RozemarijnOnline




Cursus
middeleeuwse mystiek





 • Over de docente
 • Reacties cursisten
 • Literatuurlijst
 • Teksten mystici

























Cursus over christelijke spiritualiteit
in een cultuur-historische context



Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen

De geloofs- en denkwereld van Hadewijch en Jan van Ruusbroec


Rozemarijn van Leeuwen
© 1999-2001



<     >



Ruusbroec: de bouwmeesters van het tabernakel



Teksten bij de cursus Middeleeuwse mystiek


In de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen lezen we delen uit Jan van Ruusbroecs Van den gheesteliken tabernakel (ca. 1350).

De Middelnederlandse tekst is overgenomen uit de uitgave:
Jan van Ruusbroec, Werken, deel 2, editie J. David (Gent, 1858).

De hertaling naar hedendaags Nederlands:
Jan van Ruusbroec, Het geestelijk tabernakel, of Gods waarachtige inwoning in de kerk van de ziel, hertaald door L. Moereels, S.J. (Tielt, 1982).

De witregels staan niet in de oorspronkelijke tekst, maar zijn toegevoegd voor de leesbaarheid.



Inhoud van de passage: de bouwmeesters van het tabernakel


In zijn tractaat Van den gheesteliken tabernakel gebruikt Ruusbroec het beeld van het tabernakel (een tempel) om zijn mystieke leer aan op te hangen. Vrij aan het begin behandelt hij de bouwmeesters van het tabernakel. Zo kan elk mens een tabernakel, een heilige plaats, een woonplaats voor God, bouwen in zijn ziel.

De bouwmeesters laten zien, aan welke voorwaarden de mens moet voldoen om aan de bouw van een tabernakel te beginnen.

In deze lange passage gaat Ruusbroec uitgebreid in op zijn mensbeeld (wezen, geest en ziel) en de mens als beeld en gelijkenis van God. Dit aan de hand van drie generaties bouwmeesters: de grootvader Ur; zijn zoons Uri en Achisamech; en zijn kleinzoons Beseleël en Oliab.

De grootvader Ur staat voor vier eigenschappen van de drie Personen van God; de zoons staan voor de vier aspecten van de genade van God; en de kleinzoons staan voor de twee geestelijke vermogens van de mens (de wil en het verstand), die ingekeerd en uitgekeerd kunnen zijn.

De mens kan zijn verstand in overeenstemming brengen met het licht van de Zoon en uitgekeerd en ingekeerd leren gebruiken. En hij kan zijn wil in overeenstemming brengen met het vuur van de Heilige Geest. Dan kan de bouw van het tabernakel, de woonplaats voor God in zijn geest, een aanvang nemen.



Bespreking in cursusbijeenkomst


In de zevende bijeenkomst van de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen worden delen uit onderstaande passage besproken:
Bijeenkomst 7b. Ruusbroec: Om Hem te ontmoeten.

Terug naar het overzicht met teksten bij de cursus:
Teksten van de middeleeuwse mystici Hadewijch en Ruusbroec.



©  Copyright onderstaande tekst


Het is niet toegestaan om onderstaande tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren. Zie toelichting bij 'copyright' onderaan deze pagina.





Ruusbroec: de bouwmeesters van het tabernakel





Nu wille ic voert mire materien volgen, ende wille ons leren hoe iegewelc redelec minsche Gode sal maken .j. geestelec tabernakel, daer hi, verenecht met Gode, ewelec inne woenen sal.

Eest dat wi nu rechte geleert willen werden, soe sele wi merken .iij. dinc. Dat ierste dat wi merken selen, dat es dat God vercoes principaleke Beseleelle ende Oliabpe sinen tabernakel te makene. Dat ander es datten God gemaect woude hebben van willegen offere alles des volcs van Israel. Dat derde es dat Ythamar, Aarons sone des oversten priesters, alle die offerande ontfinc ende leverde voert den werclieden, die wrachten ane den tabernakel Goeds, iegewelken na dat heme toe behoorde.

Ende dit proeven wi aldus, dat onse Here sprac tote Moysesse, ende seide hem dese waerde: Siet, ic hebbe gheroepen ute sinen name Beselelle Hurys sone, Hurs sone, van den gheslechte van Juda; ende hebbene vervult met den geeste Goeds, met wijsheiden, ende met verstendecheiden, ende met conste in iegewelken werke, te verpeisene wat dat men maken mach van goude, van selvere ende van eere, van marbere, ende van gemme, ende van alderanden houte.

Ende ic hebbe hem gegeven enen geselle Oliabpe, Achisamechs sone, van Dans geslechte. Ende ic hebbe wijsheit gegeven in iegewelcs geleerts minschen herte, op datsi mogen maken alle die dinghe die ic u geboden hebbe: dat tabernakel der getonst, ende die arke des getuuchs, ende dat propiciatorium dat boven die arke es, ende alle die vate des tabernakels, die tafele ende hare vate, dien alderpuersten candelere met sinen vaten, ende dien outaer der dierbare crude ende dies verberrens , ende alle hare vate, dat lavoer met sire baschen, die heilege gewaden inne te dienne Aaronne den priestere ende sinen sonen, op dat si mogen ufenen haren dienst in geheilechden ornamenten; olie der salvinge, ende sunderlinge specie, wel rikende crude in den heilechdoeme. Ende alle die dinge die ic u geboden hebbe, die selen si maken.
 
 



(blz. 30) Nu wil ik verder op mijn stof ingaan en verklaren, hoe ieder redelijke mens een geestelijk tabernakel moet oprichten, waarin hij eeuwig met God verenigd zal wonen.

Zo wij nauwkeurig onderricht willen worden, moeten wij drie dingen in acht nemen. Het eerste dat wij in acht moeten nemen, is dat God voornamelijk Beseleël en Oliab uitkoos om zijn tabernakel te maken. Het tweede is, dat God verlangde dat het zou gemaakt worden met vrijwillige offers van heel het volk van Israël. Het derde is, dat Ithamar, de zoon van Aäron de hogepriester, al die offers in ontvangst nam en ze aan de werklieden, die aan het tabernakel werkten, overhandigde naar wat hun elk toekwam.

En dat stellen we vast in wat onze Heer tot Mozes sprak met deze woorden: "Daarna sprak de Here tot Mozes, zeggende: Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda. En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper, En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.

En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb. Namelijk de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der tent; En de tafel, met haar gereedschap; en den louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar; Ook des brandoffers altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet; En de ambtsklederen, en de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen; Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken". (Ex. 31:1-11)

Hier mogedi merken ende proeven dat God riep ende vercoes, ute al den volke van Israel, Beseleele ende Oliabpe, datsi souden sijn die overste boven alle die werclieden in conste ende in wijsheiden, hoe men dat tabernakel Goeds maken soude, met al dire cierheit die daertoe behoerde.

Ende hier omme, eest dat wi willen Gode maken .j. ewech tabernakel in ons, soe moten wi sijn Beseleel ende Oliab. Hiermede verstaen wi onsen vrien wille, ende onse verstendecheit. Daermede moten wi gehoersam sijn den geeste Goeds, ende alsoe werden wi vervult met allen godleken gaven, .j. ewech tabernakel Gode te makene in ons, in cierheiden van dogeden, also als Beseleel ende Oliab, na der figuren, waren vervult niet menechfoldegen dogeden ende gaven, een utewendech tabernakel te makene in den dienste Goeds.

Eest alsoe dat wi dit willen beginnen ende volbringen, soe moten wi bescouwen ende merken die naturleke geboerte Beseleels ende Oliabs, daer si ute geboren sijn. Alsoe alse ons God selve noemt, soe selen wi merken haerre vorderen namen, ende wat die namen bedieden.

Beseleels oudervader hiet Hur, ende sijn vader Huri. Hur es alsoe vele geseget als .j. vier. Hier mede versta wi dat vier der eweger minnen Goeds, daer iegewelke geboerte, die van genaden es, inne begint. Ende ute Hurre, dat es ute deser eweger minnen Goeds, was Huri geboren, daer wi die gracie Goeds bi verstaen, want Huri ludet alsoe vele als mine lingde, oche mijn verlichtere.

Hier in mogen wi merken dat de genade Goeds es iegewelcs minschen lingde di mint. Want alsoe lange ende alsoe verre alse die genade leidet ende wiset, soe mach de minsche wandelen, ende niet vordere. Ende aldus es oec die inblic der gracien Goeds des minschen verlichtere, want hi verclaert die inwendege ogen, ende hi leert den wech der waerheit sonder dolen, ende hi toent ten inde dat leven daer al goet inne es verborgen.
 
