec schilderij portret ruusbroecgenootschap ca 1580

Links: portret in initiaal (handschrift 1356)
rechts: schilderij Ruusbroec
(ca. 1580, Ruusbroecgenootschap)
-klik rechts voor vergroting-




De boeken van Ruusbroec


Terug naar het verslag van broeder Geraert. De drie dagen dat Jan van Ruusbroec in het kartuizerklooster in Herne is, spreekt hij met de broeders over allerlei geestelijke zaken, over zijn eigen boeken en uiteindelijk ook, onder vier ogen met broeder Geraert, over de gewraakte passages in Dat rike der ghelieven, waar de broeders aanstoot aan namen.


En toen ik onder vier ogen hem aansprak met betrekking tot die woorden die in het eerste boek Dat rike der ghelieven voorkomen en waaraan wij aanstoot namen, antwoordde hij kalm dat hij niet wist dat het boek bekend was geraakt en dat het hem leed deed dat het verspreid was, want het was het eerste boek dat hij geschreven had. Een priester die Jans secretaris was geweest, had het ons in het geheim geleend om het over te schrijven. Hij had nochtans het verbod gekregen om het door te geven.

Toen ik dat vernam, wilde ik hem dit eerste boek van Dat rike der ghelieven teruggeven om ermee te doen wat hij goed vond, maar hij weigerde en zei dat hij een ander boek zou schrijven ter verklaring. Hij zou daarin duidelijk maken wat hij met die woorden bedoelde en hoe hij zou willen dat men ze verstond. Zo deed hij en dit is het laatste boekje van deze vijf, en het begint met de woorden 'Die propheet Samuel'.


Broeder Geraert (VII, blz. 23-24).


Dit boekje kennen wij tegenwoordig onder de titel Het boecsken der verclaringe, het boekje met de toelichting of het boekje met de uitleg. Het is natuurlijk een heel vreemd verhaal dat broeder Geraert hier schrijft.

Ruusbroec had blijkbaar een secretaris, een klerk. Nu weten we dat Ruusbroec zelf op wastafeltjes schreef en dat mogelijk iemand anders de tekst dan op perkament overschreef, en deze persoon wordt waarschijnlijk bedoeld met 'zijn secretaris'. Deze secretaris heeft dus àchter de rug van Ruusbroec om, zijn allereerste werk, Dat rijke der ghelieven (waar hij blijkbaar zelf niet tevreden over was), uitgeleend aan de kartuizers te Herne. Dat is natuurlijk een heel vreemde gang van zaken. Maar goed, we danken er wel het bestaan van het Boecsken der verclaringe aan.

Broeder Geraert zegt in dit fragment dat hij vijf werken van Ruusbroec heeft overgeschreven. Op de eerste plaats natuurlijk Het rijke der ghelieven; en het laatste is natuurlijk Dat boecsken der verclaringe. Daarnaast had broeder Geraert overgeschreven: Die gheestelike brulocht, waar wij ook uit zullen gaan lezen; Den gheesteliken tabernakel, dat was in de Middeleeuwen het meest verspreide handschrift van Ruusbroec; en het boekje Van den blinckende steen.

Over De blinckende steen schrijft broeder Geraert óók waarom Ruusbroec het heeft geschreven:


Over het vierde boek, Dat hantvingherlijn of Van den blinckende steen, moet men weten dat heer Jan op een bepaald ogenblik over geestelijke zaken met een kluizenaar zat te praten. Toen zij afscheid namen, smeekte die broeder hem dringend dat hij de zaken die ze daar behandeld hadden ter verklaring op schrift zou willen stellen opdat hij en nog iemand anders daar hun voordeel mee zou doen. Op zijn verzoek maakte hij dit boek, dat op zichzelf al genoeg lering bevat om een mens tot een volmaakt leven te brengen.


Broeder Geraert.


Net als bij Het boecsken der verclaringhe, is dus ook hier bij Vanden blinckende steen een vraag of het verzoek van een ander, de aanleiding voor Ruusbroec om een boek te gaan schrijven. We zullen zien dat dit voor meer boeken van Ruusbroec geldt.