 

Hier kunt gij bezien en vaststellen, dat God uit al het volk van (blz. 31) Israël Beseleël en Oliab riep en uitverkoos, opdat zij, ver boven alle werklieden staande door hun kunstvaardigheid en wijsheid, bekwaam zouden zijn om het tabernakel Gods te bouwen met al de heerlijkheid die erbij paste.

En hierom, zo wij voor God een eeuwig tabernakel in ons willen oprichten, moeten wij Beseleël en Oliab zijn. Hieronder verstaan wij onze vrije wil en ons verstand. Daarmee moeten wij Gods geest gehoorzaam zijn, en zo worden wij met alle goddelijke gaven vervuld, om bekwaam te zijn een eeuwig tabernakel in ons te maken dank zij de luister van de deugden, zoals Beseleël en Oliab volgens de figuur met velerlei kundigheid en begaafdheid vervuld waren, om een uitwendig tabernakel voor Gods dienst te maken.

Zo wij dit willen beginnen en volbrengen, moeten wij de natuurlijk afstamming, waaruit Beseleël en Oliab geboren zijn, beschouwen en overwegen. Zoals God ze zelf vermeldt, moeten wij ook de namen van hun voorvaderen en de betekenis van hun namen nagaan.

Beseleëls grootvader heette Hur en zijn vader Huri. Hur betekent zoveel als een 'vuur'. Hieronder verstaan wij het vuur van de eeuwige minne Gods, waarin elke geboorte, die uit genade is, begint. En uit Hur, dat is uit deze eeuwige minne Gods, was Huri geboren. Hieronder verstaan wij de genade Gods. Want Huri betekent zoveel als 'mijn lengte' of 'mijn verlichter'.

(blz. 32) Hiermee kunnen wij inzien, dat de genade Gods de lengte (de verlichting) is van ieder mens die mint.Want al zo lang en al zo verre dat de genade hem leidt en onderricht, zo kan de mens wandelen en niet verder. En aldus is ook het inschijnen van Gods genade 's mensen verlichter, want het verklaart de inwendige ogen en leert de weg der waarheid zonder dolen en toont aan het einde van de weg: het leven, waarin alle goed verborgen is.

Nochtan es groet middel ende ondersceet tusschen die genade die de Joeden hadden, ende die wi nu hebben; want hoevele si gracien ende dogeden hadden, si moesten alle in der helle des dages der gracien ontbeiden, daer wi nu inne geboren sijn. Ende hieromme riepense, ende clageden, ende suchten, ende wencden, omme datsi ute Hurre waren geboren; want die .H., die anders niet en bediet dan openinge des monts, roepinge der stemmen, storminge des geests, die middelde tusschen hen ende Gode, beide in der geboerten der gracien, ende in der wedergeborten tote der glorien.

Maer nu, in desen dage der gracien, soe es die .H. aue gewasschen metten bloede ons Heren; ende hieromme es onser oudervader Ur, ende onse vader Uri. Dese sijn beide simpel, sonder .H., want wi sijn al versoent: ende hieromme, in onser geesteleker geboerten, soe willen wi altoes Urre ende Uri noemen, sonder .H.

Ur, sonder .H., es alsoe vele geseget alse licht, och vier, ochte verberren, ochte ene venstere. Met desen .iiij. poenten versta wi .iiij. namen, dat sijn .iiij. eigenscape, die wi in Gode vinden, die oersake ende begin sijn onser geesteleker geboerte, ende alle onser dogede.

Want God es een licht daer alle dinge inne leven, ende overmids dit licht, werden alle dinge gescapen ende geordent, met onderscede in haer naturleke wesen. Ende overmids gehelen toekeer ons geests tote desen lichte, werden alle dinc volmaect in ons, ende wederbracht in hare begin; ende aldus werden wi den lichte geenecht, ende herboren anderwerf ute desen lichte, boven nature, in der genaden. Ende in der wedergeboerten werden alle dingen onse eigen, want wi hebben alle dinc wel geordent ende wederbracht in hare begin. In desen beginne vinden wi in ons geboren .j. ewech licht, dat es de Sone Goeds. Ute desen lichte ontfaen .iiij. manieren van lichte.
 
 

Nochtans is er een groot verschil en onderscheid tussen de genade die de Joden hadden en de genade die wij nu hebben. Want hoeveel genaden en deugden zij ook hadden, zij moesten allen in de hel (het voorgeborchte der Vaders) de dag van genade, waarin wij nu geboren worden, verbeiden. En daarom riepen, klaagden en zuchtten en weenden zij, omdat zij uit Hur geboren waren. Want de H betekent niets anders, dan de opening van de mond, het roepen van de stem, het geweld van de geest, die hen van God scheidde zowel in de geboorte der genade als in de wedergeboorte der glorie.

Maar in de dag der genade nu is de H weggewassen met het bloed ons Heren. en hierom is onze grootvader Ur en onze vader Uri. Deze zijn beiden simpelweg zonder H, want zij zijn reeds verzoend. En daarom willen wij bij onze geestelijke afstamming altijd van Ur en Uri zonder H spreken.

Ur zonder H betekent zoveel als licht of vuur of verbranden of een venster. Onder deze vier punten verstaan wij vier namen, d.i. vier eigenschappen, die wij in God vinden en die begin en oorzaak zijn van onze geestelijke afstamming en van al onze deugden.

Want God is een licht, waarin alle dingen leven en krachtens dit licht worden alle dingen geschapen en elk bijzonder geordend in hun natuurlijke bestaan. En door volkomen toekeer van onze geest tot dit licht, bereiken alle dingen in ons hun volmaaktheid en worden zij tot hun begin teruggebracht; en zo worden wij met dit licht geënigd en andermaal uit dit licht herboren boven onze natuur in de genade. (blz. 33) En door deze wedergeboorte worden alle dingen ons eigendom, want wij hebben dan alle dingen wel geordend en tot hun begin teruggebracht. In dit begin bevinden wij dat er in ons een eeuwig Licht, nl. Gods zoon, geboren is. En uit dit Licht ontvangen wij vier soorten van licht.

Dat ierste es licht des hemels, dat ons gegeven wert gemeine metten dieren; ende dit verclaert onse lijfleke oegen: ende dit es die hogeste cierheit der werelt. Ende des moten derven die verduemde eweleke, want hare woninge sal sijn in deemsterheiden, om datsi te vergeves, ende niet in den dienste ons Heren, dit licht der werelt georbert en hebben.

Dat ander licht, dat es die claerheit dies oversten hemels, dien God gescapen heeft onsen gloriosen ogen: ende hier inne sal sijn die wandelinge der glorioser lichamen. Ende in deser claerheit selen wi senleker wise anesien, met groeter vrouden, die groete claerheit des lichamen ons Heren, ende oec ons selves, ende alre heilegen; ende wi selen claerlike anesien die tekene van minnen, die si in haren live dragen ende verdient hebben, some in martilien, ende selke andere in meneger maniren van scarpen levene, daer si Gode inne gedient hebben, na dat iegewelc vermochte in bescedenheiden.

Dat derde licht es geestelec, dat es naturlec verstaenesse der ingele ende der minschen. In desen lichte moghen wi bekinnen, boven werke ende sonder werke der sinne, overmids onse redelecheit, goet ende quaet, loghene ende waerheit: ende hier inne begint die ierste cierheit der redeleker naturen.

Dat vierde licht, dat es die gracie Goeds: dat es dat wi Gode behagen, ende dat hi ons weder boven al behaget. Dit licht wert volmaect in iegewelken, alse sine gracie wert verwandelt in glorien: ende de mate sire glorien antwert der maten sire gracien.

Dese .iiij. manieren van lichte ontfaen wi ute den ewegen lichte, dat es me der wijsheit Goeds, die ene fonteine es ende ene ierste regule alre waerheit, ende alre creaturen.
 
 

Het eerste is het natuurlijke licht van de hemel, dat wij samen met de dieren bezitten. Dit verlicht onze lichamelijke ogen en is de hoogste heerlijkheid van de wereld. En dat moeten de verdoemden eeuwig derven, want hun woning zal in duisternis liggen, omdat zij dit licht van de wereld nutteloos en niet in de dienst van onze Heer hebben gebruikt.