Broeder Geraert van Herne bezit eerst vier boeken van Ruusbroec: Dat rijke der ghelieven, Die gheestelike brulocht, Van den gheesteliken tabernakel en Van den blinckenden steen. Na het bezoek van Ruusbroec komt daar nog een boekje bij: Het boecsken der verclaringe. Ruusbroec heeft echter nog meer boeken geschreven, ze staan in volgorde van ontstaan in de Bloemlezing.


blad blinkende steen handschrift ruusbroec

Een blad uit Van den blinckende steen
(afschrift uit 1361).
-klik voor vergroting-


Ruusbroec schreef zijn werken tussen ongeveer 1333 en 1365 (dus tussen zijn 40e en 72e levensjaar). Het gaat om 11 tractaten (een tractaat is een filosofische of religieuze verhandeling). Laten we de lijst even kort langslopen.

1 - Dat rijcke der ghelieven (± 1333). Dat is dus Ruusbroeks eerste werk, dat achter zijn rug om verspreid werd. Misschien had hij het alleen voor enkele naasten geschreven, of had hij het wel met het oog op publicatie geschreven, maar was hij er achteraf, toen het eenmaal af was, niet zo tevreden over. Waar hij wel heel tevreden over was, was zijn tweede werk,

2 - Die gheestelike brulocht (geschreven rond 1335-40, nog in Brussel). Broeder Geraert schrijft hierover: 'hij hield het voor betrouwbaar en goed en wenste dat het veel vermenigvuldigd zou worden'. Ruusbroec stuurde dit boek in 1350 naar een groep godsvrienden in Straatsburg. Hierdoor weten we dus dat Ruubroec contact onderhield met de godsvrienden in het Rijnland. Het derde boek is

3 - Van den blinckenden steen. Daarvan weet broeder Geraert te melden dat het is geschreven naar aanleiding van een gesprek met een kluizenaar.

4 - Van den vier becoringhen gaat over verschillende bekoringen die je tegen kunt komen in een geestelijk gericht leven.

5 - Van den kerstenen ghelove is een heel eenvoudig tractaat over het geloof en over het eeuwige leven. Misschien is het geschreven voor onderricht in de St. Goedelekerk, waar Ruusbroec kapelaan was.

6 - Van den gheesteliken tabernakel (rond 1350) is het eerste werk dat hij in Groenendaael heeft geschreven, maar voor wie het bestemd was, is onduidelijk, wellicht in eerste instantie voor de groep bewoners van Groenendaal.

De volgende drie titels

7 - Van den seven sloten

8 - Een spieghel der eeuwigher salicheit

9 - Van seven trappen in den graed der gheesteleker minnen zijn alledrie voor Brusselse Clarissen geschreven. In één geval weten we zelfs haar naam: Margriet van Meerbeke. Eén van de brieven die Ruusbroec schreef, is ook aan haar gericht en daarin refereert Ruusbroec zelfs aan een bezoek dat hij aan haar heeft gebracht. Blijkbaar had Ruusbroec dus veel contact met het Clarissenklooster in Brussel.

10 - Dat boecsken der verclaringhe (± 1363), dat heb ik net verteld, dat is geschreven naar aanleiding van het bezoek aan de kartuizers te Herne, in het bijzonder aan broeder Geraert. Ruusbroec schreef dit toen hij tegen de 70 liep, dus rond 1360, 1363. En tot slot

11 - Van den XII beghinen (± 1365), dus 'van de twaalf begijnen'. Dit is een beetje rommelig geheel, alsof het is samengesteld, en het is niet voltooid; wellicht is het pas na zijn dood samengesteld.


Zijn omvangrijkste werken zijn: de Brulocht met 187 blz. en het Tabernakel met 272 blz. (in de hertaling van Moereels).

Naast deze elf tractaten heeft Ruusbroec zeven brieven geschreven, althans, er zijn zeven brieven van zijn hand bewaard gebleven. Eén aan een Brusselse Claris, dezelfde Margriet van Meerbeek voor wie hij ook die drie boeken schreef; één aan een zekere vrouwe Machteld; één aan kluizenaars in Keulen; en nog vier aan verschillende adellijke dames.

scriptorium rooklooster middeleeuwse miniatuur

Kopiist in het scriptorium van het Rooklooster, nabij Groenendaal. Dit klooster bezat handschriften van Hadewijch en Ruusbroec.
(Hs. Brussel, KB 213, f. 2r, 15de eeuw)
-klik voor vergroting-


Twee dingen vallen op aan deze lijst. Ten eerste dat hij al zijn werken in het Middelnederlands heeft geschreven. En dat is in de 14de eeuw nog steeds heel bijzonder als het gaat om geestelijke teksten. Nog steeds is het Latijn de voertaal van de kerk en de kloosters. Vanaf de 13de eeuw wordt er al wel in de volkstaal over geloof geschreven, maar dan steeds door vrouwen, vrouwen die minder opleiding hadden dan mannen - en vóór vrouwen, vrouwen die geen of weinig Latijn kenden, bijvoorbeeld de begijnen.

Maar Ruusbroec is een man en nog wel een man van de kerk: hij is priester en later kloosterling. Hij kent wèl Latijn, hij heeft een goede opleiding gehad aan de school van de St. Goedelekerk in Brussel; en hij heeft mensen om zich heen die ook een opleiding hebben gehad en Latijn kennen, zoals Jan Hickaert en Frank van Coudenberg, en kluizenaars en monniken. Toch schrijft hij (als man met een opleiding binnen de kerk) in het Middelnederlands. De vraag is waarom. Daar kom ik zo op terug.

Op de tweede plaats valt op aan deze lijst dat Ruusbroec in veel gevallen een aanleiding had om te gaan schrijven of dat hij een specifieke doelgroep op het oog had. Heel opvallend zijn natuurlijk de boeken en de brief voor de Clarissen, in het bijzonder Margriet van Meerbeke. Hier is het wel weer logisch dat hij in de volkstaal schrijft, deze vrouwen kenden waarschijnlijk niet genoeg Latijn om moeilijke werken in het Latijn te kunnen lezen. Hier is het dus de doelgroep waarom hij in de volkstaal schrijft.

Maar De blinkende steen (nr. 3) is geschreven voor een kluizenaar en Dat boeksken der verclaringhe (nr. 10) is geschreven voor kartuizers en die kenden allemaal prima Latijn. En hoe zit het bij het Tabernakel, of bij de Brulocht?

Gelukkig heeft broeder Geraert ook hier iets over opgeschreven! Op enigszins verdedigende toon beschrijft hij wat de voordelen zijn van de volkstaal boven het Latijn.


Men vindt wel mensen die, niettegenstaande zij beter Diets dan Latijn verstaan, niet zo graag studeren in geestelijke boeken in het Diets als in het Latijn. Deze mensen zoeken niet de vrucht van hun studie, dat is: er iets uit te leren; want van die geschriften waarvan ik de taal bezwaarlijk of moeilijk of niet versta, kan ik de volledige lering niet vatten.

Maar een geschrift, waarin ik mij niet vergissen kan omtrent de betekenis van de woorden en de zinswendingen kan ik met begrip in mij opnemen. Versta ik ze goed, dan kan ik eruit leren, maar zonder ze goed te verstaan leer ik nooit.


Broeder Geraert (XIII, blz. 28-29).


Broeder Geraert hekelt hier in feite de mensen, waarschijnlijk doelt hij hier vooral op priesters en kloosterlingen, die liever Latijn lezen, zelfs al begrijpen zij het Diets veel beter. Het gaat erom, volgens broeder Geraert, dat je wijzer wordt van dat wat je leest. En daarvoor is de volkstaal, je moedertaal, veel beter geschikt dan een (later aangeleerde) taal als Latijn. Maar dat hij het nodig vindt om dit hier zo expiciet te zeggen, te verdedigen, wijst erop dat er in de praktijk grote voorkeur werd gegeven aan het Latijn - en ook dat de boeken die hij heeft overgeschreven, dus de Brulocht en het Tabernakel, bestemd zijn voor mensen die normaal gesproken Latijn lezen, religieuzen dus, kloosterlingen.

Het is geen toeval dat broeder Geraert uiteen zet wat volgens hem de voordelen zijn van de volkstaal boven het Latijn. Het klooster van Herne was namelijk een voorloper op het gebied van het kopiëren van geestelijke teksten in de volkstaal. Ze bezaten een uitgebreide bibliotheek met Middelnederlandse geestelijk teksten, onder meer dus vier (later vijf) teksten van Ruusbroec. En het is hoogstwaarschijnlijk ook in het klooster van Herne geweest dat de Bijbel rond 1360 uit het Latijn in het Middelnederlands werd vertaald.