Het tweede licht is de klaarheid van de bovenste hemel, die God geschapen heeft voor onze in glorie verheerlijkte ogen; en daarin zal de omgang van de verheerlijkte lichamen plaatsvinden. In deze klaarheid zulen wij zintuiglijk met grote vreugde de grote klaarheid van het lichaam van onze Heer, alsook van onszelf en van alle heiligen zien. En wij zullen duidelijk de tekenen van liefde onderscheiden, die deze laatsten in hun lichaam dragen en mochten verdienen: sommige door martelingen, anderen door velerlei vormen van verstorven leven, waarin zij God gediend hebben, ieder naar zijn vermogen in bescheidenheid.

Het derde licht is geestelijk, nl. het natuurlijke verstand van de engelen en de mensen. In dit licht kunnen wij, boven en zonder de werkzaamheid der zinnen, met onze redelijkheid goed en kwaad, waarheid en leugen onderkennen. En hierin ligt de eerste voortreffelijkheid van de redelijke natuur.

Het vierde licht is Gods genade, d.i. dat wij aan God behagen en dat Hij ons wederkerig bovenal behaagt. Dit licht komt in elkeen tot volmaaktheid, als zijn genade in glorie overgaat. En de maat van zijn glorie beantwoordt aan de maat van zijn genade.

Deze vier soorten licht ontvangen wij uit het eeuwige Licht, d.i. uit de Wijsheid Gods, die een bron en de eerste norm is van alle waarheid en van alle schepselen.

Hier na volget die ander eigenscap dat God genuemt es een vier, dat es .j. vier der minnen, dat tusschen den Vader ende den Sone onsteken es, ende berrent in der ewecheit. Dit vier nuemt men den heilegen Geest, die vrie minne Goeds, die ene oersake es, metten ewegen lichte, dat wi gescapen ende gemaect sijn in der naturen, ende wedermaect in der genaden, ende geroepen ende gevoedet toe der glorien.

Die derde eigenscap die wi in Gode verstaen, dat es .j. verberren. Hier mede versta wi die eenheit godleker naturen, die genuemt es Vader, overmids vrochtbarheit ende oerspronc haers ewechs werkens, want al werken der persone ontsprinct in deser eenheit; ende dese selve eenheit, overmids hare minsamheit ende hare eigene edelheit, trect si in hare, ende verteert ende verslent in hare selven al were der minnen, ende al dat daer geoppenbaert wert in anderheit. Want dese eenheit es gront ende ommevanc der minnen, die al dat mint intrect, ende overfoermt met haers selfsheit; want dit verberren, na de wyse sijns selves, blivet altoes al verberrende ende al verterende in eenheit, ende en mach niet liden in hem selven ondersceit. Nochtan blivet yegewelke eigenscap in Gode werkende haer eigen werc, dat onvergankelek es alsoe wi vore geseget hebben.

Die vierde eigenscap die wi in Gode vinden die es genuemt ene venstere. Hiermede verstaen wi die eninge des ewechs Worts met onser naturen. Dese venstere der eningen hout ons open dat rike Goeds. Dese venstere der eningen was Gode oppenbaer ewelec, ende si es ons geoepent ter rechter tijt. In deser eningen hevet ons van minnen die Vader gegeven sinen Sone, ende die Sone hevet hem ende ons weder gegeven sinen Vader, overmids sine werdige doet ende van minnen. Ende die Vader metten Sone hebben ons van minnen gegeven haerre beider minne, dat es die heilege Geest. Ende aldus es ons die eninge drivoldech vernuwet; want God wilt in ons bliven ende woenen, eest dat wi hem dogedeleke leven.

Siet dit sijn .iiij. eigenscape die wi in Gode vinden, die een gemeine begin ende inde sijn alles levens, beide in der naturen ende in der genaden: ende dit merken wi in die bediedinge des namen Ur.
 
 

Hierop volgt de tweede eigenschap waarnaar God een Vuur genoemd wordt, een vuur nl. van de Minne, dat tussen de Vader en de Zoon ontstoken is en eeuwig brandt. (blz. 34) Dit vuur noemt men de heilige Geest, de vrije Minne Gods, die met het eeuwige Licht oorzaak is dat wij naar de natuur geschapen en gemaakt zijn, en in de genade geschapen en geroepen, en tot de hemelse glorie genodigd.

De derde eigenschap die wij God toekennen, is een verbranden. Hieronder verstaan wij de eenheid van de goddelijke natuur, die Vader genoemd wordt wegens de vruchtbaarheid en de oorsprong van haar eeuwige werken; want al het werken der Personen, ontspringt aan deze eenheid, en in haar minzaamheid en haar eigen edelheid trekt en verteert en verslindt diezelfde eenheid in Zich al het werken van de Liefde en al wat daar als anderheid geopenbaard wordt. Want deze eenheid is grond en omhelzing der goddelijke Minne, die alles wat mint intrekt en met Zichzelf overvormt. Want dit verbranden blijft, naar zijn eigen aard, altoos alles in Zich verbranden en alles verteren in haar eenheid, en kan in Zichzelf geen onderscheid dulden. Nochtans blijft elke eigenschap in God haar eigen werk doen, dat, zoals te voren gezegd werd, onvergankelijk is.

De vierde eigenschap die wij in God vinden, wordt genoemd venster. Hiermee bedoelen wij de vereniging van het eeuwige Woord met onze natuur. Dit venster van de vereniging houdt voor ons het Rijk Gods open. Het venster van deze vereniging was voor God van alle eeuwigheid open en werd voor ons geopend te geschikter tijd. In deze vereniging heeft de Vader ons uit liefde zijn Zoon geschonken, en de Zoon heeft Zichzelf en ons aan de Vader wedergeschonken door zijn kostbare dood uit liefde. En de Vader en de Zoon hebben ons uit liefde hun beider Minne, d.i. de heilige Geest, gegeven. En zo is deze vereniging voor ons drievuldig vernieuwd. Want God wil in ons blijven en wonen, indien wij Hem in deugdzaamheid dienen.

Ziet, dit zijn de vier eigenschappen die wij in God vinden; zij zijn een gemeenschappelijk begin en einde van alle leven, zowel in de natuurlijke als in de genade-orde. (blz. 35) En dat leren wij uit de betekenis van de naam Ur.

Nu suldi weten dat Ur hadde enen sone, die was geheten Uri. Ende alsoe gelikerwijs wert Uri geboren in ons, daer wi volheit der gracien bi verstaen, ute dien .iiij. proprieteiten die wi in Gode gevoelen; want Uri ludet alsoe vele in dietsche alse mijn licht, ochte mijn vier, ochte mijn verberren, ochte mine openinge. Ende iegewelc poent van desen .iiij. hevet in hem bevaen volheit der gracien Goeds, ende hieromme sijnse altoes ongesceden, want si werden geboren in ons ute Gode, als .j. gelike Goeds, met .iiij. gaven, antwerdende den iersten vieren, daer si ute geboren sijn, in .iiij. wisen.

Ende alse wi dese .iiij. ontfaen, dan werden wi sunder linge sonen Goeds, ende dat es overmids dese .iiij. gaven, die hi ons verdient hevet, met sire werdeger doet, die naturleke Sone Jesus Christus, onse broeder, die elken minnenden vervult, meer ende meer, anders ende anders, na mate ende maniere sire werdecheit in minnenne, ende sire naheit in bekinnene. Ende hieromme sprect iegewelc die mint, in eenre sunderlinger wijs, van der volheit sire genaden: mijn Licht in den gronde mijnre verstendeger cracht; mijn Vier in den gronde mijnre minnender cracht; mijn Verberren in den gronde der enecheit mijns geestes; mine Openinge in den overgange mijnre gedachten.

Dat licht der gracien Goeds in den gronde der verstendecheit, dat gevet ons geluge alre waerheit ende alre wijsheit, want et wert geboren in ons, sonder onderlaet, ute der eweger waerheit ende wijsheit Goeds. Ende hieromme es dit licht geestelec, ende ongebeelt, ende blivende, boven de memorie, in den gronde der verstendecheit. Ende hieromme leret die waerheit bloet, sonder exempel ende leringe van buten.

Ende aldus blivet dit licht ewech, want et es boven senlecheit. Ende overmids dit licht, wert geheert, ende geregeert, ende bekint, sonder dolen, al dogedelec leven. Dit es die gave der claerheit ute Gode, ende die ierste wise in ons, daer wi mede geliken der eerster eigenscap, die wi in Gode vinden.