De bijbel in de volkstaal


Heel veel mensen denken dat de Bijbel pas in de volkstaal werd vertaald ten tijde van Luther, het protestantisme in de 16de eeuw, maar niets is minder waar; daar was men in het begin van de 13de eeuw al mee begonnen. Het is een klein beetje een zijweg, maar ik zal er toch in het kort iets over zeggen. Oorspronkelijk is de Bijbel geschreven in het Hebreeuws (het Oude Testament) en het Nieuwe Testament voor het grootste deel in het Koine-Grieks. In de 4de eeuw wordt de bijbel in het Latijn vertaald door één van de kerkvaders: Hiëronymus. Die vertaling wordt de Vulgaat ('algemeen verbreid') genoemd.

Er zijn in de loop van de eeuwen wel meer Latijnse vertalingen gemaakt, maar in de 12de eeuw kiest de Parijse universiteit ervoor om de Vulgaat te gaan gebruiken en dan wordt de Vulgaat de standaard-Bijbel. De Bijbel is overigens ook al heel vroeg in andere talen vertaald: in de eerste eeuw in het Grieks en in de 4de eeuw in het Gotisch (een Oost-Germaans dialect): het beroemde 'zilveren handschrft' van bisschop Wulfila. Dus eigenlijk is de Bijbel in de 4de eeuw al in de volkstaal van de Oost-Germanen vertaald.

Jullie herinneren je misschien van de eerste bijeenkomst dat het Middelnederlands hoort bij de West-Germaanse dialecten, het Gotisch hoort bij de Oost-Germaanse dialecten: het Oost- en West-Germaans zijn dus eigenlijk zusjes van elkaar. En dat zie je ook: het is heel grappig om dat Gotisch te lezen. Ik wijk nu wel erg ver af van mijn verhaal, maar ik zal een zinnetje uit dat Gotisch op het bord zetten: 'Atta unsar, thu in himinam, weihnai namo thein', letterlijk: 'Vader onze, gij in hemelen, heilig naam uw'.

Nou, tot zover even de 4de eeuw; in de 13de eeuw gaat men steeds vaker delen van de Bijbel in de volkstaal opschrijven; vaak niet letterlijk 'vertalen', eerder verhalend navertellen. Er komen teksten met het levensverhaal van Jezus (Vanden levene ons Heren); verder komen er teksten met verzamelingen korte bijbelpassages in de volkstaal en teksten met de psalmen. De héle geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament is rond 1270 door Jacob van Maerlant (±1235-1300) bewerkt en staat nu bekend als de Rijmbijbel (ook dat is nog géén vertaling, maar het vertelt de bijbelse geschiedenis na).


rijmbijbel jacob van maerlant schepping

De Rijmbijbel (±1270) van Jacob van Maerlant,
de 7-daagse schepping in zeven afbeeldingen
-klik voor vergroting-


In Herne is ergens voor 1360 een groot project aangevat: want toen is men de héle Vulgaat in het Middelnederlands gaan vertalen; deze keer een echte vertaling, wel hier en daar aangevuld met geschiedenis.

Dit was trouwens níet in opdracht van de adel (wat je zou verwachten van literatuur in de volkstaal), maar -heel opmerkelijk- van iemand uit de burgerij, namelijk Jan Taye uit Brussel, die daar schepen in het stadsbestuur was. Deze familie Taye had eerder al schenkingen gedaan aan het klooster van Herne en was een zeer welgestelde familie, behorende tot de bestuurlijke elite van Brussel.

Deze bijbelvertaling is de beroemde Hernse Bijbel of de Bijbel van 1360. De beoogde doelgroep hiervan was dus niet de adel, maar de burgerij. Als je dan bedenkt dat Jan van Ruusbroec ergens tussen 1360 en 1363 in Herne is geweest, dan zal hij zeker van dit prestigieuze project vernomen hebben, maar helaas is daar niets over opgetekend.

Dit was even een zijweg, naar aanleiding van de passage waarin broeder Geraert uiteenzet was volgens hem de voordelen zijn van de volkstaal boven het Latijn: je moedertaal begrijp je het best, en daarom leer je het meest uit de teksten die in de volkstaal geschreven zijn.



Waarom schrijft Ruusbroec in de volkstaal?


We zagen dus net dat de doelgroep (vrouwen die geen Latijn kennen) voor Ruusbroec een reden kan zijn om in het Diets te schrijven. Ook dat de volkstaal beter te begrijpen is dan het Latijn, waardoor je kennis beter opneemt, kan een reden zijn om in de volkstaal te schrijven.