Anderwaerf sprect hi die mint ute gevoelne ende volheit sire genaden: Mijn vier in den gronde mijnre minnender cracht, dat, sonder middel ende sonder onderlaet, berrent ute den heilegen Geeste. Dit vier der minnen es in den gemoede .j. fundament, ende ene principale gave, ende wortele alder dogede. Al wert ons van Gode Licht ende vier te gadere gegeven, wi gevoelen eer des viers; want et sijn beide gaven van genaden ende niet van naturen: ende hieromme ontfaen wise ute der vriheit Goeds, overmids den heilegen Geest, ende gevoelen eer des viers der minnen; ende overmids dat vier onser minnen, blivet in ons .j. claer bekinnen. Dese .ij. eigenscape, dat es licht ende vier, leren ons te volbringene alle dogede.
 
 

Nu moet gij weten, dat Ur een zoon had, die Uri was geheten. En op een gelijke wijze wordt Uri, waaronder wij de volheid van genade verstaan, in ons geboren uit de vier eigenschappen, die wij in God ontdekken. Want Uri luidt in het Diets zoveel als: mijn licht, of mijn vuur, of mijn verbranden, of mijn opening; en elk dezer vier omvat de volheid van de genade Gods in zich, en daarom zijn zij altijd onafscheidelijk van elkaar. Want zij worden in ons uit God geboren, als een gelijkenis Gods met vier gaven, die aan de vier voornoemde eigenschappen op vierderlei wijze beantwoorden.

Wanneer wij deze vier gaven ontvangen, worden wij bijzondere zonen van God en wel krachtens die vier gaven, welke de natuurlijke Zoon Gods, onze broer, die elke minnende ziel, meer of meer, anders en anders, naar de maat en de graad van haar kwaliteit van liefde en haar scherpte van kennen vervult, met zijn kostbare dood voor ons verdiend heeft. Daarnaar spreekt ieder die mint, op een hem eigen manier aangaande de volheid van zijn genade: mijn licht in de grond van mijn verstandelijke vermogens, mijn vuur in de grond van mijn minnende kracht, mijn verbranden in de grond der eenheid van mijn geest en mijn opening in de ontgeesting van mijn gedachte.

Het licht van Gods genade in de grond van het verstand geeft ons getuigenis over alle waarheid en wijsheid, want het wordt zonder ophouden in ons geboren uit de eeuwige waarheid en wijsheid van God. Daarom is dit licht geestelijk, boven alle beeld, en bestendig aanwezig, boven de memorie, in de grond van het verstand. En daarom leert het ons de waarheid op eenvoudige, blote manier, zonder voorbeeld of onderricht van buiten.

En zo blijft dit licht eeuwig, want het ligt boven de zintuigelijkheid. Dank zij dit licht wordt het deugdzame leven, zonder gevaar voor dwaling, geordend, beoefend en gekend. Dit is de gave van de klaarheid, die uit God komt, (blz. 36) en de eerste hoedanigheid in ons, waardoor wij een gelijkenis hebben met de eerste eigenschap die wij in God vaststellen.

Andermaal spreekt hij die mint uit innerlijk aanvoelen en door de volheid van zjn genade: "Mijn vuur in de grond van mijn minnende kracht, dat zonder tussenmiddel en zonder ophouden gloeit vanuit de heilige Geest". Dit vuur der liefde is in het gemoed de voornaamste gave en de wortel van alle deugden. Al wordt ons van Godswege licht en vuur samen gegeven, wij worden het vuur der minne het eerst gewaar. Want ze zijn beide gaven van de genade en niet van de natuur, en daarom ontvangen wij ze uit de vrijheid van God door de heilige Geest, en gevoelen wij eerst het vuur der liefde, en door dit vuur van onze liefde blijft in ons een klare kennis aanwezig. Deze beide eigenschappen, licht en vuur, leren ons alle deugden volbrengen.

Noch sprect hi diepere ende innechlekere die mint: Mijn verberren in den gronde der enecheit mijns geests. Dat wert, sonder onderlaet, geboren ende vernuwet ute der hoger enecheit Goeds, ende eiscet mi ende trect alle uren te nieute te werdene in mi selven, omme .j. te sine met Gode in minnen. Dit trecken es een innech gerinen ute dier overweseleker Goeds, daer alle minnende inne gesmolten sijn, met enen ommevange in ene minnie.

Hier ute compt in ons ·j· verberren, dat es ene verborgene hitte, ende die vervult die eninge onser overster crachte; ende dese hitte verteert in ons alrehande middel ende beelden, ende dit verberren es ene volmaectheit in alre dogede: want et es ·j· gebreken des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, ende wert verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange der eenheit Goeds, die, met ewegen hongere ende met ghelosteger niedecheit, al dat mint, begaept ende verslint ende verteert in haer selves eenheit. Ende ute deser selver eenheit wert altoes geboren .j. nuwe verberren, daer de geest sine hogeste offerande inne doet, want hi berrent ende verberrent ende wert geoffert tote in sine hoechste salecheit.

Noch sprect hi die hoge mint, van idelheiden ende van claerheiden sijns gronts: Mine openinge in den bloeten overgange mire gedachten, die hevet mi ontbloet ende geledecht mijns selves, ende alre dinc, ende gewijd ende getoent dat ewege leven. Dese openinge dat es ene oppenbaringe ute dien verborgenen levene dat wi leven met Christo in Gode; ende dese oppenbaringe maect ons hoge ende diepe, lanc ende breet, want si enecht ons den ongemetenen levene, dat alle dinc bevaen hevet: ende hieromme, hoe dese oppenbaringe es in haer selven dat es onsegghelec, want men machse niet toenen noch leren met waerden, noch met exemple, noch met genen geliken; maer si vloeit ute Gode, ende oppenbaert haer selven in die verhavene ghedachte.

Ende te hans alse de geest daer inne scouwen wilt, soe wert hi wiseloes ende een met dien lichte, ende hi verliest al ondersceet ende redelec gemerc in den widen omvange der oppenbaringen Goeds, daer hi inne wert verclaert ende doerscenen met godleken lichte, ende geenecht der ierster waerheit, die God es, daer die oppenbaringe ute compt, die ons alle waerheit leert, ende wederleidet in die fonteine alre waerheit, daer al gewarech leven inne begint ende indet.

Siet dese .ij. leste eigenscape, dat es verberren ende openinge, die enegen ons met Gode. Aldus hebben wi ontbonden dat Uri bediet volheit der gracien Goeds overmids .iiij. gaven.
 
 

Ook spreekt hij die mint vanuit een grotere diepte en innigheid: "Mijn verbranden in de grond van de eenheid van mijn geest". Dit wordt zonder ophouden geboren en vernieuwd uit de hoge eenheid van God, en eist van mij en trekt mij, uur na uur, om te niet te gaan in mijzelf, ten einde één te zijn met God in minne. Dit trekken is een innig aanroeren vanuit de overwezenlijke eenheid Gods, waarin alle minnende zielen gesmolten zijn door eenzelfde omhelzing van eenzelfde Minne.

Hieruit ontstaat in ons een verbranden, d.i. een verborgen hitte. Deze vervult de eenheid van onze hogere krachten en deze hitte verteeert in ons elk tussenscherm en beeld. En dit verbranden is een volmaaktheid van alle deugden. Want het doet de geest van minne in onmacht vallen, waarbij hij zich lijdzaam houdt en verbrand en verteerd wordt in de onbegrijpelijke omhelzing van de eenheid Gods, die met eeuwige honger en met gretige begeerte alles wat mint, in haar eigen eenheid opslorpt, verslindt en verteert. Maar uit deze eenheid zelf ontstaat voortdurend een nieuw verbranden, waarin de geest zijn hoogste offerande brengt; want hij brandt en verbrandt en wordt geofferd tot in zijn hoogste zaligheid.

(blz. 37) Nog spreekt hij, die hoogedel mint, vanuit de levendigheid en de klaarheid van zijn grond: "Mijn opening in het blote overschrijden van mijn geestelijke wezen, die mij van mijzelf en van alle dingen ontbloot en ontledigd heeft en mij het eeuwige leven aangewezen en getoond". Deze opening is een openbaring vanuit het verborgen leven, d at wij met Christus in God leven. En deze openbaring maakt ons hoog en diep, lang en breed, want zij enigt ons met het ongemeten leven, dat alles omvademd heeft. Daarom ook: hoe deze openbaring in zichzelf bestaat, is onzeggelijk, want men kan ze met woorden of voorbeelden of enige vergelijkingen niet tonen noch aanleren, maar zij vloeit uit God en openbaart zichzelf in de verheven geest.

En zodra de geest daarin schouwen wil, wordt hij wijzeloos en één, met dat Licht één geworden. En hij verliest alle onderscheid en geredeneer in de wijde omarming van de openbaring Gods, waarin hij door een goddelijk licht wordt verklaard en doorschenen en met de eerste Waarheid geënigd, die God is, uit wie deze openbaring komt, die ons alle waarheid leert, en die ons weder binnenleidt in de bron van alle waarheid, waarin alle leven begint en eindigt.

Ziet, deze twee laatste eigenschappen, nl. verbranden en opening, verenigen ons met God. En zo hebben wij uitgelegd, hoe Uri door vier gaven de volheid van de genade beduidt.

Ende van Urië was geboren Beseleel, dien God sunderlinge vercoes sinen tabernakel te makene in der ouder wet. Alsoe gelikerwijs wert ute volheit der gracien Goeds geboren in ons een gehoersam wille, dien God verkiest .j. doechtsam leven te levene, daer God in regneren wilt, beide hier ende in der ewecheit.

Nu sele wi voert merken dat dese .iiij. eigenscape met alle den gaven Goeds sijn bevaen in tween poenten, dat es in minnene al gerechtecheit ende in bekinnene alle waerheit. Want soe wie in heme gevoelt gehele gherechtecheit, hi gevoelt sijn vier der minnen dattene stoect tote allen dogeden, ende in den selven gevoelt hi sijn verberren dattene offert ende enecht in Gode: ende hieromme, geesteleke te merkene, soe es hi Uri, ende ute heme wert geboren Beseleel, dat es .j. vrighehoersam wille.

Voert soe wie in hem hevet kinnesse alre waerheit, hi gevoelt sijn licht, dat de minne ordent ende al hare werke; ende hi gevoelt sine openinge, daer dat verberren des geests altoes inne neiget met eweger gelostecheit. Ende in desen es hi wel Achisamech, ende ute heme wert geboren Oliab, dat es .j. claer verstaen, Beseleels geselle, daer wi bi merken enen gehoersamen wille.

Siet, aldus minnen alle gerechtecheit ende bekinnen alle waerheit, dat es Uri ende Achisamech. Dese .ij. sijn ute Gode geboren, ende en mogen niet sceden, want si sijn als twe ghebroedere geboren ute enen vader, ochte als .ij. riviren die leven ute eere fonteinen; ende dit bediet ons wel die name Achisamech, want Achisamech ludet alsoe vele als: ic hen sterckende minen broeder, ochte ic ben ene vestecheit mijns broeders.

Ende hieromme in lichte der waerheit wert dat vier der minnen altoes gesterket, ende in openingen der ghedachten wert de geest te male verberrent, ende Gode geenecht.
 
 

Zoals uit Uri Beseleël geboren werd, dien God tijdens de Oude Wet speciaal uitkoos om zijn tabernakel te bouwen, zo wordt uit de volheid van Gods genade in ons geboren een gehoorzame wil, dien God uitkiest, om een deugdzaam leven te leiden, waar God wil regeren, zowel hier als in de eeuwigheid.

(blz. 38) Nu moeten wij verder opmerken, dat de vier voornoemde eigenschappen met alle gaven Gods in twee punten vervat zijn, nl. in de liefde tot de gerechtigheid en in het kennen van alle waarheid. Want wie in zich volmaakte gerechtigheid ervaart, voelt zijn vuur van minne, dat hem tot alle deugden aanspoort, en meteen voelt hij zijn inwendig verbranden, dat hem offert aan en verenigt met God. En daarom is hij, geestelijk opgevat, Uri, en uit hem wordt geboren Beseleël, d.i. een gehoorzame vrije wil.

En verder, wie kennis aller waarheid in zich bezit, gevoelt zijn licht, dat de minne en al haar werken ordent, en hij gevoelt zijn opening (venster), waarheen heel het verbranden van zijn geest met eeuwig genot altijd toeneigt. En hierin is hij wel Achisamech, uit wie Oliab geboren wordt, d.i. klaar verstand, de gezel van Beseleël, waardoor wij een gehoorzame wil beduiden.

Ziet, gerechtigheid beminnen en alle waarheid kennen worden aldus terecht als Uri en Achisamech voorgesteld. Deze twee zijn uit God geboren en zijn niet te scheiden, want zij zijn als twee gebroeders uit één vader of als twee stromen die uit één bron leven. En dat beduidt ons wel Achisamech, want Achisamech betekent zoveel als 'ik sterk mijn broeder' of: 'ik ben een bevestiging van mijn broeder'.

En daarom ook: door het licht der waarheid wordt het vuur der liefde voortdurend versterkt, en door de openheid van de geestesgrond wordt de geest geheel verbrand en met God verenigd.

Nu behoevet ons te merkene Oliabpe des Achisamechs sone, ende Beseleelle Urijs sone; dit waren .ij. gesellen die God vercoes sinen tabernakel te makene. Oliab es alsoe vele gheseget alse crankende sinen vader ochte bescermende sinen vader ; want alse Oliab, dat es .j. claer verstaen, hem nederkeert met ghemerke in menechfoldecheit der dogede ende goeder werke, soe wert gehendert ende ghecranket di hoge ghedachte in claren scouwene der bloeter waerheit , daer hemelsche walost inne geleget.

Die ander name hoe Oliab, .j. claer verstennesse, es bescerminge sijns vader, dat es in den insiene, sonder allen commer der senlecheit : daer mede wert alle waerheit geleret, bescermet ende vaste gehouden in haers selvesheit.

Siet, dese .ij. namen met haren werken, utesiende ende insiende, die moten eigen bliven onsen verstane, alsoe lange als wi hier leven: ende aldus sijn wi Oliab, geboren ute dire hoger gedachten die alle waerheit anesiet.

Nu was dese Oliab .j. meester van timmerwerke, ende hier omme verhieu hi ende vuegede die tafelen des tabernakels te gadere in rechter ordenen. Ende hi was oec .j. meester alles werkes datmen metter naelden werken mochte, ende hier omme voegede hi die cortinen te gadere daermen den tabernakel mede decte, ende daer inne naeide hi alle die cierheit der men gedinken mochte. Ende hi was oec constich ende meester in onderscede van alderhande varuwen, ende hier omme ordineerde hi alle dinc alsoe alst rikelecst was, ende eerlic cierde den tabernakel Goeds. Ende hi was van Dans gheslechte.

Alsoe gelikerwijs moet onse verstaen meester sijn, ende merken al onse inwendecheit, ende met bescedenheiden anesien al dat wi van binnen begripen in doene ende in latene: ende dat selen wi besniden, meerren ende minderen, lingen ende breiden, also dat wel geordent si in die eere Goeds. Dan selen wi dit begrijp cleden ende decken met inwendegen geesteleken werken, ende die selen wi te gadere voeghen met rechter intencien; ende dan selen wise cieren, ende daer inne naeien al die innege oefeninge, ende alle di verborghene werdecheide, die Beseleel (.j. gehoersam wille), ende Oliab (.j. claer verstaen) met al hare lust geviseren connen.

Ende dan selen wi de varuwe onser dogeden merken, ende ordeneren elke doget in hare eigene stat, daer si den geest meest ciert: ende hier mede sijn wi Oliab van Dans geslechte, daer wi vonnesse ende ordeel bi verstaen, want wi hebben den tabernakel ons levens in gerechten vonnesse ende ordeele beseten.
 
 

Nu moeten wij er wel aan denken, dat Oliab, Achisamechs zoon, en Beseleël, Uri's zoon, twee gezellen waren, die God uitverkoos om zijn tabernakel op te richten. Oliab is zoveel gezegd als: die zijn vader verzwakt, of ook: die zijn vader beschermt. (blz. 39) Want doordat Oliab, d.i. een klaar verstand, zich naar beneden keert in aandacht voor de menichvuldigheid der deugden en der goede werken, wordt de hoge gedachte gehinderd en verzwakt in het schouwen der blote waarheid, waarin een hemelse wellust ligt.

De andere naamduiding van Oliab, d.i. een klaar verstand, is een bescherming van zijn vader, nl. naar het zien-naar-binnen buiten alle beslommering der zinnelijkheid. Alsdan wordt alle waarheid geleerd, beschermd en in zichzelf vastgehouden.

Ziet, deze twee naamduidingen met hun uitwerkingen, nl. uitziende en inziende, moeten aan ons verstand inherent blijven, zolang als wij hier leven. En zo zijn wij Oliab, geboren uit de hoge gedachte, die alle waarheid aanziet.