Maar broeder Geraert vertelt nòg iets heel belangrijks over het schrijven in de volkstaal: hij geeft namelijk de reden waarom Ruusbroec ervoor heeft gekozen om in de volkstaal te schrijven. Hierover zegt broeder Geraert het volgende:


Verder dient men te weten dat de geschriften en boeken van heer Jan van Ruusbroec in Brabant, in Vlaanderen en in de omliggende landen zeer verspreid werden. Ze werden uit het Brabants Diets in andere talen vertaald, zelfs in het Latijn om in verre landen gelezen te kunnen worden.

Toentertijd was er grote behoefte aan gezond geestelijk onderricht in de volkstaal omwille van enige ketterijen en dwalingen (huichelachtigheden en tegenstrijdigheden) die de kop opgestoken hadden. Ruusbroec beschrijft die duidelijk op het einde van het tweede deel van het boek Die chierheit der gheesteliker brulocht en elders in zijn boeken maakt hij er ook dikwijls gewag van.


Broeder Geraert (III, blz. 19).


Broeder Geraert geeft hier als reden dat Ruusbroec zijn werken in de volkstaal schreef: 'er was in die tijd grote behoefte aan een heilig en volledig onderricht in het Diets, want er hadden toen enkele huichelachtigheden en tegenstrijdigheden de kop op gestoken'.

Blijkbaar maakte Ruusbroec zich zorgen over allerlei ideeën over het geloof die onder het 'gewone volk' voorkwamen, zeg maar het niet-Latijn-sprekende deel van de bevolking - dwalingen en ketterijen. Er ontstaan in de steden in de 14de eeuw inderdaad nieuwe religieuze ideeën onder bepaalde groeperingen en Ruusbroec ontleedt die ideeën ook in de Brulocht en heeft er felle kritiek op. Hij bestempelt dit als 'valse mystiek'. Daar kom ik volgende week op terug.

Ruusbroec schrijft dus niet alleen voor priesters en kloosterlingen om hem heen; hij schrijft óók voor 'het volk', om geestelijk onderricht te geven in een taal die zij konden verstaan. Waarschijnlijk moeten we hierbij denken aan de mensen die de St. Goedelekerk bezochten, en ook aan de lekebroeders in Groenendaal, zoals de kok Jan van Leeuwen, en ook aan de verschillende adellijke dames aan wie hij brieven schreef en wellicht zelfs aan de begijnen in Brussel, waar zijn moeder bij was gaan wonen.

Ruusbroec schreef dus enerzijds voor kloosterlingen en kluizenaars, die naast Latijn natuurlijk ook best Nederlands konden lezen en misschien zelfs wel veel beter konden begrijpen. En anderzijds voor 'het volk', leken, mensen die geen Latijn hadden geleerd, en wel hun weg zoeken op religieus gebied, die zoeken naar geestelijk inzicht (en die blijkbaar, naar Ruusbroecs mening, gevaar lopen om allerlei dwalingen en onjuiste ideeën op te doen).

Redenen om te schrijven in de volkstaal:
  • Doelgroep kent geen Latijn (bijv. vrouwen / lekebroeders)
  • Volkstaal is begrijpelijker (ook voor priesters / kloosterlingen)
  • Ketterijen en dwalingen tegengaan

Broeder Geraert specificeert de doelgroep van Ruusbroec verder niet, hij schrijft niet wie de teksten lazen en met wie Ruusbroec verder contact had. Maar dat moet behoorlijk uitgebreid zijn geweest. Er zijn meer dan 160 handschriften overgeleverd met één of meerdere teksten van Ruusbroec, en dat is voor de Middeleeuwen een ongekend hoog aantal.

Verder hebben we daar nog andere getuigenissen over, want rond 1414, dus 30 jaar na het overlijden van Ruusbroec, is er in Groenendaal een verslag geschreven over de oprichting van Groenendaal, met ondermeer een biografie over Ruusbroec. Dat werk is geschreven door Hendrik Utenbogaerde, ook wel Pomerius genoemd. In dat werk zie je heel duidelijk dat Ruusbroec vele contacten onderhield en dus middenin de maatschappij stond.