Nu was deze Oliab een meester voor alle timmerwerken, en daarom hakte en voegde hij de panelen van het tabernakel te samen zoals het behoorde. Maar hij was ook een meester in alle naaldwerk, en daarom voegde hij de gordijnen bij elkaar waarmee men het tabernakel bedekte en hij bracht daarin alle versieringen aan, die men uitdenken kon. En hij was ook meester in het bepalen van kleuren. Met dat alles besliste hij, zo op al die punten, dat dit het rijkelijkste uitviel en Gods tabernakel heerlijk versierde. En hij was uit het geslacht van Dan.

Zo moet ook ons verstand een meester zijn en gans onze inwendigheid beschouwen en met inzichtelijkheid aanzien al wat wij ons inwendig in doen en laten voornemen. En dat zullen wij bewerken, meerderen of minderen, verlengen of verbreden, zodat alles wel geordend is ter ere Gods. Daarna zullen wij dit voornemen aankleden en bedekken met inwendige geestelijke werken, en deze zullen wij samenvoegen door de zuivere mening. En dan zullen wij dit alles sieren door daarin te naaien al de innige oefeningen en al de verborgen kostbaarheden die Beseleël, onze gehoorzame wil, en Oliab, ons klaar verstaan, met al hun scherpzinnigheid kunnen uitdenken.

(blz. 40) Ten slotte zullen wij op de kleuren van onze deugden letten en elke deugd ordenen naar de haar toekomende plaats, waar zij nl. de geest het beste siert. En hiermee zijn wij Oliab, van het geslacht Dan, waaronder wij vonnis en oordeel verstaan, omdat wij het tabernakel van ons leven met passend vonnis en oordeel hebben geschikt.

Hier mede moeten wi noch sijn Beseleel, Urijs sone, daer wi mede verstaen enen gehoersamen wille die altoes nuwe geboren wert ute minnene die gerechtecheit, ende dit bediet ons wel sijn name. Want Beseleel es alse vele geseget als een scadwe Goeds, ocht een godlec omme scadwen.

Die scadue es ene figure ende ene gelikenesse iegewelcs dincs, daer si na gesaect wert, alse dat dinc wel middelt tusschen sine scadue ende .j. claer licht, eest alsoe dat di jegeworp des lichs vast ende gestadech es ende niet dorescinech; want in der locht, ochs in den viere, ochte in ongestadecheit des waters, en wert de scadue niet wel onthouden, noch rechte bekint. Siet, aldus wert iegewelke scaduwe gesaect van drien dingen, dats van den lichte, ende van den middele, ende van den jegeworpe des lichs.

Nu suldi weten dat dat licht, daer die scaduwe Goeds ave gesaect wert, dat es Christus na sire Godheit; dat middel daer si na gemaect wert, dat es sine werdege menscheit, overmids volheit sire genaden ende sire verdienten; die jegewoerp, die de scadue selve wert, dat es onse eigen wille, alse hi niet en es dorescinech gelijc der locht, overmids hoverde; noch berrende gelijc den viere, overmids ongeordende minne; noch vlietende ongestadech gelijc den watere, overmids genoechte des lichamen.

Maer alse onse eigen wille met vaster gestedecheit gekeert wert ten lichte waert, met willeger onderworpenheit, dan wert hi Beseleel, die scadue Goeds. Want in dien selven ogen blicke dat hem de wille keert, soe gevet God sijn ewege licht in die verborgenheit des geestes; ende met dien lichte wert de geest geenecht in der verborgenheit Goeds; ende ute dire enecheit wert gehoren volheit der genaden in enecheit der overster crachte; ende ute volheit der gena den wert geboren .j. gehoersam wille, dat es Beseleel, die scadue Goeds. Ende dit moet al sijn overmids dat middel der werdeger verdienten ons Heren Jesu Christi.
 
 

Bovendien moeten wij ook Beseleël, Uri's zoon, zijn, waaronder wij een gehoorzame wil verstaan, die altijd opnieuw uit de liefde-voor-de-gerechtigheid geboren wordt, zoals zijn naam het terecht aanduidt, want Beseleël is zoveel gezegd als: een schaduw Gods, of: een goddelijke omschaduwing.

De schaduw is een aftekening of een gelijkenis van ieder voorwerp, naar het welk zij ontstaan is, als dit voorwerp behoorlijk tussen zijn schaduw en een klare lichtbron staat, op voorwaarde evenwel dat hetgeen waarop het licht valt (en de schaduw zich aftekent), vast en duurzaam is en niet doorschijnend. Want in de lucht of in het vuur of in de beweeglijkheid van het water wordt de schaduw niet vast tegengehouden noch duidelijk herkenbaar. Ziet, op die manier wordt iedere schaduw door drie dingen voortgebracht: door het licht, door het onderscheppend voorwerp, en door het ding waarop het licht de afschaduwing tekent.

Nu moet gij weten, dat het licht dat de schaduw veroorzaakt, Christus naar zijn godheid is; het onderscheppende voorwerp waarnaar de schaduw getekend wordt, is zijn waardige mensheid, omwille van de volheid van zijn genade en van zijn verdiensten; en het opvangende voorwerp ten slotte, dat de schaduw zelf wordt, is onze persoonlijke wil, indien hij niet doorschijnend is als de lucht door hoovaardigheid, noch brandend als het vuur door ongeordende liefde, noch vlietend en onvast gelijk het water door de geneugten van het lichaam.

(blz. 41) Maar als onze eigen wil met vaste stevigheid, dank zij vrijwillige onderworpenheid, naar het licht toegekeer is, dan wordt hij Beseleël, de schaduw Gods. Want op hetzelfde ogenblik dat onze wil zich toekeert, geeft God zijn eeuwige Licht in de verborgenheid van de geest, en met dit Licht wordt de geest geënigd in Gods verborgenheid. En uit die vereniging wordt de volheid der genade in de eenheid der hogere krachten geboren. En uit die volheid der genade wordt geboren een gehoorzame wil, dat is Beseleël, de schaduw Gods. En dit alles moet gebeuren dank zij het middel, d.i. het onderscheppende voorwerp van de kostbare verdiensten van onze Heer Jezus Christus.

Ende aldus sijn wi Ur overmids enecheit met Gode, ende Uri overmids volheit der gracien, ende Beseleel, die scadue Goeds, overmids enen onderworpenen ghehoersamen wille.

Ghi wet wel dat hare die scadue altoes beweget, na alle die maniere des geens daer si ave comt, ende volget hem na in allen sinen wegen: sijn wi dan die scadue Goeds overmids gehoersamheit van wille, soe moten wi volgen den geeste Goeds ende sire bewegingen van binnen, ende wi moten volgen der menscheit ons Heren ende sire leren van buten, beide in rade ende in geboden: ende aldus hebben wi die eerste eigenscap, die ons Beseleel bediedet.

Die andre eigenscap, dat hi es een godlec ommescaduwen, dat es daer die gehoersame wille hem selven overgegeven hevet der vriheit Goeds, ende smaect, in sire overgegevenheit, der vriheit ende der enecheit, die God selve besit: ende dit vereriget hi overmids een verloegenen ende een willech overgeven sijns selves. Daer inne wert hi Goeds ommescaduinge, ende God sine ommescaduinge, want God rust ende woent in heme ende hi in Gode, ende iegewelc es des anders ommevane in een ewech gebruken; ende dit es in die enecheit Gods, daer al were ende al geboerte, beide in der naturen ende inder ghenaden, altoes begint ende weder indet.

Ende hieromme es Beseleel van den geslechte van Juda, dat bediedet beliende ochte glorificerende; want die ghehoersam wille moet altoes Gode belien ende glorificeren in allen sinen werken, want hi es gheboren ute Gode, ende met allen sinen werken weder geneiget in Gode: ende aldus es hi .j. meester, ende van Gode vercoren te makene .j. tabernakel Goeds. Ende iegewelc die geleert was, die ontfinc wijsheit van Gode te werkene ane den tabernakel Goeds. Alsoe gelikerwijs iegewelke cracht in den minsche die onder worpen es der edeldre ghehoersamheit, die es geleert, ende hevet wijsheit ontfaen van Gode te werkene ewege werke ane den tabernakel Goeds.

Siet, aldus hebdi die geboerte ende hare bediedenesse wie si sijn die maken den tabernakel ons Heren, beide na der figuren ende na der waerheit.
 
 

En zo zijn wij Ur door onze vereniging met God, en Uri door de volheid van de genade, en Beseleël, de schauduw Gods, door een onderworpen, gehoorzame wil.

Gij weet wel dat de schaduw zich steeds beweegt naar de beweging van hetgeen de schaduw doet ontstaan en dit ook in al zijn verplaatsingen volgt. Zijn wij dan door de gehoorzaamheid van wil de schaduw Gods, dan moeten wij van binnen de Geest Gods in al zijn bewegingen volgen, en uitwendig de mensheid van onze Heer alsook zijn onderricht volgen, zowel in zijn raden als in zijn geboden. Zo hebben wij de eerste eigenschap, die de naam Beseleël beduidt.