Ruusbroec heeft zich in het Zoniënwoud niet teruggetrokken om zich van de wereld af te zonderen, maar treedt actief op als geestelijk leidsman. Met zijn geschriften is hij één van de eersten die de religieuze kennis niet binnen de kerk houdt, in een soort 'geheimtaal' (het Latijn), teksten die exclusief bestemd waren voor een groep ingewijden, geschoolde mannen; maar hij wendt zich vanúit de officiële kerk in begrijpelijke taal naar het gelovige volk om hen kennis te geven over religieuze zaken, hen te onderrichten, te laten nadenken en vooral: de religieuze erváring, de werkelijk belééfde spiritualiteit, de persoonlijke ervaring weer in het middelpunt van het geloof te plaatsen.



Ruusbroecs faam in Europa: verspreiding, vertalingen en doorwerking van zijn geschriften


De teksten van Ruusbroec moeten een hoge verspreiding hebben gekend, want er zijn dus ruim 160 handschriften met (delen van) zijn werk in het Middelnederlands overgeleverd (volgens telling De Vreese).

Maar daarnaast werd zijn werk, zowel tijdens als na zijn leven, in vele talen vertaald. Al in 1360 vertaalde een medebroeder in Groenendael, Willem Jordaens (die uit een adellijk geslacht afstamde en in Parijs had gestudeerd) de Brulocht in het Latijn. Daarmee kreeg het werk ruimere verspreiding in geschoolde kringen. Ruusbroec is de enige Middelnederlandse auteur van wie werk al tijdens het leven in het Latijn werd vertaald.

In 1350 stuurt de priorij van Groenendael de Brulocht naar twee Duitse groepen godsvrienden, in Bazel en Straatsburg. Het boek wordt dan in het Hoogduits vertaald. De dominicaanse mysticus Johannes Tauler (medebroeder van Meester Eckhart in Straatsburg) en de dominicaanse prior Hendrik Seuse werden hierna bewonderaars van Ruusbroecs mystieke werk. Ook nog in de 14de eeuw verschijnt er een bewerking in het Engels. In deze gevallen is duidelijk te zien, dat de gemeenschap in Groenendael de Brulocht actief probeert te verspreiden.

De Deventenaar Geert Grote (1340-1384) bezocht Ruusbroec rond 1378 en vertaalde de Brulocht opnieuw in het Latijn (rond 1383, kort na Ruusbroecs overlijden). Grote was de grondlegger van de Moderne Devotie, waardoor Ruusbroecs mystieke gedachtegoed in die stroming kon doorwerken.

Zeer belangrijk echter voor de Europese verspreiding van Ruusbroecs mystieke gedachtegoed, was de 16de-eeuwse Latijnse vertaling van de Keulse kartuizer Laurentius Surius (overl. 1574). Deze vertaalt zijn volledige oeuvre in het Latijn (voltooid in 1552), een vertaling die zeer werd geprezen om zijn nauwkeurigheid en welsprekendheid. Vanuit deze vertaling wordt het verzamelde werk dan weer vertaald in het Italiaans (1565), Frans (1606), Spaans (1696) en Duits (1701). Zo worden de contouren van Ruusbroecs faam door heel Europa door de eeuwen heen duidelijk.


De Parijse hoogleraar Jean Gerson (1363-1429) gooit echter roet in het eten van deze groeiende vermaardheid van Ruusbroecs mystieke leer. Deze krijgt in 1399 de Latijnse vertaling van de Brulocht onder ogen en uit scherpe kritiek op het derde onderdeel, het Godschouwende Leven. Hij vindt dat dit deel moet worden 'verworpen en vernietigd'. Groenendaal probeert de kritiek te weerleggen, maar dat overtuigt Gerson niet.

Hierna bleef in Frankrijk de schijn van mogelijk ketterse denkbeelden aan de werken van Ruusbroec kleven. Door het afkeurende oordeel vanuit de Parijse universiteit, over die ene passage (die niet in de woorden van Ruusbroec was, maar in zijn Latijnse vertaling) is de verspreiding van Ruusbroecs spirituele denkbeelden binnen de kerk en in het Romaanse taalgebied sterk geremd. Het zou nog twee eeuwen duren voor de Brulocht in het Frans werd vertaald.

Daarmee zijn er drie groeperingen aan te wijzen, waarin Ruusbroecs gedachtegoed onmiskenbaar doorwerkt. Ten eerste bij de augustijner kanunniken, waaraan Groenendael verbonden was. En herinner je: religieuze ordes waren in de Middeleeuwen in feite internationale organisaties, door heel Europa heen en zelfs nog daarbuiten, waarin kennis werd uitgewisseld in een lingua franca, het Latijn.