De tweede eigenschap, nl. een goddelijk omschaduwen, ontstaat, wanneer de gehoorzame wil zichzelf aan de vrijheid Gods overgegeven heeft en hij, in zijn overgegevenheid, de vrijheid en de eenheid smaakt, die God zelf bezit. En dit verkrijgt hij door een verloochenen en vrijwillig overgeven van zichzelf. Daardoor wordt hij Gods omschaduwing en God zijn omschaduwing, want God rust en woont in hem en hij in God, en iedereen is des anders omhelzing in een eeuwig genieten. En dit geschiedt in de eenheid van God, waar elk werk en elke geboorte, zowel in de natuur als in de genade, altijd begint en opnieuw eindigt.

En daarom is Beseleël uit het geslacht Juda, wat betekent: belijdend of verheerlijkend. Want de gehoorzame wil moet steeds God in al zijn werken belijden en verheerlijken, want hij is geboren uit God en met al zijn werken wederom toegeneigd in God. (blz. 42) En zo is hij een meester en door God uitverkoren om een tabernakel voor God te maken. En zoals ieder, die in het meesterschap opgeleid was, van God de wijsheid ontving om te bouwen aan dat tabernakel van God, evenzo is elke kracht in de mens, die aan de edele gehoorzaamheid onderworpen is, opgeleid en heeft van God wijsheid ontvangen om eeuwige werken aan het tabernakel Gods te volbrengen.

Ziet, aldus hebt gij vernomen wie zij zijn die het tabernakel onzes Heren bouwen, met hun afstamming en hun betekenis, zowel in de figuur als in de waarheid.

Nu willen wi voert spreken van Ythamarre, Aarons sone dies oversten priesters, die di offerande ontfinc van al den volke van Israel ende weder leverde den werclieden: ende van dien willegen offere maecten si den tabernakel ons Heren.

Aaron ludet alse vele als .j. berch der starcheit. Hier mede versta wi dat overste des geests, daer God inne regneert, want Ysaias die prophete sprect: Comt laet ons opgaen toe den berge ons Heren, ende toe den huse Goeds Jacobs, dat es .j. verwennere, want die in desen huse op den berch der starcheit comt, hi verwint alle dinc. Ende hi sprect voert: ende dit huus sal ons leren sine wege, dat sijn die ghebode, ende wi selen wandelen in sinen paden, dat sijn sine hemelsche rade; want van desen berge Syon, dat es .j. spigel alre waerheit ende ene bescouwenge alre gerechtecheit, ute hem sal gaen de wet, ende dat wort ons Heren van Jherusalem, dat es die berch, want hi es gesichte des vreden. Dit es Aaron, die onverwenleke berch der starcheit.

Hier ute wert Ithamar geboren, daer wi overnaturleke vriheit met verstaen, want Ithamar ludet alsoe vele alse .j. palme des eilants. Palma dat es .j. palmboem, ochte sine vrocht, ochte victorie, ochte ene ontplokene hant. Dat overste ons geests, geenecht met den geeste Goeds, dat es .j. berch, .j. eilant, daer de welde vloede der Godheit omme vloeien, ende die rivieren der mensceit ons Heren met alle den sinen toevloeien.

Hier, in dit eilant, wert Ithamar, dat es vriheit, die groene palmboem, geboren, die altoes gelijc den palmbome, hare groenheit behout, ende dat es overmids hare hoge gheborte, want die blixeme des hemels (dat sijn alle vergaderingen van winde der hoeverden) die en mogen hare deren niet; ende coutheit der erden ende der watere (dat es mesmogen, ontrouwe, haet ende nijt, ende ongestedecheit der creaturen) dit en mach al die groenheit overnaturleker vriheit bederven niet.
 
 

Nu willen wij verder spreken over Ithamar, de zoon van de hogepriester Aäron, die de offergaven van heel het volk verzamelde en ze doorgaf aan de werklieden, die met vrijwillige offergaven het tabernakel van onze Heer bouwden.

De naam Aäron zegt zoveel als een berg van sterkte. Hieronder verstaan wij het hoogste van de geest, waar God in heerst. want de profeet Isaias spreekt: "Komt, laat ons opgaan tot de berg ons Heren en tot het huis van de God van Jacob". Dat is een overwinnaar, want wie in dit huis, op de berg der sterkte, komt, overwint alles. En de profeet gaat verder: "En dit huis zal ons zijn wegen leren", dat zijn de geboden, "en wij zullen wandelen langs zijn paden", dat zijn zijn raden, "want van deze berg van Sion", dat is een spiegel van alle waarheid en een beschouwing van alle gerechtigheid, "zal voortkomen de wet en het woord des Heren uit Jeruzalem", dat is die berg, want hij is visioen van vrede. Dat is Aäron, de onoverwinnelijke berg der sterkte.

Uit hem wordt Ithamar geboren, waaronder wij bovennatuurlijke vrijheid verstaan. Want Ithamar betekent zoveel als: een palm van het eiland. Palma dat is een palmboom, of een vrucht of een zegel of een ontvouwde handpalm. (blz. 43) Wanneer het hoogste deel van onze geest met de Geest Gods verenigd wordt, is het als een berg of een eiland, waar de wilde vloeden der godheid rond vloeien en waar de rivieren van ons Heren mensheid heen vloeien.

Hier in dit eiland is Ithamar, dat is: vrijheid, de groene palmboom, geboren, die zoals de palmboom, altijd haar groene kleur bewaart, en wel wegens haar hoge afkomst. Want de bliksems des hemels, d.i. al de wervelwinden van de hovaardigheid, kunnen haar niet deren, en de koude der aarde en der wateren, d.i. de wrevel, de ontrouw, de haat en de nijd en de ongestadigheid van de schepselen, kan allemaal de groene kleur van de bovennatuurlijke vrijheid niet verstoren.

Want hier inne ghelijct si den palmboeme, ende si bringet hare vrocht haesteleke, alsoe die palmboem doet, die wast in Syrien ochte in Egypten. Syrien bediedet ons enen outaer ochte hoecheit; Egypten, demsternesse ofte bedroeftheit. Wanneer wi ons selven met werdeger vriheit overgeven Gode, ende offeren ons op den outaer der vriheit Goeds, die alder hoechden hoecheit es, soe wast onse vriheit in Syrien, ende bringet haesteleke vrocht, die Gode wel behaget, dactilen, dat sijn druven die ons dronken maken, ende boven al doen Goeds ghesmaken.

Maer alse wi ons selves vertien, ende geven ons vrilec Gode, in alle dien dingen die ons jegen sijn, ende die ons swaer sijn weder den geeste ochte der naturen, soe wast die palmboem der vriheit in Egypten lande, ende bringet sine vrocht haesteleke rijp vore Gode, ende dat sijn die vrochte die ons effenen, ende saten, ende Gode gelijc maken, ende boven al den gront der dogede doen smaken. Siet, aldus sijn wi Ithamar, dat es vriheit, den palmboeme ende sire vrocht gelijc.

Ende overmids dese vriheit vercrigen wi victorie van onsen sunden ende van al onsen vianden, ende wi gesmaken in hare de vrocht al onser dogede, sonder enege bevreestheit; ende onse vriheit ontfeet alle onse dogede van beneden, ende si ontfeet alle die gaven die ons God gevet van boven; ende si es selve ene enege vrocht, daer al onse gemetene goet in vergadert es, ende si es sonder mate in haren gronde, daer si gewortelt es in der vrier enecheit Goeds. Ende overmids den rijcdoem ende de gewout onser vriheit, soe mogen alle onse crachte dogede werken, omme dat si vri sijn in hare; want sonder vriheit en wert nie loenleec were gewracht. Ende hier omme es onse vriheit gelijc Ithamarre, Aarons sone, wantsi hevet in hare bevaen alden geesteleken rijcdoem, daer men den tabernakel Goeds ave maken sal.
 
 

Want hierin gelijkt deze de palmboom en brengt zij, zoals de palmboom die in Syrië of Egypte groeit, vlug vrucht voort. Syrië wil zeggen: een altaar of een hoogte; Egypte: duisternis of droefenis. Wanneer wij onszelf in passende vrijheid aan God overgeven en ons op het altaar van Gods vrijheid, die de hoogheid van alle hoogheden is, offeren, zo groeit onze vrijheid in Syrië en brengt vroeg rijpe, God behagende vruchten voort: dadels, nl. een soort druiven, die ons dronken maken en ons boven alles God laten smaken.

Als wij daarentegen onszelf verloochenen en ons vrijelijk aan God overgeven in alle dingen, die ons tegengaan en ons hetzij naar de geest, hetzij naar het lichaam zwaar vallen, dan groeit de palmboom der vrijheid in Egypte en brengt vroegrijp zijn vruchten voor God voort, die ons gelijkmoedig en bezadigd maken, ons met God in overeenstemming brengen en voor alles de grond der deugden doen smaken. Ziet, zo zijn wij in onze vrijheid Ithamar, de palmboom en zijn vrucht, gelijk.

Door deze vrijheid verkrijgen wij de overwinning op onze zonden en op al onze vijanden. En wij smaken in haar zonder enige vrees de vrucht van al onze deugden. Onze vrijheid ontvangt van beneden al on ze deugden en van boven al de gaven, die God ons schenkt. En zij is zelf de enige vrucht waarin al ons gemeten goed vergaderd is, en zij is zonder maat in haar grond, waar zij in de vrije eenheid Gods geworteld is. (blz. 44) En dank zij de rijkdom en de kracht onzer vrijheid kunnen al onze vermogens deugden beoefenen, omdat zij in haar vrij zijn, want zonder vrijheid wordt geen verdienstelijk werk volbracht. En daarom is onze vrijheid Ithamar, Aärons zoon, gelijk want zij heeft in zich omvat heel de geestelijke rijkdom, waarmede men het tabernakel van God zal bouwen.

Ende si es gelijc eere palmen, dat es eere ontplokenre hant, die altoes gevet ende niet en onthoudet, want si es ute der rijcker vriheit Goeds geboren; ende hier omme hefse God treserier gemaect, op dat si levere elker cracht die ane desen tabernakel werken sal, dat hare toebehoeret, iegewelke doget te volbringene.

Ende hier omme selen wi Christum navolgen, ende gaen op in vriheiden, ende offeren ons over in die vrie enecheit Goeds: ende hier mede sterven wi alle uren ons selves, ende besitten een ewech vri leven in Gode. Ende dit dede Christus na der minsceit, van den beginne dat sijn geest gescapen was, ende des sal hi eweleke plegen, want hier inne geleget sine salecheit, ende alre creaturen die Gode verenecht sijn.

Wi selen oec nedergaen vrileke, ende verlogenen ons selves in alle der swaerheit die ons toecomt: ende alsoe dragen wi onse cruce, ende sterven der naturen, ende volgen anderwerf Christum na, die omme onsen wille neder ghinc in alre elendecheit tote der doet des crucen.

Ende met desen ·ij· poenten, dat es met sinen opgane ende met sinen nedergane in vriheiden, soe hevet hi ons vriheit in Gode gecocht, ende in deser selver manieren moge wise in ons vercrigen ende besitten, ende anders niet.

Siet, aldus sijn wi Ur overmids enecheit met Gode, ende vri ute Gode geboren overmids volheit der genaden, ende Beseleel ende Oliab overmids enen gehoersamen wille ende claer verstaen, dat beide ghesaect wert ute volheit der gracien Goeds, ende wi sijn Ithamar, Aarons sone, overmids vriheit van levene; ende in vriheiden soe offeren wi op alle onse dogedeleke werke van beneden, ende in der selver vriheit ontfaen wi alle die gaven die ons God gevet van boven; ende overmids willege gehoersamheit ende clare bescedenheit, soe maken wi van deser willeger offeranden onsere dogede, ende van der riker gaven Goeds, ·j· ewech tabernakel in ons.

Ende dit gebiet ons Christus te makene in allen manieren van cierheiden der dogede, alsoe alst Moyses van Goetswegen geboet te makene in alle manieren van sunderlingen werken, van buten. Ende dit begennen wi aldus


∗ ∗ ∗


Jan van Ruusbroec, 'de bouwmeesters van het tabernakel', in: Vanden gheesteliken tabernakel (rond 1350).

Bron Middelnederlandse tekst: Jan van Ruusbroec, Werken, deel 2, editie J. David (Gent, 1858).



 
 

En deze vrijheid gelijkt op een palm, dat is een ontvouwde handpalm, die altijd geeft en niets achterhoudt, want zij is uit de rijke vrijheid Gods geboren. En hierom heeft God ze tot schatmeesters gemaakt, opdat zij aan elke zielekracht, die aan dit tabernakel moet werken, toebedele wat haar toekomt, om iedere deugd te volbrengen.

En daarom moeten wij Christus navolgen en opgaan in vrijheid en ons in de vrije eenheid Gods overleveren. En hierdoor sterven wij alle uren aan onszelf en bezitten wij een eeuwig vrij leven in God. En dat deed Christus naar zijn mensheid van het begin af dat zijn geest geschapen was, en dat zal Hij eeuwig blijven doen. Want hierin is zijn zaligheid en die van alle schepselen, die met God verenigd zijn, gelegen.

Wij moeten ook uit vrije wil nedergaan en onszelf verloochenen bj alle zwarigheid, die ons overkomt; en zo dragen wij ons kruis, sterven aan de natuur en volgen opnieuw Christus na, die om onzentwil in alle ellende nederdaalde tot in de dood des kruises.

En door deze twee punten, nl. met zijn opgaan en zijn nedergaan in vrijheid, heeft Hij voor ons vrijheid in God gekocht. En op deze zelfde manier kunnen wij ze in ons verkrijgen en bezitten, en anders niet.

Ziet, zo zijn wij Ur dank zij onze eenheid met God, en vrij uit God geboren dank zij de volheid van de genade (vlg. Uri); en wij zijn Beseleël en Oliab dank zij een gehoorzame wil en een klaar verstand, die beide uit de volheid der genade Gods voortspruiten. (blz. 45) En wij zijn Ithamar, Aärons zoon, dank zij vrijheid van leven. En in vrijheid offeren wij al onze deugdelijke werken van beneden op, en in dezelfde vrijheid ontvangen wij van boven de gaven, die God ons geeft; en door onze vrijwillige gehoorzaamheid en klare bescheidenheid bouwen wij van de vrijwillige offeranden onzer deugden en van de rijke gaven Gods een eeuwig tabernakel in ons.

En zulks gebiedt Christus ons te bouwen met alle verhevenheid van de deugden, zoals Mozes van Godswege er een gebood te maken met allerlei verscheiden uitwendige werken. En dit beginnen wij aldus.


∗ ∗ ∗


Jan van Ruusbroec, 'De bouwmeesters van het tabernakel', in: Vanden gheesteliken tabernakel (rond 1350).

Hertaling: Jan van Ruusbroec, Het geestelijk tabernakel, hertaald door L. Moereels, S.J. (Tielt, 1982).






Copyright

Bovenstaande tekst wordt behandeld tijdens de cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen, door Rozemarijn van Leeuwen (1999-2001).

©  Het is, in verband met auteursrecht, niet toegestaan om bovenstaande tekst digitaal of in druk over te nemen en/of te publiceren.


Deze pagina staat niet openbaar online

Deze pagina is verborgen voor zoekmachines (met 'noindex') en dus niet openbaar vindbaar.

Bovenstaande tekst is nadrukkelijk alleen bedoeld als onderdeel van en achtergrond bij de cursus Middeleeuwse mystiek en enkel en alleen van daaruit te bereiken.

Het is niet toegestaan de directe online vindbaarheid ervan te vergroten, door het plaatsen een deeplink naar deze pagina (zeker niet zonder 'nofollow'-tag). Link bij voorkeur naar de betreffende cursusbijeenkomst, waarin bovenstaande tekst wordt toegelicht.

Naar de betreffende cursusbijeenkomst: 7b. Ruusbroec: Om Hem te ontmoeten.



∗         ∗         ∗




Volg de hele cursus Middeleeuwse mystiek in de Lage Landen online:

    voor de pauze (achtergrond) na de pauze (teksten lezen)
  1 De Middeleeuwen Wat is mystiek?
  2 Het middeleeuwse wereldbeeld Hadewijch: visioen en mystiek
  3 Het leven van Hadewijch Hadewijch: wegen naar God
  4 Vrouwen in de Middeleeuwen Hadewijch: bruidsmystiek
  5 Het leven van Jan van Ruusbroec Ruusbroec: het werkende leven
  6 De verschrikkelijke 14e eeuw Ruusbroec: het innige leven
  7 Gods beeld en gelijkenis Ruusbroec: om Hem te ontmoeten




<     >