Ten tweede zien we die doorwerking duidelijk bij de kartuizers, opnieuw zo'n internationaal kennisnetwerk, waar zijn geschriften in ruime mate werden gelezen. Bijvoorbeeld iemand als Dionysius van Rijkel, een Roermondse kartuizer, zette zich in de vijftiende eeuw nog altijd duidelijk in om de mystieke leer niet alleen binnen, maar ook buiten de orde te verspreiden. En ten derde dus bij de Moderne Devotie, de Broeders en Zusters van het Gemene Leven in de noord-oostelijke Nederlanden.

Algemeen wordt aangenomen, dat Ruusbroec de meest vertaalde Nederlandstalige auteur is van voor 1900. De ruime verspreiding van zijn werken, de vele vertalingen, en de verspreiding door Europa door de eeuwen heen, die trouwens tot de dag van vandaag doorgaat, geven een beeld van de bekendheid (en in sommige kringen beroemdheid) van de Brabander, de populariteit van zijn werken en het gezag dat hij genoot als mysticus. Het laat zien dat Ruusbroec weliswaar schreef in een klein taalgebied, maar toch wijd en zijd, en eeuw na eeuw, werd gewaardeerd als groot mysticus.

Vanaf de zeventiende eeuw doen bewoners van Groenendael pogingen om Ruusbroec zalig verklaard te krijgen. Het duurt echter nog bijna drie eeuwen voor het zover komt - maar in 1908 wordt Jan van Ruusbroec, de kapelaan uit Brussel, de prior van Groenendael, de schrijver van diepgravende mystiek in de volkstaal, zalig verklaard. Zo volgt toch nog kerkelijke erkenning. Zijn feestdag valt op 2 december.



Afronding


Het afgelopen uur hebben we ons beziggehouden met het leven van Jan van Ruusbroec (1293-1381). Ruusbroec werd tot priester gewijd (1317) en was 25 jaar als kapelaan verbonden aan de Goedelekerk in Brussel. Vanaf 1343 woonde hij in Groenendaal (Zoniënwoud). Dit was eerst een soort 'model-parochie', vanaf 1345 werd dit een proosdij (met Ruusbroec als prior).

•  Ruusbroec is (als priester, kapelaan, prior) een man van de kerk. Hij heeft de kapittelschool doorlopen en beheerst het Latijn.

•  Ruusbroec heeft 11 tractaten (religieuze verhandelingen) geschreven. Deze zijn allemaal in het Middelnederlands. Dit is opmerkelijk, omdat er binnen de kerk dan nog altijd in het Latijn over geloof wordt geschreven.

•  Hij had verschillende redenen om in de volkstaal te schrijven:
  • Doelgroep kent geen Latijn (bijv. vrouwen / lekebroeders)
  • Volkstaal is begrijpelijker (ook voor priesters / kloosterlingen)
  • Ketterijen en dwalingen tegengaan

•  In zijn teksten geeft hij onderricht over religieuze zaken en plaatst de religieuze ervaring (de beleefde spiritualiteit) in het middelpunt van het geloof.

•  De teksten kenden een zeer hoge verspreiding, zowel in het Middelnederlands als in vele vertalingen. Dit zegt iets over de populariteit van deze geschriften en het gezag dat Ruusbroec genoot als groot mysticus.



Na de pauze


Na de pauze gaan we in Die geestelike brulocht lezen.

Volgende week zal ik uitgebreid terugkomen op de inhoudelijke kritiek die Ruusbroec uiteenzet tegen de 'huichelachtigheden' en 'ketterijen' van zijn tijd - in zijn woorden: 'valse mystiek'.



Achtergrondinformatie


De cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen bestaat uit zeven bijeenkomsten. De mystieke teksten van Hadewijch en Ruusbroec worden hierin in een cultuur-historische context gelezen.

•  Over deze cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen: inhoud en opzet.

•  Achtergrondliteratuur bij deze cursus: over de Middeleeuwen, Hadewijch, Ruusbroec en middeleeuwse mystiek.

•  Over de docente Rozemarijn van Leeuwen.

•  Reacties lezen of zelf een reactie achterlaten.

•  Teksten van Hadewijch en Ruusbroec: fragmenten in het Middelnederlands en in hedendaagse hertaling.



Copyright


©  Bovenstaande tekst is een onderdeel van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

Het is niet toegestaan om deze tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen of mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: door het ghebreken
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec   ↑ Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >